Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
200508471/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2005, kenmerk 610925, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met voorschrift 3.1.1 van de vergunning in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de productie van bestratingmateriaal van beton. Deze inrichting is gelegen aan Industrieweg 5 te Eastermar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508471/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Holcim Betonproducten B.V.", gevestigd te Oostermeer,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2005, kenmerk 610925, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met voorschrift 3.1.1 van de vergunning in werking hebben van een inrichting ten behoeve van de productie van bestratingmateriaal van beton. Deze inrichting is gelegen aan Industrieweg 5 te Eastermar.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 oktober 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, [adjunct-directeur] van verzoekster en ir. W. Schoonderbeek, akoestisch adviseur, en verweerder, vertegenwoordigd door Y.K. Wijnia, directeur WNP Raadgevend Ingenieurs, en M.J.M. Roetgerink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

De Voorzitter heeft

I. bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 13 september 2005, verzonden 14 september 2005, kenmerk 610925, geschorst tot zes weken na de verzending van het besluit op bezwaar, dan wel indien gedurende deze periode beroep is ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, tot het moment waarop op dit verzoek is beslist;

II. het college van gedeputeerde staten van Fryslân veroordeeld tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,57 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en zevenenvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Fryslân aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de provincie Fryslân aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

Verzoekster bestrijdt dat de geluidbelasting vanwege de inrichting de geluidgrenswaarde van 40 dB(A) voor het equivalent geluidniveau in de avondperiode zoals genoemd in voorschrift 3.1.1 van de vergunning overschrijdt. Daartoe voert zij aan dat het geluid afkomstig van de stenenpers ten onrechte wordt gekarakteriseerd als zijnde tonaal.

De Voorzitter overweegt dat verweerder zich op basis van akoestisch onderzoek in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat het geluid afkomstig van de stenenpers moet worden gekarakteriseerd als tonaal geluid. Los van de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt, overweegt de Voorzitter dat dit een ingrijpende wijziging betreft ten opzichte van het ten tijde van het nemen van het besluit van 3 april 2005 tot ambtshalve wijziging van de onderliggende vergunning door verweerder ingenomen standpunt, inhoudende dat bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden, in voorschrift 3.1.1, tonaal geluid buiten beschouwing kon worden gelaten.

Gezien het vorenstaande had het naar het oordeel van de Voorzitter in de reden gelegen om - aangenomen dat thans moet worden aangenomen dat de inrichting geluid met een tonaal karakter veroorzaakt - een ruimere termijn te stellen om aan de opgenomen last te kunnen voldoen dan de in het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijn van zes weken.

Het vorenstaande in aanmerking nemende ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Drouen

Voorzitter ambtenaar van Staat

375.