Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
200505282/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2004 is namens appellant de continuering van de huursubsidie van [wederpartij] voor het subsidiejaar 2004-2005 gestaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505282/1.

Datum uitspraak: 16 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WET 05/69 van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2004 is namens appellant de continuering van de huursubsidie van [wederpartij] voor het subsidiejaar 2004-2005 gestaakt.

Bij besluit van 2 december 2004 is namens appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 mei 2005, verzonden op 1 juni 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juli 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, ambtenaar bij het ministerie, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door W. van Delft, belastingdeskundige te Rotterdam, zijn verschenen.

   Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

   Ingevolge artikel 8:77, eerste lid, onder d, van de Awb vermeldt de schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld.

   Ingevolge artikel 8:77, derde lid, van de Awb wordt de uitspraak ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

2.2.    De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2.3.    De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door een lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal van 11 mei 2005 blijkt evenwel dat het beroep van [wederpartij] is behandeld ter zitting van een andere rechter, eveneens lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank.

2.4.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 26 april 2001 in zaak no. 200002107/1 (AB 2001, 348) overweegt de Afdeling dat de wetgever, gelet op de artikelen 8:69, eerste lid, 8:77, eerste lid, onder d, en 8:11, tweede lid, van de Awb, in hun onderlinge samenhang bezien, heeft voorgeschreven dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid, tenzij partijen tevoren met toepassing van artikel 8:57 van de Awb toestemming hebben gegeven deze rechter te vervangen door een andere rechter zonder dat een nieuwe behandeling ter zitting plaatsvindt. Voorts is in artikel 8:77, derde lid, in samenhang met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb voorgeschreven dat de uitspraak wordt ondertekend door het lid van de enkelvoudige kamer dat de uitspraak heeft gedaan en de griffier en dat bij verhindering van het lid van de enkelvoudige kamer of de griffier dit in de uitspraak wordt vermeld.

   Nu van toestemming voor het achterwege laten van een nadere zitting in dit geval niet is gebleken en uit de uitspraak van 30 mei 2005 niet valt op te maken dat zich het geval voordeed dat de rechter die de uitspraak heeft gedaan, verhinderd was de uitspraak te ondertekenen, is de uitspraak tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met genoemde voorschriften.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Mede gelet op het daartoe strekkende verzoek van partijen zal de Afdeling de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar deze zelf afdoen.

2.6.    Ingevolge artikel 30aa, eerste lid, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) zendt een huurder, indien hij een beperkt huursubsidiebericht ontvangt, de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzenddatum van dat bericht aan de minister.

   Ingevolge artikel 30aa, tweede lid, van de Hsw, stelt de minister, indien de huurder niet voldoet aan het eerste lid, ambtshalve een termijn van ten hoogste vier weken vanaf de verzenddatum van de kennisgeving, binnen welke alsnog aan dat lid kan worden voldaan.

   Ingevolge artikel 30ab, eerste lid, van de Hsw wordt, indien de gegevens, bedoeld in artikel 30aa, eerste lid, na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 30aa, tweede lid, door de huurder worden ingediend, geen huursubsidie toegekend voor de kalendermaand waarin de peildatum valt, de kalendermaand waarin die gegevens worden ingediend en de tussenliggende kalendermaanden.

2.7.    [wederpartij] heeft het bij het haar door appellant toegezonden huursubsidiebericht behorende reactieformulier niet (tijdig) ingezonden en op het door appellant gestuurde rappelbericht niet gereageerd.

   Hierop heeft appellant bij besluit van 9 augustus 2004, aan [wederpartij] met ingang van 1 juli 2004 geen huursubsidie toegekend. Bij het besluit op bezwaar heeft appellant dit besluit gehandhaafd en de huursubsidie over de maanden juli en augustus 2004 ten bedrage van in totaal € 197,14 teruggevorderd. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van [wederpartij] heeft appellant besloten haar per 1 september 2004 weer huursubsidie toe te kennen.

2.8.    [wederpartij] heeft in eerste aanleg betoogd dat zij het reactieformulier op 8 juli 2004 heeft ingevuld en die dag heeft verzonden in de voorgedrukte retourenveloppe en dat, nu zij die enveloppe niet retour heeft ontvangen, deze ten departemente in het ongerede moet zijn geraakt. Om dit betoog te staven heeft zij een kopie van het ingevulde en op 8 juli 2004 gedateerde formulier overgelegd, alsmede een kopie van de retourenveloppe waarop aan de achterzijde haar adres is ingevuld.

2.9.    Appellant heeft daartegen aangevoerd dat het reactieformulier door hem niet is ontvangen en dat, nu dit niet aangetekend is verzonden en de verzending ook niet anderszins aannemelijk is gemaakt, het risico in deze bij [wederpartij] ligt. Het feit dat binnen het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gebruik wordt gemaakt van een retourenveloppe is geen omstandigheid die leidt tot verschuiving van dat bewijsrisico.

2.10.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 september 1996, in zaak no. R01.93.2126 (AB 1997, 51) behoort het tot het bewijsrisico van de verzender, indien een poststuk niet aangetekend is verzonden, de ontvangst daarvan wordt ontkend en de verzending niet op andere wijze aannemelijk wordt gemaakt. Dit is niet anders indien de verzender stelt gebruik te hebben gemaakt van een door het bestuursorgaan verstrekte retourenveloppe. De Afdeling is van oordeel dat uit de door [wederpartij] overgelegde stukken niet valt op te maken dat het reactieformulier door haar is verzonden. Naar appellant terecht heeft betoogd, kan [wederpartij] met het in kopie overleggen van het ingevulde reactieformulier en de retourenveloppe haar stelling dat zij het reactieformulier ter post heeft bezorgd, niet aannemelijk maken, omdat die kopieën ook gemaakt kunnen zijn zonder dat verzending heeft plaatsgevonden. De verzending is niet anderszins aannemelijk gemaakt.

2.11.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2005, WET 05/69;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005

97-497.