Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2005
Datum publicatie
07-12-2005
Zaaknummer
200500901/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 14 november 2002 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage  (hierna: het bureau) aanvragen van appellant om hem toevoegingen als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500901/1.

Datum uitspraak: 7 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/4211 van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 december 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage.

1.    Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 14 november 2002 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage  (hierna: het bureau) aanvragen van appellant om hem toevoegingen als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2003 heeft de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage (hierna: de raad) de door appellant tegen deze besluiten ingestelde administratieve beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2004, verzonden op 23 december 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft de raad van antwoord gediend.

Bij brieven van 1 mei 2005, 21 juli 2005 en 9 september 2005 heeft appellant nadere memories ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen. De raad is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 34 tweede lid van de Wrb, voor zover hier van belang en zoals het luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste ƒ 14.000,00 (€ 6.352,92).

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven voor de vaststelling van het voor de financiële draagkracht in aanmerking te nemen inkomen en vermogen. Op grond van deze bepaling is vastgesteld het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr).

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Bdr wordt voor de vaststelling van het vermogen van de rechtzoekende uitgegaan van de toestand zoals deze is op het tijdstip dat het verzoek om rechtsbijstand wordt gedaan.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bdr worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van het bureau, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, van het Bdr, worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van bezittingen als bedoeld in het vorige lid en schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, van het Bdr, voor zover hier van belang, worden voor de vaststelling van het vermogen niet in aanmerking genomen de waarde in vrij opgeleverde staat van de eigen woning die de rechtzoekende bewoont voor zover deze waarde, na aftrek van het nog niet afgeloste bedrag van de daarop gevestigde hypotheken, minder dan ƒ 75.000,00 (€ 34.033,52) bedraagt en de waarde van vermogensbestanddelen die niet dan onder voor de rechtzoekende onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden te gelde kunnen worden gemaakt.

2.2.     Het bureau heeft aanvragen van appellant om hem toevoegingen te verlenen afgewezen, omdat appellant beschikt over een eigen vermogen van € 47.465,00, waarmee de wettelijke grens van € 6.352,92 wordt overschreden. Het bureau is bij de berekening van het vermogen van appellant uitgegaan van een verkoopwaarde van de woning van appellant van € 267.730,00. Het bureau heeft op de verkoopwaarde in mindering gebracht de pro-resto hypotheek van € 220.241,00. Voorts is door het bureau in dat verband als vermogen van appellant aangemerkt een aandelenpakket ter waarde van € 65.320,00 dat tot zekerheid voor de verstrekte hypotheek is verpand aan de hypotheekverlener en volgens het bureau gelet daarop in mindering moet worden gebracht op de hypotheekschuld. Het bureau heeft met toepassing van het na indiening van de aanvraag op dit punt gewijzigde artikel 9, derde lid, van de Bdr ten gunste van appellant een bedrag van € 65.344,00 in plaats van het ten tijde van de aanvraag geldende bedrag van € 34.033,52 van zijn vermogen niet in aanmerking genomen.

   De raad heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de raad in afwijking van het besluit van het bureau vastgesteld dat blijkens het vermogensoverzicht van 30 september 2002 de pro-resto hypotheek € 224.190,00 bedroeg, zodat het bedrag dat bij het vaststellen van het vermogen in aanmerking moet worden genomen € 43.516,00 bedraagt.

2.3.    In hoger beroep betoogt appellant, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij de vaststelling van het vermogen ten onrechte met de raad is uitgegaan van een hypothecaire schuld van € 224.190,00. De rechtbank en de raad hebben miskend dat appellant daarnaast in verband met de koop van het huis nog een schuld heeft aan zijn kinderen tot een bedrag van € 57.911,66, zodat de hypothecaire schuld € 282.101,00 bedraagt. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte de waarde van het aandelenpakket van € 65,320,00 tot het vermogen heeft gerekend, nu dit aandelenpakket niet meer aan hem in eigendom toebehoort, maar tot zekerheid voor de verstrekte hypotheek verpand is aan Delta Lloyd. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de raad bij het bepalen van de waarde van zijn woning ten onrechte is uitgegaan van de waarde die krachtens de wet Waardering onroerende zaken (WOZ) is vastgesteld, nu over die waarde nog een procedure bij de Hoge Raad aanhangig is.

2.3.1.     Het betoog faalt. Stukken waaruit blijkt van een hypothecaire schuld van appellant aan zijn kinderen zijn niet overgelegd. Dat anderszins sprake zou zijn van schulden van appellant aan zijn kinderen is evenmin aangetoond. Weliswaar blijkt uit de door appellant in administratief beroep overgelegde stukken dat op 30 juni 1998 bedragen van in totaal ƒ 83.343,00 (€ 37.819,41) zijn overgeboekt van de Robeco rekeningen van zijn kinderen naar een rekening bij de hypotheekverstrekker Delta Lloyd Bank op naam van de [familie] en is daarnaast door appellant een door hemzelf opgesteld overzicht van aan zijn kinderen verschuldigde renten overgelegd. De kinderen van appellant waren echter ten tijde van de overboeking van de bedragen minderjarig, zodat appellant toen over deze bedragen kon beschikken. Met de door appellant overgelegde stukken is voorts, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, onvoldoende aangetoond dat sprake zou zijn van schulden van appellant aan zijn kinderen, laat staan van schulden terzake waarvan appellant tot terugbetaling gehouden zou zijn, zodat de raad daarmee dan ook geen rekening behoefde te houden bij de bepaling van het vermogen. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de waarde van het aandelenpakket niet aan hem kan worden toegerekend, omdat de juridische eigendom niet meer bij hem berust, dan wel dat deze waarde moet worden geacht onderdeel uit te maken van de hypothecaire schuld. Appellant heeft aan Delta Lloyd slechts een pandrecht verschaft op het onderhavige aandelenpakket tot zekerheid van de terugbetaling van de hypothecaire lening. Dat betekent dat de juridische eigendom nog bij appellant berust. Het aandelenpakket vertegenwoordigt geen schuld, maar een positief vermogensbestanddeel dat bij de verkoop van de woning te gelde kan worden gemaakt en waarop dan bij voorrang de hypotheekschuld kan worden verhaald. Gelet daarop is het terecht door de raad in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van die schuld. De rechtbank heeft tenslotte terecht overwogen dat de raad bij het bepalen van de waarde van de woning van appellant in redelijkheid kon uitgaan van de vastgestelde WOZ-waarde van die woning. Dat daarover nog een procedure bij de Hoge Raad aanhangig is maakt dat niet anders, temeer niet, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrije verkoopwaarde lager ligt dan de vastgestelde WOZ-waarde.

2.4.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de raad te 's-Gravenhage zijn aanvragen niet mocht afwijzen, nu het bureau van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam gelijkluidende aanvragen van appellant op basis van dezelfde stukken wel heeft toegewezen, slaagt niet. De raad te 's-Gravenhage is niet gebonden aan beslissingen van het bureau van de raad te Amsterdam en de rechtbank is slechts gehouden om te beoordelen of de beslissingen van de raad te 's-Gravenhage hier in geding rechtens juist zijn.

2.5.    Het betoog van appellant dat hij in zijn processuele belangen is geschaad doordat de rechtbank afwijzend heeft beslist op zijn verzoek om uitstel van behandeling ter zitting, slaagt niet. Gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting en de daarbij gevoegde pleitnota, is niet aannemelijk geworden dat appellant zijn standpunt onvoldoende voor het voetlicht heeft kunnen brengen. Voorts heeft de rechtbank, anders dan appellant aanvoert, terecht het overleggen van nieuwe stukken ter zitting in strijd met de goede proces-orde geacht en deze stukken om die reden niet betrokken bij de beoordeling van het besluit van 7 augustus 2003.

2.6.    Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de raad het administratief beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005

362.