Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200501637/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken  (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501637/1.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats] [land],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 03/2299 en 04/0269 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 januari 2005 in de gedingen tussen:

appellante

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken  (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2003 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 januari 2005, verzonden op 12 januari 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 21 maart 2005 heeft zij de gronden van het hoger beroep aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R.J. Schenkman, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Weber, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellante het hoger beroep zo beperkt, dat zij klaagt dat - samengevat - de rechtbank heeft miskend dat de afwijzing van 18 juni 1999 van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van haar Nederlands paspoort onrechtmatig was. Dientengevolge heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte niet onderzocht of de gestelde schade door dat besluit is veroorzaakt. Daartoe voert zij aan dat uit de omstandigheid dat de door haar in bezwaar overgelegde gegevens hebben geleid tot de gevraagde verlenging volgt dat de minister het besluit van 18 juni 1999 niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid.

   Ook heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat de minister bij het nemen van dat besluit de op hem ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht rustende onderzoeksplicht niet heeft nageleefd, nu niet verlenging van de geldigheidsduur van haar paspoort ernstige negatieve gevolgen voor haar zou hebben.

   Verder heeft de rechtbank er volgens haar ten onrechte aan voorbij gezien dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zij ten tijde van de aanvraag Nederlander was en zij aldus kon volstaan met de door haar bij de aanvraag verstrekte gegevens, omdat de minister op 19 november 1996 een pseudoniem in haar paspoort heeft gelegaliseerd.

2.1.1.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de minister uit de door appellante bij haar aanvraag van 7 juni 1999 verstrekte gegevens mocht afleiden dat zij het Nederlanderschap op 1 januari 1995 had verloren en er geen aanleiding was om van appellante nadere gegevens te vergaren, alvorens op de aanvraag te beslissen.

   Het betoog van appellante dat de minister nader onderzoek had dienen te verrichten, omdat het besluit verlies van een voor appellante belangrijk verworven recht inhield, vindt geen grondslag in het recht. Voorts faalt het betoog van appellante dat de minister door de legalisering van een pseudoniem in haar paspoort het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat zij ten tijde van de aanvraag Nederlander was en zij derhalve kon volstaan met de door haar bij die aanvraag verstrekte gegevens evenzeer. De legalisering van een pseudoniem in het paspoort heeft voor de beantwoording van de vraag of betrokkene Nederlander is niet die betekenis.

   Nu het besluit van 18 juni 1999 niet onrechtmatig is, faalt het betoog dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de gestelde schade door dat besluit is veroorzaakt, reeds om die reden evenzeer.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

382-485.