Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200502325/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bijgebouw ter vervanging van bestaande bijgebouwen op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Woerden, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/49 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2005/4245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502325/1.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 2004/755 van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college) aan appellant vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bijgebouw ter vervanging van bestaande bijgebouwen op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Woerden, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en de bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 10 februari 2005, verzonden op 11 februari 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 april 2005 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 30 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 24 augustus 2005, 7 oktober 2005 en 20 september 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan de Rijn, en het college, vertegenwoordigd door J.W. van der Horst en drs. M. de Groot-den Hartogh, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [partij], bijgestaan door mr. M. Nijenhuis, advocaat te Utrecht.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat voor de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Erven -E-" geldt en dat het bouwplan met deze bestemming in strijd is.

   Het ontwerp van het bestemmingsplan is op 2 november 1992 ter visie gelegd. Op 25 maart 1993 is het bestemmingsplan vastgesteld en op 9 november 1993 is dit door het college van gedeputeerde staten van Utrecht goedgekeurd.

2.2.    Ingevolge artikel 37, lid A, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan, zijn de op de kaart als "Erven" aangewezen gronden bestemd voor open erven/oeverstroken en andere bouwwerken, alsmede voor behoud, versterking en/of herstel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van deze gronden.

   Ingevolge artikel 37, lid B I, van deze voorschriften mogen op de in lid A bedoelde gronden uitsluitend andere bouwwerken met een maximale hoogte van 1,50 m. worden gebouwd. Voor zover op deze gronden ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het plan gebouwen aanwezig zijn, mogen deze worden gehandhaafd, geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd/herbouwd, mits de maatvoering van de gebouwen niet wordt vergroot.

    Ingevolge artikel 46 (Overgangsbepalingen ten aanzien van het bouwen), eerste lid, van de planvoorschriften, mogen, voorzover thans van belang, bouwwerken, welke op het tijdstip van het in ontwerp ter visie leggen van dit plan reeds bestaan of in uitvoering zijn, dan wel na dat tijdstip nog gebouwd kunnen worden krachtens een reeds verleende of nog te verlenen bouwvergunning, en welke afwijken van het plan, onverminderd de bevoegdheid tot onteigening: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits bestaande afwijkingen naar de aard en afmetingen niet worden vergroot; b. geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd, waarbij de bestemmings- c.q. bebouwingsgrenzen zonodig mogen worden overschreden, indien zij zijn verwoest door een calamiteit.

   Ingevolge artikel 46 (Overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken), eerste lid, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde grond en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel mag het bestaande gebruik als bedoeld onder 1 worden gewijzigd in een ander met het plan strijdig gebruik, mits de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

2.3.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro), voorzover hier van belang, komen voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in aanmerking:

a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:

[…]

2 een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft;

[…]

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de woning, waar het bouwplan als bijgebouw bij is voorzien, een recreatiewoning is. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat de woning in het kader van de toepassing van artikel 20 van het Bro heeft te gelden als woongebouw.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Op 15 maart 1988 is er bouwvergunning afgegeven voor het gedeeltelijk vernieuwen van een berging op het perceel. Het college heeft geconstateerd dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van deze berging voor dagrecreatie reeds bestond op de peildatum van het bestemmingsplan en daarom onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. De toepasselijkheid van het gebruiksovergangsrecht betekent echter niet dat de berging rechtens als een (recreatie)woning zou zijn aan te merken. Ongeacht de vraag of appellant deze berging voor dagrecreatie dan wel permanente bewoning gebruikt moet worden vastgesteld dat het niet een woongebouw is in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van het Bro. Voor het oprichten van een bijgebouw bij die als (recreatie)woning gebruikte berging kon derhalve niet met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO bouwvergunning worden verleend.

   De rechtbank is terecht, zij het op onjuiste gronden, tot dit oordeel gekomen.

2.5.    Tenslotte betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet is ingegaan op de vraag of een vrijstelling op grond van

artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO mogelijk was. Dit betoog slaagt. Ingevolge het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden. Het college heeft op geen enkele wijze in zijn beslissing op bezwaar gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan deze vrijstellingsmogelijkheid. Hiermee heeft hij in strijd gehandeld met het vereiste van een deugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en de bestreden beslissing op bezwaar van 10 februari 2004 vernietigen.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 februari 2005, SBR 2004/755;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woerden van 10 februari 2004, U-2131;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Woerden tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtenachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Woerden aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Woerden aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

218-488-444.