Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200508062/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2005, kenmerk WM/1790/2452, heeft verweerder geweigerd aan appellante een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 5 september 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/76
JOM 2007/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508062/2.

Datum uitspraak: 25 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2005, kenmerk WM/1790/2452, heeft verweerder geweigerd aan appellante een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 5 september 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2005, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2005, waar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door E. Kramer en mr. A.A.M. Kuijken, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbebde], vertegenwoordigd door P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, daar als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.4.    Appellante betoogt dat verweerder de vergunning ten onrechte heeft geweigerd nu hij ten onrechte bij het nemen van het bestreden besluit de uitbreidingsplannen van de nabijgelegen camping "Grotelse Heide" heeft betrokken.

2.5.    Uit de stukken is gebleken dat de camping "Grotelse Heide", gelegen op het perceel Grotel 5a, op tenminste 100 meter van de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd ligt. Volgens verweerder wordt als gevolg van de beoogde uitbreiding van deze camping, waardoor de afstand van de inrichting tot de camping zou afnemen tot ongeveer 50 meter, niet voldaan aan de ter voorkoming van stankhinder minimaal in acht te nemen afstand. Aangezien de beoogde uitbreiding van de camping in strijd is met het vigerende bestemmingsplan heeft verweerder een procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan opgestart. Op 3 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel dit gewijzigde bestemmingsplan vastgesteld, waarna het ter goedkeuring is voorgelegd aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Vanwege de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan door de gemeenteraad en de positieve advisering omtrent de wijziging door diverse instanties aan het college van gedeputeerde staten stelt verweerder zich op het standpunt dat hij bij de beslissing op de onderhavige aanvraag rekening moest houden met de uitbreidingsplannen van de camping, nu deze plannen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit dienden te worden aangemerkt als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.6.    De Voorzitter is van oordeel dat de beoogde uitbreiding van de naastgelegen camping geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer is, omdat het vigerende bestemmingsplan deze uitbreiding niet toestaat en de uitkomst van de procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan, die de realisering van de uitbreidingsplannen van de camping mogelijk moet maken, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vast stond. Dat een weliswaar door de gemeenteraad vastgesteld maar nog niet goedgekeurd bestemmingsplan vooruitlopend op de verhoopte goedkeuring terecht niet als redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling kan worden aangemerkt, wordt geïllustreerd door het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 september 2005, waarin het college haar goedkeuring onthoudt aan het wijzigen van het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de mogelijke uitbreidingsplannen van camping "Grotelse Heide" bij de beslissing op de onderhavige aanvraag betrokken.

2.7.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op de voorgeschiedenis van het onderhavige weigeringsbesluit en de belangen van appellante bij vergunningverlening ziet de Voorzitter aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vijfde en zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 30 augustus 2005, WM/1790/2452;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel op om, indien geen ontwerp van het nieuw te nemen besluit ter inzage wordt gelegd, binnen 4 weken en, indien wel een ontwerp van het nieuw te nemen besluit ter inzage wordt gelegd, binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV.    bepaalt dat indien of zolang het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel niet voldoet aan het onder punt III gestelde, het aan appellante een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00, voor elke dag dat het desbetreffende besluit niet is bekendgemaakt;

V.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

VI.    gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005

312-493.