Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200410702/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2001 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard (thans: college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast de door hem gedempte watergang open te graven en de watergang terug te brengen naar de originele staat zoals deze was voor de demping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006/69 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410702/1.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/167 van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2001 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard (thans: college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast de door hem gedempte watergang open te graven en de watergang terug te brengen naar de originele staat zoals deze was voor de demping.

Bij besluit van 8 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2002, verzonden op 31 juli 2002, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 19 juli 2001 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast voor 1 oktober 2002 de watergang op de daarbij aangegeven afmetingen te brengen dan wel binnen het peilgebied een nieuw water te graven van dezelfde afmetingen.

Bij uitspraak van 21 oktober 2003, verzonden op 22 oktober 2003, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak.

Bij besluit van 4 december 2003 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 19 juli 2001 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast voor 1 februari 2004 de watergang terug te brengen op de aangegeven afmetingen.

Bij uitspraak van 10 november 2004, verzonden op 25 november 2004, heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 9 december 2004 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juli 2001 opnieuw ongegrond verklaard en appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast om voor 1 februari 2005 de watergang op de aangegeven afmetingen te brengen. De rechtbank heeft het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.

Tegen voormelde uitspraak van 10 november 2004 heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2005 heeft het college een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door P. Boesberg en A.F. Braams, in dienst van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, sub 4, van de Keur van de Krimpenerwaard (hierna: de Keur), voor zover hier van belang, wordt onder overige watergangen verstaan alle andere wateren dan hoofdwatergangen, dijksloten en wegsloten.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Keur van de Krimpenerwaard (hierna: de Keur) zijn de onderhoudsplichtigen van wateren verplicht deze in stand te houden overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent vorm, afmeting en constructie van de wateren, een en ander volgens het schema als bedoeld in artikel 43, eerste lid.

   Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Keur moeten wateren die bij inwerkingtreding van deze Keur ruimere afmetingen hebben dan in de Legger is voorgeschreven, op die ruimere afmetingen worden onderhouden.

   Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Keur is het, voorzover hier van belang, verboden in, op of over wateren:

b. voorwerpen of stoffen van welke aard of hoedanigheid ook te werpen of te hebben;

g. voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren, te lozen of op te slaan.

   Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Keur kan het college van de in de Keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen door middel van een vergunning ontheffing verlenen.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Keur wordt door of namens het bestuur schouw gevoerd over de waterstaatswerken en de beschermingszones volgens een door het bestuur vastgesteld schema.

   Ingevolge artikel 1 van de Legger van wateren en waterscheidingen (hierna: de Legger) wordt in deze Legger onder schouwpeil verstaan het peil van de waterstand binnen een gebied krachtens een onherroepelijk goedgekeurd peilbesluit.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Legger, voorzover hier van belang, omvat het buitengewoon onderhoud van overige watergangen als bedoeld in artikel 14 van de Keur het op de volgende minimale afmetingen houden van deze watergangen:

- breedte op schouwpeil                1,60 meter;

- bodembreedte                    0,50 meter;

- diepte ten opzichte van het schouwpeil        0,50 meter.

   Ingevolge artikel 10, zesde lid, van de Legger, voorzover hier van belang, berust het gewoon en buitengewoon onderhoud van de overige watergangen als bedoeld in artikel 7, derde lid, bij de eigenaren van de aan deze watergangen grenzende percelen, ieder voor de halve breedte en naar de lengte van zijn recht.

2.2.    In haar uitspraak van 30 juli 2002 heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant in strijd met het bepaalde in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Keur in ieder geval stoffen en of voorwerpen in de vorm van baggerspecie en/of takken of snoeihout in, op of over de in het geding zijnde watergang heeft aangebracht dan wel doen aanbrengen zonder hiervoor over de vereiste ontheffing te beschikken. Derhalve staat in rechte vast dat appellant heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Keur en dat het college tot handhaven bevoegd is.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte aan het college de opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat hem door gedeputeerde staten van Zuid-Holland een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 10, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 5 van de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland (hierna: de provinciale landschapverordening) voor het dempen van de watergang en dat deze regeling van hogere orde is dan de Keur, zodat er geen ruimte meer is voor het dempingsverbod van de Keur. Voorts voert appellant daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat hem van rechtswege een ontheffingsvergunning als bedoeld in artikel 42 van de Keur is verleend.

2.3.1.    Het verbod als bedoeld in artikel 5 van de provinciale landschapverordening waarvan aan appellant door gedeputeerde staten ontheffing is verleend, heeft, anders dan de Waterschapswet en de daarop gebaseerde Keur, geen betrekking op het belang van waterstaatkundige verzorging, maar ziet uitsluitend op bescherming van landschap en natuur. De provinciale landschapverordening is in relatie tot de Keur dan ook niet aan te merken als een regeling van hogere orde, die de bepalingen van de Keur opzij kan zetten. Deze bepalingen zijn dan ook van toepassing naast de provinciale landschapverordening. Anders dan appellant meent betekent de omstandigheid dat gedeputeerde staten ingevolge de Waterschapswet een toezichthoudende taak op het hoogheemraadschap hebben niet dat aan de door gedeputeerde staten verleende ontheffing een ruimere strekking toekomt dan deze op grond van de provinciale landschapverordening heeft. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het feit dat gedeputeerde staten ontheffing hebben verleend op grond van de provinciale landschapverordening niet in de weg staat aan de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid die het college heeft ter zake van de handhaving van het verbod als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Keur. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant niet van rechtswege alsnog een ontheffingsvergunning heeft verkregen, nu noch de Keur, noch de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan het niet tijdig beslissen op de aanvraag van appellant hem een ontheffingsvergunning te verlenen het gevolg verbindt dat de vergunning moet worden geacht te zijn verleend en het college op 11 april 2000 de gevraagde ontheffing alsnog expliciet heeft geweigerd. Gelet hierop was het college nog steeds bevoegd aan appellant een last op te leggen en heeft de rechtbank terecht niet zelf in de zaak voorzien.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.     Gelet op artikel 6:18, eerste lid, en artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van die wet, dient het hoger beroep te worden geacht mede te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 9 december 2004.

2.6.    In het besluit van 9 december 2004 heeft het college het bezwaarschrift tegen de opgelegde last onder dwangsom wederom omgegrond verklaard met dien verstande dat de grondslag van de oorspronkelijke last is aangevuld met overtreding van de verplichting die appellant heeft op grond van artikel 14, eerste lid, van de Keur, gelezen in samenhang met de artikelen 10, zesde lid, en 7, derde lid, van de Legger, te weten het op de in het besluit genoemde minimale afmetingen houden van deze watergangen. Daarbij is de gegeven last nader omschreven als het brengen van de watergang over een lengte van 756 meter, zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde tekening, op de volgende afmetingen:

- breedte op schouwpeil                1,60 meter;

- bodembreedte                    0,50 meter;

- diepte ten opzichte van het schouwpeil        0,50 meter.

2.7.    Appellant betoogt dat het college hem in de nieuwe beslissing op bezwaar ten onrechte dezelfde last heeft opgelegd als was opgenomen in het besluit van 4 december 2003, welk besluit door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is vernietigd. Voorts voert hij aan dat de rechtbank in haar uitspraak in zaak no. 02/2589 van 21 oktober 2003 reeds heeft bepaald dat de verplichting een watergang te brengen op de afmetingen als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Legger niet kan worden gebaseerd op artikel 20 van de Keur, zodat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in die uitspraak overwogene. Ten slotte voert appellant aan dat het college was gehouden een nieuwe schouw uit te voeren alvorens hem de onderhoudsverplichting op te leggen.

2.7.1.    Anders dan in het door de rechtbank vernietigde besluit van 4 december 2003 heeft het college bij de hernieuwde beslissing op bezwaar van 9 december 2004, de last om de watergang te brengen op de in artikel 7, derde lid, van de Legger vermelde afmetingen niet uitsluitend doen steunen op overtreding van artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b en g van de Keur. Dit besluit is immers mede gebaseerd op de onderhoudsverplichting die op grond van artikel 14, eerste lid, van de Keur, gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 7, derde lid, van de Legger op de onderhoudsplichtige rust. Dit besluit is in zoverre dan ook niet genomen in strijd met de uitspraak van de rechtbank van 21 oktober 2003, zodat daarin geen grond is gelegen tot vernietiging van de last.

   Niet in geschil is dat appellant als eigenaar van aan de watergang grenzende percelen onderhoudsplichtig is als vorenbedoeld. Nu voorts in rechte vaststaat dat appellant de watergang in strijd met artikel 20 van de Keur onrechtmatig heeft gedempt en niet te achterhalen is wat de precieze maten van de watergang vóór die demping waren, heeft het college de last om de watergang te brengen op de in artikel 7, derde lid, van de Legger vermelde minimale afmetingen mede mogen baseren op de onderhoudsverplichting die appellant ingevolge artikel 14 van de Keur en artikel 10, zesde lid, van de Legger heeft. De omstandigheid dat het college niet een schouw heeft gehouden als bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 43, eerste lid, van de Keur, leidt er niet toe dat de opgelegde last onrechtmatig is, nu reeds vaststond dat appellant de watergang heeft gedempt.

   Gelet hierop is dan ook geen grond voor het oordeel dat de bij het besluit van 9 december 2004 gegeven last onrechtmatig is.

2.8.    Gelet op het vorenoverwogene is het beroep tegen het besluit van 9 december 2004 evenzeer ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard van 9 december 2004 met kenmerk 2403210/1.791.136/jg ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

47-362.