Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
200502568/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) geweigerd aan appellant sub 1 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) af te geven voor de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend onder nr. […], plaatselijk gelegen [locatie], te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502568/1.

Datum uitspraak: 23 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 04/900 WRO en AWB 04/901 WRO van de rechtbank Maastricht van 17 februari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) geweigerd aan appellant sub 1 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) af te geven voor de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend onder nr. […], plaatselijk gelegen [locatie], te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 mei 2004 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2005, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 23 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2005, en appellant sub 2 bij brief van 25 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 30 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 mei 2005 heeft het college aangegeven geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid tot het dienen van antwoord.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2005, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. W.J.J.M. Stark, ambtenaar van de gemeente Meerlo-Wanssum, appellant sub 2 in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.H.M. Haenen, ambtenaar van de provincie Limburg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Kern Meerlo" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied AG-Z". Vast staat dat de bouw van de beoogde woning op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 februari 2003 (200203946/1)    is het college, anders dan appellanten betogen, te allen tijde bevoegd om aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar in het kader van artikel 19, eerste lid, van de WRO te toetsen aan provinciaal beleid.

2.3.    Het college heeft het bouwplan getoetst aan zijn beleid in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL). Het beleid in het POL is gericht op het zoveel mogelijk vrijwaren van niet aan het buitengebied gelieerde functies en daarbij behorende bebouwing, met name door nieuwe bebouwing te weren. Onder meer op pagina 126 van het POL staat ten aanzien van nieuwe woonbebouwing vermeld dat er alle aanleiding is om voorrang te geven aan inbreiding en herstructurering boven uitbreiding. De term 'inbreiding' staat in het POL gedefinieerd als 'bebouwing van open plekken binnen de bebouwde kom'.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Realisering van het bouwplan past volgens het college niet binnen dit beleid. Daarbij stelt het dat het perceel, gelet op de feitelijke situatie, deel uitmaakt van het begin van het buitengebied. De bouw van de woning op het perceel betekent naar zijn mening een uitbreiding van het aanwezige bebouwingslint, terwijl er nog voldoende inbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn in dit lint en in de kern Meerlo zelf. Voorts stelt het college dat afwijking van zijn beleid ongewenste precedentwerking tot gevolg kan hebben.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het perceel deel uitmaakt van de bebouwde kom en dat derhalve geen sprake is van uitbreiding.

2.5.    Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 (200103657/1)  is de vraag of een perceel in de bebouwde kom of daarbuiten ligt, een vraag van feitelijke aard. Niet de plaats van verkeersborden en de opname van het perceel in het bestemmingsplan "Kern Meerlo" zijn daarbij bepalend, maar de aard van de omgeving.  

2.6.    Direct ten noorden van het perceel ligt de Mgr. Jenneskensstraat. Ten noorden van die weg zijn een gebouw ten behoeve van een basisschool, een ouderensoos en een kinderopvangcentrum en drie woningen gelegen. Die woningen zijn gebouwd op grond van de regeling "Ruimte voor ruimte".

Ten westen van het perceel bevindt zich lintbebouwing, behorende bij de daaraan grenzende kern van Meerlo. Direct ten oosten en direct ten zuiden van het perceel ligt het buitengebied. In die delen van het buitengebied zijn agrarische bedrijven gevestigd. Gelet op die omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het perceel het begin vormt van het buitengebied. Voorts staat vast dat er nog voldoende inbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn in het bebouwingslint. Met de rechtbank moet derhalve worden vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met het provinciale beleid dat is neergelegd in het POL.    

2.7.    Appellant sub 2 heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat het college in een aantal dezelfde gevallen wel de benodigde medewerking heeft verleend aan de bouw van een woning. Dit betoog faalt, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem bedoelde gevallen op rechtens relevante wijze overeenkomen met zijn eigen situatie.

2.8.    Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat het college de verklaring van geen bezwaar in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.9.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2005

280-449.