Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
200504415/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) het verzoek van [appellant A] om zijn huwelijk met [appellant B], gesloten op 27 mei 2003 te Paramaribo, Suriname, in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 50
Burgerlijk Wetboek Boek 1 53
Burgerlijk Wetboek Boek 1 71a
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 36a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 3 met annotatie van I. Sewandono
JV 2006/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504415/1.

Datum uitspraak: 23 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaatsen],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2742 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 april 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) het verzoek van [appellant A] om zijn huwelijk met [appellant B], gesloten op 27 mei 2003 te Paramaribo, Suriname, in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie, afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2005, verzonden op 13 april 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van Asten, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.G.L. Landman-Kop, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B]

2.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

   Gesteld noch gebleken is dat [appellant B] bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit en beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en dat haar dat niet redelijkerwijs kan worden verweten. Derhalve dient het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A]

2.2.    Ingevolge artikel 36, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA), voorzover hier van belang, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit.

   Ingevolge artikel 36a, eerste lid, van de Wet GBA, voorzover hier van belang, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, geen gegevens ontleend over het huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie ten minste één vreemdeling is, voordat het college van burgemeester en wethouders zich een door de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verklaring heeft doen overleggen.

   Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

   Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet GBA wordt, indien bij de ontlening van gegevens over een huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie ten minste een vreemdeling is, aan een geschrift als bedoeld in  artikel 36, tweede lid, onder c, d, of e, dan wel artikel 36, derde lid, op grond van de verklaring van de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 of anderszins het redelijke vermoeden bestaat dat het oogmerk van de echtgenoten, of een van beiden, niet was gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland, in afwijking van het eerste lid, over de ontlening van de gegevens over het huwelijk advies van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage ingewonnen.

2.3.    Uit het bepaalde in de artikelen 1:50, 1:53 en 1:71a van het Burgerlijk wetboek vloeit voort dat het sluiten van een schijnhuwelijk in strijd is met de openbare orde. Van een schijnhuwelijk is sprake indien het oogmerk van (aanstaande) echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.

2.4.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 december 2003 heeft het college het verzoek van appellant om zijn huwelijk met [appellant B] in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen op de grond dat het huwelijk in strijd is met de openbare orde omdat sprake is van een schijnhuwelijk.

2.5.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een schijnhuwelijk.

2.6.    Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vijfmaal eerder gehuwd is geweest, dat zijn laatste vier voorgaande huwelijken relatief kort geduurd hebben, dat deze alle ongeveer anderhalf jaar na verwerving van de Nederlandse nationaliteit door de huwelijkspartner van appellant zijn ontbonden en dat bij twee van de eerdere huwelijken en bij het huwelijk met [appellant B] sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen appellant en de huwelijkspartner. Bij de weging van deze feiten heeft het college voorts in aanmerking genomen dat appellant op het formulier dat hij aan de korpschef heeft overgelegd met het oog op de verklaring als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, van de Wet GBA, slechts één van zijn vijf voorgaande huwelijken heeft vermeld.

   De Afdeling is van oordeel dat het college aan deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, het redelijk vermoeden heeft mogen ontlenen dat het huwelijk tussen appellant en [appellant B] een schijnhuwelijk is. Appellant heeft zijn stelling dat hij bij het invullen van voormeld formulier een vergissing heeft begaan niet aannemelijk gemaakt, nu op het formulier duidelijk is aangegeven waar eerdere huwelijken dienen te worden vermeld. Ook de stelling van appellant dat hij regelmatig telefonisch contact met [appellant B] onderhoudt en dat hij bijdraagt aan haar levensonderhoud en dat van haar kinderen, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien niet gebleken is van meer dan sporadisch contact in persoon tussen appellant en [appellant B], namelijk slechts bij gelegenheid van de huwelijksvoltrekking, en onduidelijkheid bestaat over het leveren door appellant van een structurele bijdrage in het levensonderhoud van [appellant B] en haar kinderen. Het betoog van appellant dat hij verzorging behoeft en dat hij met [appellant B] is gehuwd omdat hij verwacht dat zij hem die verzorging kan bieden, baat hem niet, reeds omdat dit betoog de motieven van [appellant B] niet regardeert.

2.7.    De door appellant ingeroepen omstandigheid dat de korpschef zich van advies heeft onthouden, kan niet als een omstandigheid in het voordeel van appellant worden uitgelegd, omdat de reden daarvoor is gelegen in de onmogelijkheid een controle op samenwoning uit te voeren.

2.8.    Eerst in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het in bezwaar gehandhaafde besluit onzorgvuldig is genomen omdat het college heeft verzuimd advies als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet GBA, in te winnen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2005

413.