Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200501172/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Harlingen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 2004, het bestemmingsplan "Harlingen-Ludinga" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501172/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], [appellant sub 2F], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K], [appellant sub 2L] en [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2P] en [appellant sub 2Q], allen wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Harlingen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 2004, het bestemmingsplan "Harlingen-Ludinga" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 december 2004, kenmerk 582588, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 2 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2005, appellanten sub 2 bij brief van 14 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2005, en appellant sub 3 bij brief van 5 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2005, beroep ingesteld. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 maart 2005.

Bij brief van 27 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 augustus 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2005, waar appellant sub 1, in persoon, appellanten sub 2, in de persoon van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2M], appellant sub 3, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door F. Jongma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J. Sijbenga, wethouder van de gemeente en H. Woltjer, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    [appellant sub 2A] stelt in beroep mede namens de op de bij het beroep gevoegde lijst genoemde buurtbewoners [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], [appellant sub 2F], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K], [appellant sub 2L] en [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2P] en [appellant sub 2Q] dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.2.1.    [appellant sub 2C] heeft geen bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover dat is ingediend namens [appellant sub 2C] niet-ontvankelijk.

2.2.2.    [appellant sub 2E], [appellant sub 2G] en [appellant sub 2H] hebben geen zienswijze tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij verweerder.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tijdig tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten heeft ingebracht. Dit is slechts anders, voorzover hier van belang, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover dat is ingediend namens [appellant sub 2E], [appellant sub 2G] en [appellant sub 2H] niet-ontvankelijk.

2.2.3.    [appellant sub 2A] stelt in beroep mede namens [appellant sub 2B], [appellant sub 2D], [appellant sub 2F], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K], [appellant sub 2L] en [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2P] en [appellant sub 2Q] (verder: [appellant sub 2A] en anderen) onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het gehele plan. Meer specifiek stellen appellanten in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Bolswardervaart, in het zuiden van het plangebied, en aan de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier.

Appellanten hebben in hun zienswijze en bedenkingen bezwaren aangevoerd tegen de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier.

2.2.4.    Zoals in overwegingen 2.2.2 en 2.2.3 is overwogen kan ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, slechts beroep worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een zienswijze en bedenkingenschrift, behoudens de in voornoemde artikelen genoemde uitzonderingen. De reikwijdte van zienswijzen en bedenkingen wordt bepaald door de planonderdelen die daarin worden bestreden, zoals plandelen, voorschriften of aanduidingen. Het uitgangspunt van de WRO, met betrekking tot het stelsel van getrapte rechtsbescherming, leidt ertoe dat planonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de bedenkingenfase niet alsnog kunnen worden bestreden, behoudens de uitzondering genoemd in artikel 27, eerste lid, van de WRO. Evenzo kunnen planonderdelen die in de bedenkingen niet zijn bestreden en die door verweerder zijn goedgekeurd, in de fase van beroep bij de Afdeling niet alsnog worden bestreden, behoudens de uitzondering genoemd in artikel 56, tweede lid, onder 2, van de WRO.

Nadere argumenten ter onderbouwing van zienswijzen en bedenkingen kunnen echter nog in iedere fase van de procedure naar voren worden gebracht. In de bedenkingenfase en in de fase van beroep bij de Afdeling kunnen derhalve argumenten worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de fase van de zienswijze.

Uit het vorenstaande volgt allereerst dat het beroep van [appellant sub 2A] en anderen, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Bolswardervaart in het zuiden van het plangebied, niet-ontvankelijk is, nu hiertegen geen zienswijzen en bedenkingen zijn ingediend en zich niet een in artikel 56, tweede lid, en artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO genoemde omstandigheid voordoet.

Voorts vloeit uit het vorenstaande voort dat het beroep van [appellant sub 2A] en anderen voor zover gericht tegen het gehele plan, met uitzondering van de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier, niet-ontvankelijk is.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat de argumenten met betrekking tot de ecologie, archeologie en voorzieningen kunnen worden toegerekend aan de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier. Deze argumenten kunnen in het kader van de beoordeling van voornoemde plandelen derhalve aan de orde komen.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.4.    [appellant sub 1] stelt dat zijn zienswijze op onjuiste wijze is verwoord in het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad ter vaststelling van het plan.

De Afdeling is van oordeel dat geen wettelijk voorschrift zich ertegen verzet dat het college van burgemeester en wethouders de ingebrachte bezwaren samengevat weergeeft in het voorstel ter vaststelling van het plan aan de gemeenteraad. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat bepaalde bezwaren of argumenten niet door de gemeenteraad in de overwegingen zijn betrokken.

2.5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] stellen dat de door hen ingezonden zienswijzen ten onrechte niet voor de gemeenteraad ter inzage hebben gelegen.

De gemeenteraad heeft verklaard dat kopieën van de zienswijzen ter inzage hebben gelegen. Raadsleden hebben daarover opgemerkt dat zij liever de originele zienswijzen hadden gezien. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven aan deze gang van zaken te twijfelen. De Afdeling is voorts van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de raadsleden in onvoldoende mate kennis hebben kunnen nemen van de ingediende zienswijzen.

2.6.    [appellant sub 3] stelt dat het bestreden besluit te laat bekend is gemaakt.

[appellant sub 3] stelt voorts dat het plan en de daarbij behorende stukken ten tijde van het opstellen van zijn bedenkingenschrift ten onrechte niet ter inzage lagen. Zijn bedenkingenschrift is gedateerd 2 juli 2004.

Verweerder stelt dat het vastgestelde plan op correcte wijze ter inzage heeft gelegen en dat het besluit omtrent goedkeuring binnen de termijn bekend is gemaakt. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de WRO moet verweerder, in een geval als hier aan de orde, het besluit omtrent goedkeuring bekendmaken binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan. Blijkens de publicaties heeft het vastgestelde plan ingaande 30 juni 2004 gedurende vier weken ter inzage gelegen. Derhalve diende verweerder het besluit omtrent de goedkeuring van het plan voor 29 januari 2005 bekend te maken. Nu vast staat dat verweerder het besluit omtrent de goedkeuring van het plan "Harlingen-Ludinga" op 11 januari 2005 ter bekendmaking heeft verzonden, heeft verweerder het besluit omtrent de goedkeuring tijdig bekend gemaakt.

De Afdeling stelt vast dat 2 juli 2004 binnen de termijn van terinzagelegging van het vastgestelde plan valt en dat het plan derhalve op die datum ter inzage behoorde te liggen. Ter zitting is door het gemeentebestuur gesteld dat appellant inzage heeft genomen van het plan en de daarbij behorende stukken door tussenkomst van een ambtenaar van de gemeente. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet kon worden ingezien. De Afdeling is van oordeel dat met deze gang van zaken geen wettelijk voorschrift is geschonden.

Het plan

2.7.    Het plan voorziet in een stadsuitbreiding van Harlingen aan de zuidoostelijke kant van het bestaande stadsgebied. Het plan maakt onder meer de bouw van ongeveer 400 woningen, een ontsluitingsweg en de (her)inrichting van het bestaande sportveldengebied mogelijk.

Archeologie, ecologie en voorzieningen

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen

2.8.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", twee plandelen met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier. Appellanten stellen daartoe onder meer dat deze bestemmingen ten onrechte bebouwing op archeologisch waardevolle gebieden mogelijk maken. Zij stellen voorts dat de ecologie van deze plandelen wordt aangetast. Meer specifiek stellen appellanten dat in het gebied onder meer weidevogels, trekvogels, vleermuizen, lepelaars, modderkruipers en nachtvlinders voorkomen. Appellanten stellen in verband hiermee dat het ecologisch onderzoek niet deugdelijk is uitgevoerd. Ook stellen appellanten dat de plandelen ten onrechte niet voorzien in een uitbreiding van facilitaire voorzieningen, zoals onder meer medische zorg en school- en kinderopvang.  

Standpunt verweerder

2.9.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan drie vlakken in het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden". Verweerder heeft de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier voor het overige niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen voor het overige goedgekeurd. Verweerder stelt zich onder meer op het standpunt dat, voor zover het plan aantasting van ecologische waarden met zich zal brengen, aannemelijk is dat hiervoor ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet zullen worden verleend.

Vaststelling van de feiten

2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.    In de plantoelichting is vermeld dat met het plan wordt beoogd te voorzien in een deel van de woningbehoefte in Harlingen. Omdat geen direct beschikbare bouwterreinen in Harlingen voorhanden zijn, is een zogenoemde plaatskeus-analyse uitgevoerd. Daaruit is het plangebied naar voren gekomen als het meest geschikt, onder meer vanwege de ontsluitingsmogelijkheden. In deze plaatskeus-analyse wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid gebruik te maken van bestaande voorzieningen, aldus de plantoelichting.  

Het karakteristieke landschapsbeeld van het buitengebied van Harlingen dient zoveel mogelijk gehandhaafd te worden, aldus de plantoelichting. De ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in de open groene ruimte rond de stad dient dan ook waar mogelijk te geschieden binnen het kader van integratie van de aanwezige landschappelijke en ecologische kwaliteiten en de uit het milieu voortkomende randvoorwaarden. Omdat Ludinga aangemerkt dient te worden als een kwaliteitslocatie, zal volgens de plantoelichting veel aandacht worden besteed aan groen en water. Hierdoor wordt tevens een geleidelijke overgang van stad naar landschap gecreëerd.

In de plantoelichting is vermeld dat langs de randen van reeds bekende vindplaatsen archeologische indicatoren zijn gevonden. Dit betekent volgens de plantoelichting dat zich in deze randzones op grotere diepte grondsporen kunnen bevinden. Hiermee zal in de uitvoeringsfase rekening worden gehouden, aldus de plantoelichting.

In de plantoelichting staat verder dat de vleermuizen die in het plangebied voorkomen waarschijnlijk geen kolonies of schuilplaatsen in het plangebied hebben. Voorts verliezen enkele diersoorten hun leefgebied door de verwezenlijking van het plan. In het kader van de Flora- en faunawet is hiervoor ontheffing nodig, aldus de plantoelichting. Volgens de toelichting mag verwacht worden dat, gelet op de resultaten van het onderzoek, deze ontheffing verleend zal worden. Ter zitting heeft het gemeentebestuur verder gesteld dat ontheffingverlening verder aannemelijk is omdat compensatie binnen het plangebied kan plaatsvinden.

2.10.2.    In opdracht van de gemeente Harlingen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau, getiteld "Uitbreidingsplan Ludinga, gemeente Harlingen; een inventariserend archeologisch onderzoek (verder: het archeologisch onderzoek)", uitgebracht in november 2002. In dit onderzoeksrapport staat dat in het plangebied archeologische resten zijn aangetroffen in de randzones van reeds bekende vindplaatsen. Bij het onderzoeksrapport is een kaart gevoegd waarop deze randzones zijn aangeduid. Naar verwachting zal in de rest van het plangebied als gevolg van de geplande werkzaamheden geen verstoring van archeologische waarden optreden, aldus het archeologisch onderzoek.

2.10.3.    Ingevolge artikel 12 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor doeleinden van verkeer en verblijf aangewezen gronden bestemd voor woonstraten, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen, en in beperkte mate voor tuinen en erven, waterlopen en waterpartijen. Voorts zijn de gronden bestemd voor de daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge de bebouwingsbepalingen bij dit planvoorschrift mogen op gronden met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" geen gebouwen worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mogen op gronden met deze bestemming ten hoogste 5 meter bedragen.  

2.10.4.    In opdracht van de gemeente Harlingen is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek B.V., gedateerd 10 februari 2003, met de titel "Ecologische beoordeling van het bestemmingsplan Ludinga in Harlingen (verder: het ecologisch onderzoek)".

Informatie over de flora en fauna is in het veld verzameld aan de hand van korte verkenningen, zogenoemde 'quick scans'. Deze quick scans zijn uitgevoerd op 10 december 2002 en 22 januari 2003. In het onderzoeksrapport is vermeld dat in de omgeving de Kleine watersalamander, de Meerkikker of Grote groene kikker en de Bruine kikker zijn te verwachten. In het gebied komen verder verschillende vlindersoorten en libellen voor. Het plangebied is volgens het rapport door het open graslandkarakter niet geschikt voor de vestiging van kritische en kwetsbare vlindersoorten en libellen. Volgens het rapport komen in het plangebied in kleine aantallen weidevogels voor en zijn in het plangebied regelmatig Kol- en Brandganzen aanwezig, evenals Kieviten en Goudplevieren. Kemphanen komen niet of nauwelijks voor. Er is geen concrete informatie bekend over het verblijf van vleermuizen in het plangebied, aldus het rapport. Kolonies of schuilplaatsen komen volgens het onderzoeksrapport in de vrije natuur van het plangebied niet voor, vanwege het nagenoeg ontbreken van oude, holle bomen. Volgens het onderzoek is het voorts mogelijk dat zich in het plangebied Grote en Kleine modderkruipers bevinden.

Volgens het onderzoeksrapport zijn gelet op de aanwezigheid van de eerdergenoemde diersoorten verschillende soorten ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet nodig.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Uit het archeologisch onderzoek en de daarbij behorende kaart blijkt dat ter plaatse van de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier geen archeologische indicatoren zijn gevonden en dat deze gronden derhalve niet kunnen worden aangemerkt als archeologisch waardevol gebied. Appellanten hebben de juistheid van dit onderzoek niet betwist.

Uit de bij het archeologisch onderzoek behorende kaart blijkt dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" enige archeologische indicatoren zijn gevonden. Ingevolge artikel 12 van de planvoorschriften mogen op de gronden met deze bestemming geen gebouwen worden gebouwd. Voorts is het, gelet op de aard van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en met een hoogte van maximaal 5 meter die op het plandeel kunnen worden opgericht, niet aannemelijk dat de werkzaamheden ten behoeve van de bouw van dergelijke bouwwerken op zodanige wijze plaatsvinden dat zij een ernstige verstoring van de archeologische waarden met zich zullen brengen.

2.12.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het uitgevoerde ecologische onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Het gemeentebestuur en verweerder stellen zich op het standpunt dat, voor zover verwezenlijking van de plandelen een aantasting van de ecologische waarden in het gebied met zich brengt, ontheffingen in het kader van de Flora- en faunawet kunnen worden verleend.

[appellant sub 2A] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven aan dit standpunt te twijfelen.

2.13.    Met betrekking tot de facilitaire voorzieningen is in de plantoelichting vermeld dat in het kader van de locatiekeuze voor de nieuwe woonwijk onderzoek is gedaan naar het voorzieningenniveau ten behoeve van het plangebied. Daaruit is volgens de plantoelichting gebleken dat dergelijke voorzieningen vanuit het plangebied goed bereikbaar zijn. Appellanten betwisten deze stelling en zijn van mening dat het voorzieningenniveau ten behoeve van de plandelen onvoldoende is, maar hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van deze stelling.

De plandelen met de bestemming "Sportdoeleinden"

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3]

2.14.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte voor een groot deel goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Sportdoeleinden". [appellant sub 2A] en anderen stellen daartoe dat het zogenoemde Harlinger Bos en de recreatieve mogelijkheden daarvan worden aangetast. Voorts stellen zij dat van gemeentewege is toegezegd dat het bos behouden zou blijven.

[appellant sub 2A] en anderen vrezen verder een aantasting van hun woon- en leefklimaat door verlies van uitzicht.

[appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden". Deze appellant stelt daartoe dat de in dit plandeel toegestane bouwmogelijkheden leiden tot aantasting van zijn uitzicht. Volgens hem bestaat er geen noodzaak tot de bouw van een jeu de boules-hal en is het niet zeker dat het plan op dit punt zal worden uitgevoerd.

[appellant sub 3] stelt dat verweerder aan een groter deel van het bouwvlak goedkeuring had moeten onthouden. Daarnaast voert hij aan dat verweerder weliswaar aan een strook van ongeveer 10 meter goedkeuring heeft onthouden ter bescherming van het openbaar groen, doch dat binnen het plandeel veel meer groen staat dat bescherming behoeft.

Standpunt verweerder

2.15.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan drie vlakken in het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden". Verweerder heeft de plandelen met de bestemming "Sportdoeleinden" verder niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen voor het overige goedgekeurd. Verweerder is van mening dat met het onthouden van goedkeuring aan een deel van het bouwvlak op het plandeel in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de bezwaren van [appellant sub 3] ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden. Ook stelt verweerder dat de groene waarden van het Harlinger Bos voldoende worden beschermd door de onthouding van goedkeuring.

Vaststelling van de feiten

2.16.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.1.    Het zogenoemde Harlinger Bos is volgens het deskundigenbericht een ongeveer 15 hectare groot gebied binnen het plangebied. Volgens de plantoelichting zijn in dit Harlinger Bos windsingels rond de sportvelden en enkele bomenconcentraties aanwezig. In het Harlinger Bos is onder meer een sportcomplex gelegen. Het Harlinger Bos heeft voor het grootste deel de bestemming "Sportdoeleinden" gekregen.

[appellant sub 2A] en anderen wonen allen in het bestaande woongebied ten zuiden van de plandelen met de bestemming "Sportdoeleinden".

2.16.2.    Op een gedeelte van het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden" geldt de aanduiding "gebouwen toegestaan", met daarin een aanduiding "7". Blijkens de plankaart geeft deze aanduiding de maximale bouwhoogte in meters aan. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan een deel van het voornoemde bouwvlak. Het gebied met de aanduiding "gebouwen toegestaan" omvat volgens het deskundigenbericht na de beslissing van verweerder nog 66 bij 60 meter, 3960 m2. Verweerder heeft verder goedkeuring onthouden aan een strook met een breedte van 10 meter aan de zuidzijde van het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden" en aan een strook in het westen van dit plandeel.

[appellant sub 3] woont ten zuiden van het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden". In het deskundigenbericht is opgenomen dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en de na de onthouding van goedkeuring resterende bouwmogelijkheden 100 meter bedraagt.

2.16.3.    Artikel 8 van de planvoorschriften luidt, voor zover hier van belang:

A. De op de kaart voor sportdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. terreinen ten behoeve van sport- en recreatieve voorzieningen;

2. gebouwen ten behoeve van:

   a. sport en recreatieve voorzieningen;

   b. horecavoorzieningen, voorzover ondergeschikt aan en ten dienste van de sport en recreatie, zoals kantines;

   c. onderhoud en beheer;

met de daarbijbehorende:

3. erven en terreinen;

4. wegen en paden;

5. parkeervoorzieningen;

6. groenvoorzieningen;

7. bebossing;

8. waterlopen;

9. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder tribunes.

Ingevolge de bebouwingsbepalingen van artikel 8, lid B, van de planvoorschriften mogen gebouwen ten behoeve van sport en recreatieve voorzieningen en horecavoorzieningen, voorzover ondergeschikt aan en ten dienste van de sport en recreatie, zoals kantines, uitsluitend worden gebouwd binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "gebouwen toegestaan". Het bebouwingspercentage mag voorts per aanduidingvlak ten hoogste 70 procent bedragen. De hoogte van een gebouw mag ten hoogste de op de kaart in het aanduidingvlak aangegeven hoogte bedragen.

2.16.4.    In de plantoelichting is vermeld dat het voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk noodzakelijk is een hoofdontsluitingsweg aan te leggen. Ten behoeve hiervan moet het sportveldengebied heringericht worden, aldus de plantoelichting. De belangrijkste wijzigingen voor het sportveldengebied zijn volgens de plantoelichting de vervanging van de atletiekbaan door jeu de boules-banen en een trapveld voor de buurt, alsmede de verplaatsing van een voetbalveld. Ten aanzien van de bouwmogelijkheden in het sportveldengebied is in de plantoelichting vermeld dat de bebouwingsmogelijkheden beoefening van sport in de winter mogelijk maken. Verder staat in de plantoelichting dat het herinrichtingsplan voor het sportveldengebied in samenwerking met onder meer de Jeu de Boulesvereniging tot stand is gekomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.17.    Blijkens de plantoelichting wordt met het plan onder meer beoogd een herinrichting van het sportveldengebied mogelijk te maken teneinde de hoofdontsluitingsweg naar de nieuwe woonwijk te kunnen realiseren. Bij de herinrichting is in diverse voorzieningen voor de beoefening van sport voorzien. Het gemeentebestuur is van mening dat in het sportveldengebied bebouwing nodig is zodat sporten ook in de winter kunnen worden beoefend.

Blijkens de plankaart, het deskundigenbericht en ingevolge de onthouding van goedkeuring door verweerder aan een deel van het bouwvlak, mag op het bouwvlak op het zuidwestelijke plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden" in totaal 2770 m2 bebouwing worden gerealiseerd.

[appellant sub 3] heeft weliswaar gesteld dat een bouwvlak van dergelijke omvang niet nodig is en dat het twijfelachtig is of het bouwwerk zal worden verwezenlijkt, maar hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd door het aandragen van gegevens die aanleiding geven aan de juistheid van het gemeentelijk standpunt te twijfelen. Dat de plannen voor de bouw van een jeu de boules-hal slechts zien op een gedeelte van het bouwvlak kan niet als een dergelijke omstandigheid gelden, nu het bouwvlak ook bebouwd kan worden ten behoeve van andere sporten.

Gezien voornoemde bebouwingsmogelijkheden op het plandeel kan, in aanmerking genomen dat het plandeel thans onbebouwd is, niet worden ontkend dat het uitzicht van [appellant sub 3] zal wijzigen. Vast staat dat in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en het bouwvlak op het voornoemde zuidwestelijke plandeel tenminste 100 meter. Gelet op deze afstand tussen de woning en de voorziene bebouwing en de maximale bouwhoogte, is niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het uitzicht van [appellant sub 3] zo ernstig is dat hieraan grote betekenis toekomt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat de jeu de boules-hal het meest zuidelijke gedeelte van het door verweerder goedgekeurde bouwvlak zal gaan beslaan. Appellant betoogt naar aanleiding hiervan dat verweerder goedkeuring had moeten onthouden aan het noordelijke gedeelte van het bouwvlak, waarop de jeu de boules-hal blijkens de plannen niet gebouwd wordt. De Afdeling acht het, gelet op het feit dat appellant geen zicht heeft op het noordelijke deel van het bouwvlak nu het zicht hierop door de zuidelijke gevel van de jeu de boules-hal wordt weggenomen, niet aannemelijk gemaakt dat appellant door dit deel van het bouwvlak in zijn belangen wordt geschaad.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen menen dat het belang bij de bouwmogelijkheden zwaarder weegt dan het belang van [appellant sub 3] bij een vrij uitzicht.

2.18.    Uit de in overwegingen 2.16.2 en 2.16.3 opgenomen gebruiks- en bebouwingsbepalingen vloeit voort dat, in aanmerking genomen dat ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Sportdoeleinden" thans windsingels en bomen aanwezig zijn en de gronden voorts onbebouwd zijn, niet kan worden ontkend dat het plan een wijziging van de inrichting van het gebied mogelijk maakt. [appellant sub 2A] en anderen hebben gesteld dat er toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot het behoud van het thans aanwezige groen, maar hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van deze stelling. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat hun belangen zodanig ernstig worden geschaad dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de belangen van appellanten bij ongewijzigde recreatiemogelijkheden en een ongewijzigd uitzicht niet zwaarder wegen dan de algemene belangen bij de herinrichting van het sportveldengebied. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de aard van het gebied geen grote wijziging zal ondergaan, nu de plandelen voorzien in verschillende faciliteiten ten behoeve van recreatie. Voorts heeft de Afdeling hierbij mede betrokken dat verweerder goedkeuring heeft onthouden aan een deel van het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden" ter plaatse van een strook groen waarop de woningen van appellanten uitkijken.

Het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden"

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen

2.19.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden". Volgens appellanten is het niet nodig dat de hoofdontsluiting van de nieuwe woonwijk door het Harlinger Bos loopt, omdat er goede alternatieven voor de ligging van deze weg zijn. De aansluiting van de weg op de bestaande wegen buiten het plan leidt volgens appellanten tot verkeersonveilige situaties op de Kimswerderweg. Appellanten vrezen voorts een aantasting van hun woon- en leefklimaat door licht- en geluidhinder van verkeer op deze weg. Ook stellen appellanten dat de uitgangspunten voor de akoestische berekeningen onjuist zijn. Zij wensen in verband hiermee dat de plaatsing van afschermend groen tussen de weg en hun woningen wordt gegarandeerd.

Standpunt verweerder

2.20.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt dat zich ter plaatse van de woningen van appellanten geen geluidhinder zal voordoen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid op de Kimswerderweg door het nemen van verkeersmaatregelen gewaarborgd kan worden.

Vaststelling van de feiten

2.21.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.21.1.    Het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" loopt met een bocht van het noordwesten tot de oostelijke grens van het plangebied. In het noordwesten sluit het plandeel aan op de Achlumerdijk die vervolgens uitkomt op de Kimswerderweg. De Kimswerderweg ligt buiten het plangebied.

2.21.2.    Artikel 14 van de planvoorschriften luidt, voor zover hier van belang:

A. De op de kaart voor verkeersdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

1. wegen en straten;

2. voet- en rijwielpaden;

3. groenvoorzieningen;

4. sloten, bermen en beplanting;

waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van verkeer;

met de daarbij behorende:

5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

(…)

D. Tot een strijdig gebruik met deze bestemming, zoals bedoeld in

artikel 21 lid A, wordt in ieder geval gerekend:

- het aanleggen van wegen en paden of anderszins inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van het op de kaart aangegeven dwarsprofiel.

2.21.3.    In de plantoelichting is vermeld dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" de hoofdontsluiting voor de nieuwe woonwijk is voorzien. Deze ontsluitingsweg is volgens de plantoelichting noodzakelijk voor de ontsluiting voor de in het plan voorziene wijk. Uitgangspunt voor de ligging van de hoofdontsluiting is geweest dat de wegen in de bestaande woonwijken zoveel mogelijk moeten worden ontzien, aldus de plantoelichting. Volgens de toelichting zijn verschillende alternatieven onderzocht, maar is de in het plan neergelegde de meest geschikte.

2.21.4.    De dichtstbijzijnde woningen van appellanten staan volgens het deskundigenbericht op ten minste 74,5 meter van de as van de dichtstbijzijnde rijbaan van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden". De 50 dB(A)-contour zal volgens het deskundigenbericht op 10,8 meter van de as van de rijbaan liggen. In deze situatie zal volgens het deskundigenbericht bij de woningen van appellanten geen geluidhinder zijn.

In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat, vanwege de grote afstand en de ligging van de woningen ten opzichte van de weg, alleen de woningen op de percelen Goudplevier 19 tot en met 23 enige lichthinder zouden kunnen ondervinden.

In het deskundigenbericht is verder opgenomen dat de aansluiting van de hoofdontsluiting op het bestaande wegennet van Harlingen weliswaar enkele knelpunten tot gevolg heeft, maar dat deze knelpunten met verkeersmaatregelen opgelost kunnen worden. Inmiddels is volgens het deskundigenbericht een herinrichtingsplan in uitvoering waarbij een deel van de Kimswerderweg wordt voorzien van fietspaden, waardoor de verkeersveiligheid toeneemt.

Het oordeel van de Afdeling

2.22.    Appellanten vrezen voor overlast van bouwverkeer op het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden". De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.23.    Gelet op de afstand van de as van de weg tot de dichtstbijzijnde woningen van appellanten in samenhang met de ligging van de 50 dB(A)-contour acht de Afdeling het niet aannemelijk dat bij de woningen van appellanten sprake zal zijn van geluidhinder ten gevolge van de ontsluitingsweg. Niet is aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de eventuele negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid ten gevolge van de aansluiting van de hoofdontsluitingsweg op het bestaande wegennet van Harlingen, waaronder de Kimswerderweg, niet afdoende met verkeersmaatregelen kunnen worden beperkt.

Uit het deskundigenbericht is verder gebleken dat ten gevolge van de ontsluiting bij enkele woningen van appellanten beperkte lichthinder zou kunnen ontstaan. De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat de lichthinder die de weg met zich kan brengen zo groot is dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de algemene belangen bij de ontsluiting van de nieuwe woonwijk zwaarder wegen dan de belangen van appellanten bij het voorkomen van elke lichthinder. De Afdeling acht daarbij van belang dat slechts een klein aantal woningen lichthinder ten gevolge van de weg zal kunnen ondervinden en dat deze eventuele lichthinder zeer beperkt zal zijn door de in overweging 2.21.4  genoemde afstand van de woningen tot de weg.

In verband met de door appellanten gevreesde licht- en geluidhinder stellen zij dat een strook afschermend groen moet worden aangelegd tussen de wijk waar zij wonen en de voorziene hoofdontsluiting. Voor zover appellanten daarbij doelen op de thans onbebouwde strook tussen het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" en hun woningen merkt de Afdeling op dat deze strook buiten de plangrens ligt en derhalve in deze procedure niet ter beoordeling staat. Voor zover appellanten doelen op de aanleg van een strook groen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" stelt de Afdeling vast dat artikel 14 van de planvoorschriften, in samenhang met het profiel van de hoofdontsluiting dat op de plankaart is weergegeven, onder meer voorziet in de aanleg van groen op het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden". De Afdeling merkt voorts op dat een bestemmingsplan, gelet op artikel 10 van de WRO, slechts verbods- en geen gebodsbepalingen kan bevatten. Derhalve kan het geen actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming opleggen.

Met betrekking tot de stelling van appellanten dat er alternatieven voor de ligging van de ontsluitingsweg bestaan, merkt de Afdeling op dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan of een deel daarvan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet. Verweerder heeft zich gezien het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

De plandelen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden"

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen

2.24.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden". Appellanten stellen dat het Harlinger Bos wordt aangetast en dat hiertoe geen noodzaak bestaat. Tevens vrezen appellanten voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door verlies van uitzicht en door lichthinder van de voorziene woningen. Appellanten stellen voorts dat het aantal woningen en de omvang en plaatsing van de woningen op de plandelen ten onrechte niet in het plan zijn aangegeven, zodat ruimte bestaat voor ongewenste ontwikkelingen. Verder stellen appellanten dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid wordt geboden buiten de bouwvlakken te bouwen.

Standpunt verweerder

2.25.    Verweerder heeft de plandelen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen goedgekeurd. Verweerder is van mening dat de bouwmogelijkheden voldoende zijn begrensd. Uit het oogpunt van flexibiliteit verdient het de voorkeur de exacte ligging en omvang van woningen niet in het plan op te nemen, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.26.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.26.1.    Voor een weergave van de feitelijke situatie in het Harlinger Bos wordt verwezen naar overweging 2.16.1.

Ter plaatse van een deel van het Harlinger Bos zijn vier bestemmingsvlakken opgenomen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden". Deze vlakken grenzen alle aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden", waarop volgens de plantoelichting de hoofdontsluiting van de nieuwe woonwijk is voorzien.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de totale oppervlakte van de vier bestemmingsvlakken met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" ongeveer 2,5 hectare bedraagt. Volgens het deskundigenbericht zijn thans ter plaatse van de bestemmingsvlakken voornamelijk sportvelden met de bijbehorende windsingels aanwezig.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de afstand van de voorziene bebouwing tot de woningen van appellanten tenminste 50 meter bedraagt.

2.26.2.    Artikel 6, lid A, van de planvoorschriften luidt, voor zover hier van belang:

A. De op de kaart voor "Bijzondere woondoeleinden" aangewezen gronden zijn bedoeld voor:

1. gebouwen ten behoeve van woningen al dan niet in combinatie met zorgdoeleinden;

2. tuinen, erven en terreinen;

3. parkeervoorzieningen;

4. groenvoorzieningen;

5. waterlopen;

met de daarbijbehorende:

6. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 6, lid B, van de planvoorschriften mogen als gebouw uitsluitend woonhuizen c.q. woongebouwen worden gebouwd en moet een gebouw binnen een bouwvlak worden gebouwd. De bouwhoogte van gebouwen moet minimaal 6 meter bedragen en maximaal 15 meter.

Met betrekking tot het woongebied rondom de sportvelden is in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3 van de planvoorschriften vermeld dat de bebouwing zich dient te kenmerken door een ruimtelijke samenhang per cluster. Elk cluster dient voorts een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de ontsluitingsweg. Voorts dienen de gebouwen zoveel mogelijk geïntegreerd te worden in het groen en ten opzichte van de functie als sport- en groengebied ondergeschikt te zijn.

2.26.3.    In de plantoelichting staat dat de mogelijkheid tot realisering van woonbebouwing langs de centrale ontsluitingsweg van het plan onder meer tot doel heeft de overgang van groene naar stedelijke omgeving geleidelijk te laten verlopen en de relatie van de woonwijk met de stad tot uitdrukking te brengen. De voorziene bebouwing aan de hoofdontsluiting duidt de entree van de nieuwe woonwijk aan, aldus de plantoelichting. Ook wordt volgens de plantoelichting de enigszins geïsoleerde ligging van de nieuwe woonwijk opgeheven door de bebouwing aan de hoofdontsluiting.

Het oordeel van de Afdeling

2.27.    In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de WRO brengt met zich dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

Uit artikel 6 van de planvoorschriften volgt waarvoor de gronden met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" zijn bedoeld en welke bebouwingsbepalingen hier gelden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar zou zijn. Dat de exacte omvang en ligging van de te bouwen woningen niet in het plan zijn opgenomen, doet hier niet aan af. De Afdeling is voorts van oordeel dat artikel 6 in samenhang met artikel 3 van de planvoorschriften voldoende waarborgen biedt voor de ruimtelijke en functionele inpassing van de woningen in de omgeving.

2.28.    Uit artikel 6 van de planvoorschriften volgt dat gebouwen slechts binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd. Voor zover appellanten betogen dat buiten de bouwvlakken woningen kunnen worden gebouwd, mist het beroep van appellanten dan ook feitelijke grondslag.

Voornoemd planvoorschrift maakt wel mogelijk dat buiten de bouwvlakken bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht tot een hoogte van 5 meter. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze regeling in dit geval onaanvaardbaar is.

2.29.    Zoals in overweging 2.26.3 is weergegeven wordt met het opnemen van de plandelen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" in het plan onder meer beoogd een geleidelijke overgang tussen stedelijk gebied en de nieuwe woonwijk te bewerkstelligen. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de locatie voor de bestemmingsvlakken mede is ingegeven door de overweging dat bebouwing langs de centrale ontsluitingsweg de sociale veiligheid bevordert. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid bij deze doelstellingen heeft kunnen aansluiten. Voor zover appellanten stellen dat de plandelen met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" niet noodzakelijk zijn omdat ook de ontsluitingsweg niet noodzakelijk is, verwijst de Afdeling naar overweging 2.23.

Niet uitgesloten is dat het thans aanwezige groen met de verwezenlijking van de bestemming van de plandelen zal verdwijnen. Artikel 6 van de planvoorschriften maakt op de plandelen weliswaar tuinen en groenvoorzieningen mogelijk, maar ook bebouwing en parkeervoorzieningen. Gelet op de onder overweging 2.26.2 genoemde bebouwingsmogelijkheden kan dan ook niet worden ontkend dat met het verwezenlijken van het plan het uitzicht van appellanten kan wijzigen. Vast staat dat in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de dichtstbijzijnde woningen van appellanten en het meest zuidelijk gelegen plandeel met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" tenminste 50 meter. Gelet op deze afstand tussen de woningen van appellanten en de voorziene bebouwing, is niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het uitzicht zo ernstig is dat hieraan grote betekenis toekomt. Ook is, mede gezien de ruime afstand, niet aannemelijk gemaakt dat de aantasting van de privacy van appellanten en de eventuele lichthinder ten gevolge van de voorziene bebouwing een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten tot gevolg heeft. Ter zitting is verder gebleken dat appellanten vrezen voor lichthinder ten gevolge van een weg op het plandeel met de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" die een verbinding zou vormen tussen het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" en het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf". De Afdeling stelt vast dat artikel 6 van de planvoorschriften niet de aanleg van een dergelijke weg mogelijk maakt.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen menen dat de algemene belangen bij de bouwmogelijkheden op grond van de bestemming "Bijzondere woondoeleinden" zwaarder wegen dan de belangen van appellanten bij een vrij uitzicht en het voorkomen van elke lichthinder en elke aantasting van hun privacy.

Het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen

2.30.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier.

[appellant sub 2A] en anderen stellen daartoe dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door verlies van uitzicht. In verband daarmee stellen appellanten dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd dat tussen het plandeel en hun woonwijk blijvend groen geplant zal worden.

Standpunt verweerder

2.31.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.32.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.32.1.    Het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ligt ten oosten van de Goudplevier, waar appellanten wonen, en grenst aan de noordkant aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden". Een strook in het westen en noorden van het plandeel heeft de aanduiding "B". Het overige gedeelte van het plandeel heeft de aanduiding "D".

In het deskundigenbericht is vermeld dat de kleinste afstand tussen de woningen van appellanten en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten daarvan ongeveer 57 meter bedraagt.

2.32.2.    Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" onder meer bestemd voor woonhuizen, woonstraten, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

In artikel 4, lid B, van de planvoorschriften is opgenomen dat de maatvoering en het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen per op de kaart in het bestemmingsvlak aangegeven bouwklasse moet voldoen aan de eisen die in het op de kaart aangegeven bouwschema zijn gesteld.

Voor de gronden met de aanduiding "B" geldt volgens dit schema dat maximaal twee woningen aaneen mogen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte voor deze woningen bedraagt 11 meter.

Voor de gronden met de aanduiding "D" geldt volgens het schema dat maximaal vier woningen aaneen mogen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte voor deze woningen is 10 meter.

Ingevolge artikel 4, lid B, onder 4, van de planvoorschriften mogen geen steigers en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Voorts mag de hoogte van oeverbeschoeiingen ten hoogste 0,40 meter bedragen. De hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5,00 meter bedragen.

Met betrekking tot de aanleg van straten is in artikel 3 van de planvoorschriften opgenomen dat gestreefd dient te worden naar het instandhouden c.q. tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.

2.32.3.    Voor een weergave van de plantoelichting wordt verwezen naar overweging 2.10.1.

Het oordeel van de Afdeling

2.33.    Blijkens de plantoelichting wordt met het plan voorzien in een deel van de woningbehoefte in Harlingen. Binnen de bestaande woonlocaties is blijkens de plantoelichting geen mogelijkheid in deze woningbehoefte te voorzien. Ter zitting is gebleken dat appellanten de noodzaak van de nieuwe woonwijk niet bestrijden.

Gelet op de onder 2.32.2 genoemde bebouwingsmogelijkheden kan, in aanmerking genomen dat appellanten thans een nagenoeg vrij uitzicht hebben, niet worden ontkend dat met het verwezenlijken van het plandeel het uitzicht van appellanten zal wijzigen. Vast staat dat in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de meest dichtbij gelegen woning van appellanten en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ongeveer 57 meter. Gelet op deze afstand tussen de meest dichtbij gelegen woning van appellanten en het plangebied waar woningen, bijgebouwen of schuttingen kunnen worden verwezenlijkt, is niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het uitzicht zo ernstig is dat hieraan grote betekenis toekomt.

De Afdeling stelt tevens vast dat in artikel 4 van de planvoorschriften mede is voorzien in de aanleg van groen op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden". De Afdeling merkt voorts op dat een bestemmingsplan, gelet op artikel 10 van de WRO, slechts verbods- en geen gebodsbepalingen kan bevatten. Derhalve kan het geen actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming opleggen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen menen dat de algemene belangen bij de aanleg van een nieuwe woonwijk zwaarder wegen dan de belangen van appellanten bij een vrij uitzicht.

De plandelen met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf"

Standpunt [appellant sub 2A] en anderen

2.34.    [appellant sub 2A] en anderen stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" ter plaatse van de Achlumerdijk ten noorden van de hoofdontsluiting en aan het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" ten zuiden van de hoofdontsluiting. Appellanten stellen daartoe dat zij vrezen voor licht- en geluidhinder ten gevolge van verkeer en hinder van wegverlichting. In verband hiermee stellen appellanten dat het plan ten onrechte niet voorziet in de aanleg van laanbeplanting tussen hun woningen en genoemde plandelen. Ook stellen appellanten dat de geluidberekeningen voor de plandelen niet kloppen, nu geen rekening is gehouden met bouwverkeer.

Standpunt verweerder

2.35.    Verweerder heeft de twee hiervoor genoemde plandelen met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen goedgekeurd. Verweerder is onder meer van mening dat laanbeplanting in voldoende mate in het plan is voorzien.

Vaststelling van de feiten

2.36.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.36.1.    Het eerste plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" ziet op gronden ter plaatse van de reeds bestaande Achlumerdijk, en sluit aan op de voorziene hoofdontsluiting. Het tweede plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" ligt ten zuiden van de hoofdontsluiting en sluit op de hoofdontsluiting aan.

2.36.2.    Voor een weergave van artikel 12 van de planvoorschriften wordt verwezen naar overweging 2.10.3.

In artikel 3 van de planvoorschriften, onder de beschrijving in hoofdlijnen, is neergelegd dat de historisch waardevolle Achlumerdijk, als onderdeel van een cultuurhistorisch waardevol gebied, op verantwoorde wijze zal worden ingepast. Voorts is in de beschrijving in hoofdlijnen neergelegd dat een goede beeldkwaliteit primair zal worden nagestreefd met het Beeldkwaliteitsplan Ludinga. In het Beeldkwaliteitsplan is opgenomen dat het belang van de weg door laanbeplanting tot uitdrukking zal komen.

2.36.3.    Volgens de plantoelichting worden de woongebieden binnen het plan ontsloten door twee groen omlijste lanen. De nieuw aan te leggen lanen zijn volgens de toelichting onder de bestemming "Doeleinden voor verkeer en verblijf" gebracht, zodat de verblijfsfunctie van de lanen beter tot uitdrukking wordt gebracht. Door deze bestemming kunnen de plandelen de ontsluitingsfunctie vervullen, maar kunnen ook parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Ook is er plaats voor groenvoorzieningen, die de aantrekkelijkheid van het woonklimaat kunnen versterken.

2.36.4.    In het deskundigenbericht staat dat appellanten hebben aangegeven vooral te vrezen voor lichthinder ter plaatse van de kruising van de plandelen met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" met de hoofdontsluitingsweg. Mogelijk zal ter plaatse van die kruising een slinger in de weg worden aangelegd, waardoor koplampen van motorvoertuigen in de woningen van appellanten zouden kunnen gaan schijnen. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de kleinste afstand tussen de woningen van appellanten en het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" ten oosten van de Goudplevier tenminste 35 meter. In het deskundigenbericht is opgenomen dat lampen van auto's inderdaad in de richting van de woningen op de percelen Goudplevier 19 tot en met 23 zouden kunnen schijnen.

Het oordeel van de Afdeling

2.37.    Uit het deskundigenbericht is gebleken dat ten gevolge van de ontsluiting bij enkele woningen van appellanten beperkte lichthinder zou kunnen ontstaan. De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat de lichthinder die de weg met zich kan brengen zo groot is dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de algemene belangen bij de ontsluiting van de nieuwe woonwijk zwaarder wegen dan de belangen van appellanten bij het voorkomen van elke lichthinder. De Afdeling acht daarbij van belang dat slechts een klein aantal woningen lichthinder ten gevolge van de weg zal kunnen ondervinden en dat deze lichthinder beperkt is door de in overweging 2.36.4 genoemde afstand van de woningen tot de weg. In verband met de door appellanten gevreesde licht- en geluidhinder stellen zij dat een strook afschermend groen moet worden aangelegd tussen de wijk waar zij wonen en de voorziene ontsluiting. Voor zover appellanten daarbij doelen op de thans onbebouwde strook tussen het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" en hun woningen merkt de Afdeling op dat deze strook buiten de plangrens ligt en derhalve in deze procedure niet ter beoordeling staat. Voor zover appellanten doelen op de aanleg van een strook groen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Doeleinden van verkeer en verblijf" stelt de Afdeling vast dat artikel 14 van de planvoorschriften onder meer voorziet in de aanleg van groen op dit plandeel. Bovendien wordt in artikel 3 van de planvoorschriften verwezen naar het Beeldkwaliteitsplan, waarin ook is opgenomen dat het belang van de weg door laanbeplanting tot uitdrukking zal komen. De Afdeling merkt voorts op dat een bestemmingsplan, gelet op artikel 10 van de WRO, slechts verbods- en geen gebodsbepalingen kan bevatten. Derhalve kan het geen actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming opleggen.

Eindconclusie beroepen [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3]

2.38.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan voornoemde plandelen. De beroepen van [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

Het meest noordelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woondoeleinden"

Standpunt [appellant sub 1]

2.39.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het meest noordelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met daarop de aanduidingen "B" en "D". Ter onderbouwing van zijn standpunt voert appellant aan dat de keuze voor een globaal plan zonder faseringsregeling de projectontwikkelaar maximale vrijheid geeft en de omwonenden maximale onzekerheid. Wanneer de inrichtingsschetsen niet bindend zijn, wordt de burgers onjuiste informatie gegeven, aldus appellant. Appellant stelt in verband hiermee dat het plan ten onrechte niet voorziet in afschermend groen en dat niet duidelijk is waar straten en bouwvlakken zullen komen. Appellant vreest dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door de afstand van de nieuwe bebouwing tot zijn woning en doordat koplampen van auto's zijn tuin en woning in zullen schijnen. Appellant wenst zekerheid omtrent de vraag of hij zal uitkijken op achtertuinen en schuttingen of op een straat met geparkeerde auto's. Appellant wenst verder te worden betrokken bij de inrichting van een strook grond tussen zijn woning en de voorziene woonwijk.

Standpunt verweerder

2.40.    Verweerder heeft het meest noordelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met daarop de aanduidingen "B" en "D" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Verweerder acht de afstand tussen de woning van appellant en het plandeel zodanig ruim dat de privacy van appellant voldoende wordt gewaarborgd. Verweerder is verder van mening dat fasering niet wenselijk is. Verweerder erkent dat ten gevolge van de verwezenlijking van het plan enige overlast zal kunnen ontstaan, maar dat de overlast vanwege de afstand zeer beperkt zal zijn. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het uit het oogpunt van flexibiliteit de voorkeur verdient de ligging van wegen en woningen niet in het plan op te nemen.

Vaststelling van de feiten

2.41.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.41.1.    Appellant woont ten noorden van het plangebied, tegenover het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden". Op een strook grond aan de oostelijke en zuidelijke grens van het plandeel geldt de aanduiding "B". Op het resterende deel van het plandeel geldt de aanduiding "D". Deze aanduidingen geven volgens de plankaart de bouwklasse aan.

Het plandeel wordt aan de westelijke zijde begrensd door de Achlumerdijk. Ten oosten van het plandeel is een plandeel opgenomen met de bestemming "Doeleinden verkeer en verblijf".

Volgens het deskundigenbericht bedraagt de afstand tussen de woning van appellant en de grens van het plandeel ruim 60 meter. Deze strook grond van ruim 60 meter breed tussen de woning en het plangebied is onbebouwd en ligt buiten de grenzen van het plangebied.

2.41.2.    Voor een weergave van artikel 4 van de planvoorschriften wordt verwezen naar overweging 2.32.2.

2.41.3.     Voor een weergave van de plantoelichting wordt verwezen naar overweging 2.10.1. Verder wordt met betrekking tot de afstand van het plangebied tot onder meer de woning van appellant in de plantoelichting gesteld dat de afstand van ruim 60 meter genoeg garantie biedt voor een goede ruime overgangszone met voldoende privacy voor de bestaande bewoners.

Volgens de plantoelichting is de fasering van het plan afgestemd op de gemiddelde gewenste bouwproductie. Op welke plaats het eerst gebouwd gaat worden is deels afhankelijk van de marktvraag.

Het oordeel van de Afdeling

2.42.    In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de WRO brengt met zich dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

Uit artikel 4 van de planvoorschriften, in samenhang met de ruimtelijke onderverdeling die op de plankaart is weergegeven, volgt waar de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" voor zijn bedoeld en welke bebouwingsbepalingen hier gelden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze bestemmingsregeling uit het oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar zou zijn.

2.43.    Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat in het bestemmingsplan voor het plandeel ten onrechte geen faseringsregeling is opgenomen merkt de Afdeling op dat geen verplichting tot het opnemen van een dergelijke regeling bestaat. Appellant vreest voorts voor onaanvaardbare hinder van bouwverkeer als eerst woningen worden gebouwd en pas daarna een ontsluitingsweg zou worden aangelegd. De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Zo nodig kan het gemeentebestuur andere maatregelen nemen.

2.44.    Onder verwijzing naar overweging 2.10.1 is de Afdeling van oordeel dat de noodzaak van een nieuwe woonwijk om in de woningbehoefte van Harlingen te voorzien voldoende aannemelijk is gemaakt. Niet is gebleken dat de feiten die de gemeenteraad aan de keuze voor de in het plan opgenomen ligging van de woonwijk ten grondslag heeft gelegd onjuist zijn.

Gelet op de onder 2.32.2 genoemde bebouwingsmogelijkheden kan, in aanmerking genomen dat appellant thans een nagenoeg vrij uitzicht heeft, niet worden ontkend dat met het verwezenlijken van het plan het uitzicht van appellant zal wijzigen. Vast staat dat in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de woning van appellant en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten zuiden van zijn woning ruim 60 meter. De tussengelegen strook grond is onbebouwd en maakt geen deel uit van het plangebied. Gelet op de afstand tussen de woning van appellant en het plangebied waar woningen of schuttingen kunnen worden verwezenlijkt, is niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het uitzicht zo ernstig is dat hieraan grote betekenis toekomt. Ook is, mede gezien deze afstand, niet aannemelijk gemaakt dat de aantasting van de privacy van appellant en de eventuele lichthinder een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellant tot gevolg heeft.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen menen dat de algemene belangen bij de aanleg van een nieuwe woonwijk zwaarder wegen dan de belangen van appellant bij een vrij uitzicht en het voorkomen van elke lichthinder en elke aantasting van zijn privacy.

2.45.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad verschillende inrichtingsschetsen voor het plangebied opgesteld. De Afdeling merkt op dat de schetsen niet bindend zijn en niet aan de orde kunnen komen in de bestemmingsplanprocedure.

2.46.    Appellant wenst voorts dat een strook afschermend groen wordt aangelegd tussen zijn woning en eventuele bebouwing. De Afdeling stelt vast dat een bestemmingsplan, gelet op artikel 10 van de WRO, slechts verbods- en geen gebodsbepalingen kan bevatten. Derhalve kan het geen actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming opleggen. Voor zover appellant doelt op de strook grond tussen zijn woning en het plandeel stelt de Afdeling vast dat deze strook geen deel uitmaakt van het plan en dat de bestemming van die strook in deze procedure derhalve niet aan de orde kan komen.

2.47.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat meest noordelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met daarop de aanduidingen "B" en "D" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Proceskosten

2.48.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voorzover dit is ingediend namens [appellant sub 2C], [appellant sub 2E], [appellant sub 2G] en [appellant sub 2H].

Verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de Bolswardervaart en voor zover het betreft het plan, met uitzondering van de plandelen met de bestemmingen "Sportdoeleinden", "Bijzondere woondoeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Doeleinden van verkeer en verblijf" en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ten oosten van de Goudplevier;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2A] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

178-481.