Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200504296/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2004, kenmerk 936116/B40 heeft verweerder vastgesteld dat op de locatie Burgemeesterwijk (zuidelijk deel) te Maassluis sprake is van meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet urgent is. Tevens heeft verweerder bij dit besluit ingestemd met een saneringsplan voor deze gevallen van verontreiniging.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Wet bodembescherming 39
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/201
JM 2006/23 met annotatie van Van der Molen
JBO 2006/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504296/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2004, kenmerk 936116/B40 heeft verweerder vastgesteld dat op de locatie Burgemeesterwijk (zuidelijk deel) te Maassluis sprake is van meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet urgent is. Tevens heeft verweerder bij dit besluit ingestemd met een saneringsplan voor deze gevallen van verontreiniging.

Bij besluit van 21 maart 2005, kenmerk DCMR/DMB/05/2500, verzonden op 21 maart 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 4 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, en appellanten sub 2 bij brief van 2 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2005, waar appellanten sub 1, in persoon appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Henket, drs. E. tripp, ir. E.P.H. Jager en E. Schoen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn namens het college van burgemeester en wethouders van Maassluis drs. L.A.F. Voerster en J.E.M. Koene, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar te maken.

   Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht definieert het begrip belanghebbende als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Uit de stukken blijkt dat appellanten sub 2 geen bezwaarschrift tegen het besluit van 8 oktober 2004 hebben ingediend. Niet gebleken is van omstandigheden die dit verschoonbaar kunnen maken. Het beroep van appellanten sub 2 is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2.    Een beslissing strekkende tot afdoening van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht behelst als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling. De indiener van een bezwaarschrift is (als zodanig) dan ook belanghebbende bij de beslissing op zijn bezwaar. Of het bezwaarschrift zelf ontvankelijk was, is voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de Afdeling niet van belang. Wel dient de Afdeling te onderzoeken of het betrokken bestuursorgaan bij het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van dit bezwaarschrift is gekomen. Indien de laatstbedoelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, leidt dit tot vernietiging van de beslissing op het bezwaarschrift.

   Om van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen spreken moet er, onder meer, sprake zijn van een voldoende direct geraakt belang. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de eigenlijke gevolgen van het besluit en het geraakt zijn van belangen van de belanghebbende.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellanten sub 1 wonen op een afstand van circa 200 meter van het gebied waar het besluit van 1 juni 2004 betrekking op heeft. Ook anderszins is uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet gebleken dat zij een voldoende direct geraakt belang bij het bestreden besluit hebben. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat appellanten sub 1 geen rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij het besluit van 1 juni 2004 hebben. Verweerder had de bezwaren van appellanten sub 1 dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is derhalve gegrond.

2.3.    Het beroep van appellanten sub 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep van appellanten sub 1 is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voorzover appellanten sub 1 daarbij ontvankelijk zijn verklaard.

2.4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 21 maart 2005, kenmerk DCMR/DMB/05/2500, voorzover appellanten sub 1 daarbij ontvankelijk zijn verklaard;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Klap

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

315.