Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200504000/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een machinehandel en machineverhuur- en reparatiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504000/1.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een machinehandel en machineverhuur- en reparatiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. E.H.M. Loonen en ing. J.R. Brouwer, beiden ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur] bijgestaan door mr. E. van der Hoeven, werkzaam bij Koninklijke Metaalunie.

2.    Overwegingen

2.1.     Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op haar bedenkingen inzake het maximale geluidniveau en het geluid van verkeerslawaai op de gevel van het pand Vinkenweg 68, op grond van de stelling dat appellante ten aanzien van deze punten geen belanghebbende zou zijn.

2.2.1.    Ingevolge artikel 3:27 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

2.2.2.    Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat appellante ten aanzien van de betrokken bedenkingen geen belanghebbende is. De Afdeling merkt op dat artikel 3:24, eerste lid, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht niet de eis stelt dat de indiener van bedenkingen belanghebbende is. De Afdeling stelt echter tevens vast dat verweerder in het bestreden besluit ondanks dit onjuiste uitgangspunt wel aandacht heeft besteed aan de betrokken punten. Zo heeft verweerder onder c.1 onder meer overwegingen gewijd aan de vraag naar de overschrijding van de normen voor het maximale geluidniveau. Daarnaast heeft verweerder onder c.2 een - zij het summiere - overweging gewijd aan de gestelde verkeersaantrekkende werking. Op het aspect cumulatie ter plaatse van het pand Vinkenweg 68 door het gebruik van de westelijke in- en uitrit is door verweerder ingegaan op bladzijde 4 van het bestreden besluit, ad 4, waar verweerder stelt dat voor de berekening is uitgegaan van het "worst case" scenario. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich in zoverre niet verdraagt met artikel 3:27 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante vreest dat het maximale geluidniveau op de gevel van het perceel Vinkenweg 68 zal worden overschreden door de verkeersbewegingen ter hoogte van de westelijke in- en uitrit.

2.4.1.    In voorschrift 2.2 is bepaald dat, onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1, de piekwaarden (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en/of veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, op enig punt 50 meter van de inrichting of ter plaatse van woningen van derden niet meer mogen bedragen dan:

   70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

   65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

   60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

   In voorschrift 2.3 is bepaald dat voorschrift 2.2 niet van toepassing is op het laden en lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.

   In voorschrift 2.5 is bepaald dat in de avond- en nachtperiode laad- en losactiviteiten met een vrachtwagen of heftruck uitsluitend mogen plaatsvinden op de oostelijk gelegen inrit bij de toegangsdeur van werkplaats 2 en werkplaats 3, alsmede dat deze bepaling door middel van een duidelijk leesbaar bord, dat op een logische plaats op de gevel is bevestigd, aangegeven dient te worden.

   In voorschrift 2.6 is, voorzover hier van belang, bepaald dat tijdens het gebruik van de inrichting deuren, luiken en ramen in de gevels en in de afdekking van de inrichting gesloten moeten zijn, behoudens wat de deuren betreft het kortstondig openstellen voor het doorlaten van personen en/of goederen.

2.4.2.    De Afdeling overweegt allereerst dat verweerder voor de beoordeling van de geluidbelasting van verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de openbare weg, gebruik heeft gemaakt van de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire Geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting). In het kader van de beoordelingswijze die is neergelegd in deze circulaire vindt geen toetsing plaats aan normen voor Lmax. Voorzover het betoog van appellante inzake de maximale geluidniveaus betrekking heeft op geluid van verkeersbewegingen op de openbare weg ter hoogte van de westelijke in- en uitrit, kan het betoog dan ook geen doel treffen.

   Voorzover het betoog van appellante inzake de maximale geluidniveaus betrekking heeft op geluid van verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting ter hoogte van de westelijke in- en uitrit, overweegt de Afdeling als volgt.

   Bij de aanvraag is een akoestisch rapport gevoegd van Acoustical Measurements and Predictions B.V. van 20 september 2004, alsmede een aanvullend akoestisch rapport van die vennootschap van 15 oktober 2004.

    Volgens het aanvullend rapport, alsmede het gestelde ter zitting, is de oorzakelijke geluidbron van de overschrijding in de avondperiode de geopende overheaddeur van werkplaats 5. Een akoestische maatregel is volgens het aanvullend rapport het in de avondperiode gesloten houden van de overheaddeur van deze werkplaats. Dit geldt volgens dit rapport in combinatie met het volgende. Indien in de avond- en/of nachtperiode laad-/ losactiviteiten met een vrachtwagen en/of heftruck plaats dienen te vinden, kunnen deze als beste plaatsvinden ten oosten van werkplaats 2. De oostelijk gelegen in-/uitrit dient dan te worden gebruikt.

   Volgens de berekeningen in het aanvullend akoestisch rapport kan met toepassing van deze maatregelen aan de waarden voor het Lmax in de avond- en nachtperiode worden voldaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze bevindingen onjuist zijn. Nu het akoestisch rapport en het aanvullend akoestisch rapport volgens bladzijde 1 van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, alsmede gelet op de omzetting van de genoemde akoestische maatregelen in de voorschriften 2.5 en 2.6, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat aan de waarden voor het Lmax in de avond- en nachtperiode kan worden voldaan.

   In de dagperiode kan het betrokken verkeer ingevolge de vergunning wel de westelijke in- en uitrit gebruiken. Voor laden en lossen in de dagperiode is in voorschrift 2.3 van de vergunning een uitzondering gemaakt op de waarden van het Lmax. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 6 mei 2004 in zaak no. 200302980/1 is het in het algemeen toelaatbaar om voor laad- en losbewegingen gedurende de dagperiode een uitzondering te maken op de gestelde geluidgrenswaarden voor piekgeluiden indien het niet mogelijk is door het treffen van maatregelen aan die grenswaarden te voldoen. In hetgeen appellante heeft betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het nemen van maatregelen in zoverre niet mogelijk is.

   De desbetreffende beroepsgronden treffen gezien het bovenstaande geen doel.

2.5.    Appellante keert zich voorts tegen de volgens haar te rooskleurige inschattingen van de aannames voor geluid van verkeerslawaai op het perceel Vinkenweg 68, evenals de toekomstige verkeersaantrekkende bewegingen. Het gebruik van de westelijke in- en uitrit doet ter plaatse van het pand Vinkenweg 68 de verkeersbewegingen volgens appellante cumuleren, hetgeen volgens haar tot grote overschrijding leidt.

2.5.1.    De Afdeling overweegt dat in paragraaf 2.2 van het akoestisch rapport de mogelijke aantallen in de inrichting arriverende of daaruit vertrekkende vrachtwagens en bestelbusjes zijn vermeld. Gezien het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze aantallen niet representatief zouden zijn.

   Bij de akoestische beschouwing is volgens paragraaf 2.2 van het rapport van 20 september 2004 uitgegaan van een "worst case" situatie. In paragraaf 7.3 van dit rapport worden de berekende equivalente geluidniveaus ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking vermeld. De in het rapport berekende geluidbelasting bedraagt 37 dB(A) in de dagperiode en 39 dB(A) in de avondperiode.

   Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de in de circulaire Geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting neergelegde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt overschreden.

   De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Appellante heeft voor het overige verwezen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van deze bedenkingen onjuist zou zijn.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

271-509.