Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
200505612/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder geweigerd aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een rundveehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 2 juni 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505612/1.

Datum uitspraak: 23 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder geweigerd aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een rundveehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 2 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2005, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. E.A.C. Spoormakers en A.J.C. van de Heijning, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.A.A. Oostvogels en ing. R.K. Janssen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    De aanvraag voor de bij het bestreden besluit geweigerde vergunning heeft betrekking op het houden van 153 melk- en kalfkoeien en 113 stuks vrouwelijk jongvee.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat niet wordt voldaan aan de ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder in aanmerking te nemen afstand. Bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder heeft hij voorzover het betreft de indeling in omgevingscategorieën toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure). Voor de bepaling van de minimaal aan te houden afstand heeft hij de in bijlage 2 van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) genoemde minimumafstandsnorm van 100 meter voor de omgevingscategorieën I en II tot uitgangspunt genomen.

2.5.    Appellant betoogt dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de omgeving van de inrichting dient te worden ingedeeld in categorie I als bedoeld in de brochure. Daarnaast voert hij aan dat ter bepaling van het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting uitgegaan dient te worden van de open nokken van de stallen en niet van de voorgevels daarvan.

2.5.1.    In paragraaf 2.2, onder 2, van de Richtlijn is bepaald dat bij de afstandsbepaling tussen een stankgevoelig object en een veehouderij moet worden uitgegaan van de afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelig object en het dichtst bij dit object gelegen emissiepunt van de veehouderij. Voor natuurlijk geventileerde stallen, waarvan hier sprake is, moet de dichtstbijstaande ventilatie-uitlaat worden aangehouden.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerder ter bepaling van het dichtstbijgelegen emissiepunt terecht is uitgegaan van de voorgevels van de stallen, aangezien niet met zekerheid is uit te sluiten dat via de in deze gevels aanwezige deuren, die nodig zijn voor het doorlaten van personen en/of goederen, ventilatieverliezen zullen optreden. De door appellant in de aanvraag voorgestelde aanpassingen van de stallen, bestaande uit het gedeeltelijk dichtmaken van de zijgevels en nokken, alsmede het aanbrengen van een aantal ventilatoren in de grootste stal, doen daaraan niet af. In dat verband is van belang dat van de aanvraag geen technisch rapport deel uitmaakt, waaruit blijkt dat in de stallen, ook indien de deuren daarvan zijn geopend, een zodanige onderdruk wordt gerealiseerd dat vorenbedoelde ventilatieverliezen onder alle omstandigheden worden voorkomen.

   Niet in geschil is dat op minder dan 100 meter van de voorgevels van de stallen, aan de zuidzijde van de Provincialeweg, een aantal burgerwoningen is gelegen. In het midden kan blijven of deze woningen behoren tot categorie I, zoals door verweerder is gesteld, dan wel tot categorie II, zoals door appellant is betoogd. In beide gevallen wordt niet voldaan aan de op grond van de Richtlijn minimaal in acht te nemen afstand van 100 meter.

2.5.2.    Onder deze omstandigheden heeft verweerder de gevraagde vergunning terecht uit een oogpunt van onaanvaardbare stankhinder geweigerd.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2005

159-462.