Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7549

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200502261/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) aan appellante een lichte bouwvergunning verleend voor het aanbrengen van een lichtreclame aan lichtmast no. 49 aan de Hammerweg te Vroomshoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/73 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502261/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Nationaal Publiciteitsbureau B.V.", gevestigd te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/190 van de rechtbank Almelo van 4 februari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) aan appellante een lichte bouwvergunning verleend voor het aanbrengen van een lichtreclame aan lichtmast no. 49 aan de Hammerweg te Vroomshoop.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2005, waar appellante, verschenen bij [directeur], bijgestaan door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door L. van der Tol, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet wordt onder bouwen verstaan het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

   Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het BBLB), voor zover hier van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1° de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk,

2° de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en

3° het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van het BBLB, voor zover hier van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van straatmeubilair.

2.2.    Vaststaat dat het aanbrengen van de lichtreclame op de lichtmast moet worden aangemerkt als bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het plaatsen van de lichtreclame niet kan worden aangemerkt als een verandering van niet-ingrijpende aard in voormelde zin.

2.4.    De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 1998, no. H01.97.0843 (BR 1998, p. 754), geoordeeld dat de betrokken lichtmast er als drager van de lichtreclame een functie bij krijgt die wezenlijk verschilt van de verlichtingsfunctie die hij al had. De rechtbank heeft er hierbij met juistheid op gewezen dat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het BBLB, welk besluit op 1 januari 2003 in werking is getreden, naar aard en inhoud niet verschilt van artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet (oud) waarop voornoemde uitspraak is gebaseerd. Het plaatsen van de lichtreclame is dan ook geen verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het BBLB. De omstandigheid dat, zoals appellante betoogt, van een ingrijpende inbreuk op de bestaande stedenbouwkundige context, gezien de omvang en de uitstraling van de lichtreclame, geen sprake is, doet aan de functieverandering van de lichtmast niet af.

2.5.    Voor het oordeel dat de lichtreclame moet worden aangemerkt als straatmeubilair als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van het BBLB bestaat geen grond. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juli 1998, no. H01.97.0601 (AB 1998, 394), moet blijkens de Memorie van Toelichting bij de Woningwet bij straatmeubilair worden gedacht aan zitbanken, plantenbakken en dergelijke. Voorts moet worden vastgesteld dat de lichtreclame niet op één lijn kan worden gesteld met bewegwijzering als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van het BBLB, ook indien richtingaanwijzende elementen daarvan deel uitmaken.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

328-457.