Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200509249/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) sloopvergunning verleend voor het slopen van de gebouwen op de percelen Industrie 12 en 14 en Stoombootweg 31 te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509249/2.

Datum uitspraak: 25 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de Belangenvereniging Kadoelen/Oostzanerwerf, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/4604 WW44 en AWB 05/4605 WW44 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005 in het geding tussen:

verzoekster

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) sloopvergunning verleend voor het slopen van de gebouwen op de percelen Industrie 12 en 14 en Stoombootweg 31 te Amsterdam.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2005, verzonden op 25 oktober 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover van belang, het daartegen door verzoekster ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat ziet op de sloop van het gebouw Stoombootweg 31 en het besluit van 6 oktober 2005 in zoverre vernietigd en het beroep ongegrond verklaard voor zover dat ziet op de sloop van de gebouwen Industrie 12 en 14.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 november 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door V.A.C.M. van Haaren, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel en ir. P.C. Lankmap, ambtenaren van het stadsdeel, zijn verschenen.

Voorts zijn [partijen] als informanten daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Er is geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat het betoog van verzoekster geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op bij de sloopvergunning behorende tekening, geen onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de vraag op welke gebouwen de vergunning betrekking heeft. Verder betreft, naar voorlopig oordeel van de Voorzitter, het ontbreken van een (tijdelijke) brug voor het bouwverkeer geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6. van de voor het stadsdeel geldende bouwverordening, omdat de met de brug te dienen verkeersveiligheid in de wijk geen belang is dat binnen het kader van dat artikel in het geding is. Voor zover de veiligheid bij een sloopvergunning aan de orde is, gaat de Voorzitter er voorshands van uit, dat het daarbij gaat om de veiligheid van voorbijgangers en belendingen van hetgeen waarop de vergunning ziet. De gestelde toezegging dat de brug voorafgaand aan de sloopactiviteiten geplaatst zou worden is daarom in dat verband evenmin aan de orde. In hoeverre hetgeen verzoekster dienaangaande heeft gesteld bij de nadere besluitvorming van het betrokken gebied van belang is, dient in dat kader te worden afgewogen en zo nodig in rechte te worden getoetst.

2.3.    Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005

378.