Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU7151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
200500506/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2004, kenmerk N06/0176MD2004, heeft verweerder een nadere eis gesteld als bedoeld in het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) aan de door [vergunninghouder] gedreven inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna:de inrichting). Dit besluit is op 24 november 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 65 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500506/1.

Datum uitspraak: 30 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Air Products B.V.", gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2004, kenmerk N06/0176MD2004, heeft verweerder een nadere eis gesteld als bedoeld in het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) aan de door [vergunninghouder] gedreven inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna:de inrichting). Dit besluit is op 24 november 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 3 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2005, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.W. Beukenhorst en ing. F. Houtkamp, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    De bij besluit van 23 november 2004 opgelegde nadere eis houdt  in dat de inrichting op enig punt 50 meter van de inrichting moet voldoen  aan de ingevolge het Besluit geldende grenswaarden voor het equivalente geluidniveau (LAeq).

   Blijkens de stukken wil verweerder de huidige zone van het ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein Buiksloterham-Papaverweg te Amsterdam verkleinen ten behoeve van woningbouw. Volgens verweerder is die zone thans ruimer dan nodig is voor de op dat terrein gevestigde bedrijven. Volgens hem blijkt uit onderzoek dat de geluidnormen voor een aantal van die bedrijven, waaronder de inrichting, kunnen worden aangescherpt, zonder dat de bedrijfsvoering van die bedrijven wordt beperkt. In het licht daarvan heeft hij de nadere eis gesteld.

2.3.    Appellante voert aan dat zij in haar (toekomstige) bedrijfsvoering wordt beperkt, doordat, onder meer ten gevolge van het bestreden besluit, op het industrieterrein minder geluid mag worden geproduceerd. Zij vreest dat zij, nadat de rond het industrieterrein gelegen geluidzone is gewijzigd en de geplande woningbouw nabij het industrieterrein is gerealiseerd, de voor haar geldende geluidnormen eerder zal overtreden.

2.3.1.    Verweerder stelt dat de door appellante aangevoerde gronden geen betrekking hebben op de aan de inrichting gestelde nadere eis, maar louter op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rond het industrieterrein en de inrichting van appellante.

2.3.2.    De Afdeling stelt voorop dat in de onderhavige procedure alleen de met betrekking tot de inrichting gestelde nadere eis ter beoordeling staat en niet tevens de besluiten van verweerder van gelijke strekking met betrekking tot andere bedrijven op het industrieterrein, zoals appellante heeft verzocht.

    Voorzover appellante betoogt dat de geplande woningbouw geen grondslag kan vormen voor het stellen van een nadere eis ten aanzien van het door de inrichting maximaal te produceren equivalente geluidniveau, overweegt de Afdeling als volgt.

2.3.3.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

   In voorschrift 4.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit is bepaald dat in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden kan vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden.

2.3.4.    De Afdeling stelt voorop dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met voorschrift 4.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit, beleidsvrijheid toekomt.

   In de Nota van Toelichting bij voorschrift 4.1.1 staat dat onder meer maatschappelijke ontwikkelingen aanleiding kunnen vormen om afwijking van de standaard geluidnorm te wensen. De bouw van nieuwe woningen kan als een zodanige ontwikkeling worden aangemerkt. Voorts beschikt, zoals door appellante wordt erkend, de inrichting op grond van het Besluit over meer geluidruimte dan zij daadwerkelijk gebruikt. Gezien het vorenstaande heeft verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om hier een nadere eis te stellen. Nu moet worden aangenomen dat aan die eis kan worden voldaan zonder wijziging van de bedrijfsvoering, ziet de Afdeling in hetgeen appellante verder heeft betoogd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die nadere eis niet in redelijkheid kon worden gesteld.

   Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005

157-442.