Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
200503129/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2003 (hierna: het besluit van 23 oktober 2003) heeft de raad van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeenteraad) aan appellanten een schadevergoeding toegekend op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) van € 18.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2001, zijnde de datum waarop het verzoek om planschade bij de gemeente is ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ruimtelijk Bestuursrecht 2005/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503129/1

Datum uitspraak: 23 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 2004/1230 van de rechtbank Utrecht van 25 februari 2005 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2003 (hierna: het besluit van 23 oktober 2003) heeft de raad van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeenteraad) aan appellanten een schadevergoeding toegekend op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) van € 18.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2001, zijnde de datum waarop het verzoek om planschade bij de gemeente is ontvangen.  

Bij besluit van 1 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemeenteraad, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover daarbij de wettelijke rente is berekend vanaf 12 juli 2001. De gemeenteraad heeft de ingangsdatum van de wettelijke rente bij het besluit van 1 april 2004 gewijzigd in 12 juni 2001. De bezwaren van appellanten zijn voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak aan partijen is bekendgemaakt een nieuw besluit dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 mei 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de gemeenteraad opnieuw op het bezwaar beslist.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2005, waar appellanten in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Barendse, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten zijn zowel in bezwaar als beroep beiden opgekomen. Mede gelet op hetgeen partijen ter zitting daarover hebben medegedeeld, gaat de Afdeling ervan uit dat in de aangevallen uitspraak abusievelijk is vermeld dat het beroep uitsluitend door [appellant] is ingesteld.

2.2.    De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de gemeenteraad opgedragen een nieuw besluit te nemen. Voor zover hier van belang is daartoe overwogen dat als gevolg van met toepassing van artikel 19 van de WRO verleende vrijstellingsbesluiten een planologisch nadeliger situatie is ontstaan, waardoor schade is ontstaan die vergoed dient te worden, maar dat is uitgegaan van een onjuiste peildatum.

2.3.    Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" (hierna: bestemmingsplan Leidsche Rijn) met zich bracht en de daaruit voor appellanten voortvloeiende nadelen.

2.3.1. Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank ervan uitgegaan dat uitsluitend de drie in haar uitspraak genoemde op artikel 19 WRO gebaseerde vrijstellingsbesluiten als schadeveroorzakende besluiten zijn aangemerkt. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken blijkt daarentegen dat bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van planschade van appellanten niet alleen evenbedoelde vrijstellingsbesluiten zijn betrokken, maar ook het bestemmingsplan Leidsche Rijn. De rechtbank is in  haar uitspraak dan ook uitgegaan van een onjuiste vaststelling van de inhoud van het bestreden besluit. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient wegens strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, alsnog het door appellanten  tegen het bestreden besluit ingestelde beroep beoordelen.

2.4.    Appellanten zijn primair van opvatting dat het door hen ingediende verzoek om vergoeding van planschade, ook wat betreft de gronden waarop meerbedoelde vrijstellingsbesluiten betrekking hebben, uitsluitend bezien had moeten worden tegen de achtergrond van het bestemmingsplan Leidsche Rijn. Appellanten kunnen hierin niet worden gevolgd. Voor de beoordeling van mogelijk planologisch nadeel als gevolg van wijziging van het planologisch regime op de gronden waarop de hier aan de orde zijnde vrijstellingsbesluiten zien, vormen die anticiperend op het bestemmingsplan Leidsche Rijn genomen vrijstellingsbesluiten het relevante planologische kader, omdat reeds daarin de woningbouw aan de Koldijksterraklaan en de Rozemarijnsingel mogelijk is gemaakt. Op het planologische nadeel als gevolg van de wijziging van het planologische regime van andere gronden wordt thans ingegaan.

2.5.    Appellanten hebben verder gesteld dat niet dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan Leidsche Rijn.

2.5.1. De gemeenteraad heeft bij het bestreden besluit planologisch nadeel  vastgesteld als gevolg van één van de drie bij de beoordeling betrokken vrijstellingsbesluiten, alsmede als gevolg van het bestemmingsplan Leidsche Rijn, dat laatste voor zover betrekking hebbend op een in de omgeving van de woning van appellanten geprojecteerd park. De daaruit voortvloeiende schade is vastgesteld op respectievelijk €15.000,-- en €3.000,--.  In het door de gemeenteraad overgenomen voorstel van burgemeester en wethouders van Utrecht van 8 oktober 2003 is wat betreft de overige gestelde schade ten gevolge van in de directe omgeving van de woning van appellant gesitueerde woningbouw die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan Leidsche Rijn (en die niet mogelijk wordt gemaakt door meergenoemde vrijstellingsbesluiten) vermeld dat causaal verband tussen schade en dat bestemmingsplan ontbrak. Niet alleen omdat het  bestemmingsplan Leidsche Rijn nog niet onherroepelijk was, maar ook omdat er een bouwverbod gold omdat nog geen invulling was gegeven aan de uitwerkingsbepalingen van dat plan. In dat voorstel is verder vermeld dat de schadecommissie wel rekening heeft gehouden met het bestemmingsplan Leidsche Rijn en heeft geconcludeerd dat er geen extra waardevermindering was te verwachten.

2.5.2. Vooropgesteld wordt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2002, in de zaak no. 200003809/1, blijkt dat het bestemmingsplan Leidsche Rijn voor zover hier van belang op 27 februari 2002 onherroepelijk is geworden. In aanmerking genomen dat het bestreden besluit is genomen op 1 april 2004, niet alleen na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Leidsche Rijn, maar ook na 15 januari 2003, de datum waarop de Afdeling in haar uitspraak in de zaak 200200342/1 heeft geoordeeld dat schade voor vergoeding in aanmerking komt vanaf het moment waarop het beweerdelijk schadeveroorzakend besluit rechtskracht heeft gekregen, is hierin geen reden gelegen de mogelijk nadelige gevolgen van de aan het bestemmingsplan Leidsche Rijn te relateren planologische wijzigingen niet in de besluitvorming te betrekken.

2.5.3  Appellanten hebben gesteld dat het gegeven dat aan de uitwerkingsbepalingen nog geen gevolg was gegeven en een bouwverbod gold, niet in de weg staat aan een op een planologische vergelijking gebaseerde beoordeling van mogelijk planologisch nadeel. Dit betoog treft doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 september 2005 in de zaak no. 200500224/1) laat de omstandigheid dat een uitwerkingsplan niet tot stand is gekomen de gehoudenheid tot het maken van een planologische vergelijking onverlet. Anders dan de gemeenteraad kennelijk meent vormt een latere totstandkoming van een uitwerkingsplan geen zelfstandige grond voor het toekennen van planschadevergoeding. Zulks brengt met zich, dat de in een nieuw bestemmingsplan voorziene mogelijkheid, dat een uitwerkingsplan tot stand komt reeds bij de planvergelijking moet worden verdisconteerd.

2.5.4.    De stelling van appellanten dat de mogelijke waardevermindering als gevolg van het bestemmingsplan Leidsche Rijn overigens niet juist is beoordeeld, deelt de Afdeling eveneens. Het standpunt van de gemeenteraad dat de schadecommissie heeft geconcludeerd dat extra waardevermindering als gevolg van het bestemmingsplan Leidsche Rijn niet was te verwachten, kan reeds niet worden gevolgd, omdat uit het advies niet blijkt dat die conclusie is gebaseerd op een adequate planvergelijking. De gemeenteraad had zijn besluit dan ook in zoverre niet op dit advies kunnen baseren. Daarbij volgt de Afdeling niet de bezwaren van appellanten met betrekking tot de deskundigheid van de schadecommissie. De Afdeling ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.

2.6.    Aan de omstandigheid dat de schadecommissie in haar advies geen waarde heeft opgenomen van de woning vóór planwijziging komt niet die betekenis toe die appellanten daaraan toegekend wensen te zien. Met het opnemen van een waarde van de woning na planwijziging (als resultaat van waardedrukkende factoren) heeft de schadecommissie impliciet de waarde voor planmutatie bepaald.

2.7.     Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is omdat dat besluit wat betreft schade in verband met planologische wijzigingen als gevolg van het bestemmingsplan Leidsche Rijn een toereikende motivering ontbeert. Dat besluit dient op die grond te worden vernietigd.

2.8.    Bij besluit van 26 mei 2005 (hierna: het nieuwe besluit) heeft de gemeenteraad, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar beslist. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, moet het hoger beroep van appellanten mede worden geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit.

2.9.     Bij het nieuwe besluit heeft de gemeenteraad vastgesteld dat er gelet op de overwegingen van de rechtbank en het aanvullend advies van de schadecommissie van 19 april 2005, dat naar aanleiding van de aangevallen uitspraak is opgesteld, geen aanleiding is om een hogere planschadevergoeding toe te kennen dan in het bestreden besluit is geschied.

2.10.    In het nieuwe besluit is opnieuw niet hetgeen op grond van de uitwerkingsregels kan worden gerealiseerd in aanmerking genomen.

2.11.    Het tegen het nieuwe besluit ingestelde beroep is daarom gegeven hetgeen in rechtsoverweging 2.5 en 2.7 is overwogen gegrond. De Afdeling zal ook dat besluit daarom vernietigen.

2.12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 februari 2005 no. 2004/1230;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 1 april 2004;

V.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 26 mei 2005 gegrond;

VI.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 26 mei 2005;

VII.    draagt de raad van de gemeente Utrecht op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VIII.    gelast dat de gemeente Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 207) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Ouwehand

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2005

224.