Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200508378/1 en 200508378/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van de stacaravan op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden en de stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508378/1 en 200508378/2.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/300 GEMWT van de arrondissementsrechtbank Zutphen van 15 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van de stacaravan op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden en de stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 1005, verzonden op 16 september 2005, heeft de arrondissementsrechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2005, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L. Bolier, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door A.J. van Putten en G. de Vries, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische Enclave" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" met de nadere aanduiding "openheid van het landschap". Niet in geschil is dat het plaatsen van de caravan en het gebruik ervan in strijd is met die bestemming. Voorts wordt het gebruik niet beschermd door het in dat bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht omdat het gebruik bij brief van 12 februari 1996, vóór het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, is gewraakt. Het betoog dat het gebruik niet kon worden gewraakt omdat het door het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" werd beschermd, slaagt niet, omdat appellant - op wie te dezer zake de bewijslast rust, nu hij zich op overgangsrecht beroept - niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de caravan vóór 16 mei 1994, de datum waarop dat bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, in gebruik heeft genomen. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat appellant op dat moment niet in de gemeentelijke basisadministratie op dat adres stond ingeschreven. Die inschrijving vond eerst op 4 februari 1995 plaats. De eerst in hoger beroep overgelegde nota van de koop van de caravan toont niet aan dat appellant op de peildatum in de caravan woonde. De omstandigheid dat appellant op 11 juni 1993 de agrarische onderneming op het naastgelegen perceel heeft overgenomen en op die datum ten behoeve van appellant een voorkeursrecht op de woning op dat perceel is gevestigd, leidt evenmin tot die conclusie.

2.4.    Niet in geschil is dat de stacaravan zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning is geplaatst.

2.5.    Het college kon derhalve handhavend optreden tegen de caravan en het gebruik ervan.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Appellant betoogt tevergeefs dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als vorenbedoeld omdat in artikel 6.1.1 van de beleidsnota "Nota van aanpak permanente bewoning van zomerhuisjes en illegale bewoning" is bepaald dat de situatie van personen die zelf aantoonbaar vóór 16 mei 1994 een woonverblijf illegaal bewonen, zal worden gedoogd. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór die datum de caravan bewoonde. Bovendien is in voormeld artikel 6.1.1 uitdrukkelijk opgenomen dat men op het adres van dat woonverblijf in de gemeentelijke basisadministratie moet zijn ingeschreven, hetgeen niet het geval was.

Voorts faalt het betoog van appellant dat hij er op heeft mogen vertrouwen dat hij de caravan mocht blijven bewonen. In de persoonsgebonden gedoogbeschikking van 16 juli 1998 is bepaald dat appellant en zijn echtgenote de stacaravan gedurende een termijn van drie jaar mogen bewonen. In de bij deze beschikking behorende brief heeft het college appellant meegedeeld dat het van plan is hem aan te schrijven de stacaravan te verwijderen op het moment dat de termijn van het gedoogbesluit is verstreken. Daaraan is toegevoegd dat de stacaravan derhalve na afloop van de aan de beschikking verbonden termijn zal moeten worden verwijderd. Het enkele tijdsverloop tussen het verstrijken van die termijn en het moment waarop het college het besluit heeft genomen daadwerkelijk handhavend op te treden, door welk tijdsverloop appellant is gebaat, kan niet aan het college worden tegengeworpen. Ook gelet op de brief van 12 februari 1996, waarbij het gebruik is gewraakt, is niet aannemelijk geworden dat er toezeggingen zijn gedaan waaraan appellant de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden.  

De koopovereenkomst die appellant heeft gesloten ten behoeve van de koop van de woning op het naastgelegen perceel betreft evenmin een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien, nu, zoals ter zitting is bevestigd, niet duidelijk is op welke termijn de overdracht van de woning plaatsvindt en derhalve evenmin wanneer de caravan wordt verwijderd en het gebruik daarvan wordt gestaakt. Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake.

Gelet op het voorgaande is het belang van appellant om in de nabijheid van zijn bedrijf te wonen onvoldoende reden om van handhavend optreden af te zien. Van onevenredig handhavend optreden is in dit verband geen sprake.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

378.