Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
200503017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard (hierna: de VVH) verzoeken van [verzoekers] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 15 met annotatie van A. van Hall
BR 2006/10
Module Ruimtelijke ordening 2005/2454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503017/1.

Datum uitspraak: 16 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/2482 van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2005 in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te Bergambacht

en

appellante.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard (hierna: de VVH) verzoeken van [verzoekers] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 16 juni 2004 heeft de VVH het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2005, verzonden op 3 maart 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante als rechtsopvolgster van de VVH bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2005 hebben verzoekers van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door P. Boesberg en ing. M. van Capellen, beiden ambtenaar bij het Hoogheemraadschap, en verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding (hierna: de Wwh) wordt, voorzover hier van belang, aan degene die ten gevolge van het vaststellen of wijzigen van een peilbesluit, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, door het gezag dat het desbetreffende besluit heeft genomen, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend. De schadevergoeding kan worden bepaald in geld of op andere wijze.

2.2.    Verzoekers hebben de VVH verzocht om vergoeding van schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van het door de VVH op 29 november 1995 genomen peilbesluit voor het peilgebied polderdeel Bergambacht. De VVH heeft de verzoeken afgewezen bij besluit van 18 juni 2003. Aan dit besluit heeft zij in navolging van het advies van de door haar op grond van artikel 7 van de Schadevergoedingsregeling Krimpenerwaard ingestelde adviescommissie ten grondslag gelegd dat met het peilbesluit geen sprake is van drooglegging, maar van compensatie van de natuurlijke maaivelddaling, en dat de daaruit voortvloeiende schade om die reden, als behorend tot het normaal maatschappelijk risico, voor rekening van verzoekers moet blijven. Bij de beslissing op bezwaar van 16 juni 2004 heeft zij dit besluit gehandhaafd.

2.3.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat, samengevat weergegeven, de VVH zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoekers gestelde schade ten laste van verzoekers moet blijven omdat deze onder het normaal maatschappelijk risico valt, nu deze schade niet louter het gevolg is van aanpassing van het peil aan maaivelddaling, maar mede van verlaging van het peil vanwege drooglegging en voorts dat de VVH niet heeft kunnen volstaan met het vaststellen van de gevolgen van het peilbesluit van 1995, maar dat zij in het licht van artikel 40 van de Wwh zal moeten bezien of er aanleiding is schade te vergoeden die het cumulatieve effect is van het peilbesluit van 1995 in relatie tot eerdere peilbesluiten.

2.4.     Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft kunnen volstaan met het vaststellen van de gevolgen van enkel en alleen het peilbesluit van 1995, slaagt. Nu verzoekers op 25 juni 2001 expliciet hebben gevraagd om vergoeding van schade ten gevolge van het op 1 oktober 1996 in werking getreden peilbesluit van 1995, was de VVH slechts gehouden te beslissen over schade ten gevolge dat peilbesluit. De omvang van het geding in beroep was dan ook beperkt tot een beoordeling van de rechtmatigheid van het in bezwaar gehandhaafde besluit dat verzoekers niet in aanmerking komen voor vergoeding van schade die is geleden ten gevolge van het peilbesluit van 29 november 1995. De rechtbank heeft dat miskend.

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte uit paragraaf 4.3.2, in samenhang met bijlage 1, van het rapport van ingenieursbureau "Brouwer Civiele & Cultuurtechniek" (hierna: BCC), dat appellante bij de voorbereiding van het peilbesluit van 29 november 1995 heeft betrokken, heeft afgeleid dat met een verlaging van het peilniveau naar NAP -1,82m voor de polder Bergambacht 0,04m maaivelddaling wordt gecompenseerd en dat voor 0,02m sprake is van droogleggingsverbetering. Voor de berekening moet volgens appellante niet worden uitgegaan van het jaargemiddelde peil, maar van het winterpeil, zoals dat in het uit 1984 daterende peilbesluit was vastgesteld. Wordt van het winterpeil uitgegaan, dan is het verschil tussen het peil van 1984 en dat van 1996 slechts 0,04m, hetgeen overeenkomt met de ter plaatse gemeten maaivelddaling van 0,003m per jaar. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot de conclusie gekomen dat door het peilbesluit een droogleggingsverbetering van 0,02m plaatsvindt, aldus appellante.

2.5.1.    Dit betoog van appellante slaagt evenzeer. In het peilbesluit van 1984 is, blijkens voormeld rapport van BCC, vastgesteld een zomerpeil van NAP -1,73m en een winterpeil van NAP -1,78m. In het peilbesluit van 29 november 1995 is slechts één peil van NAP -1,82m vastgesteld (hierna: het schouwpeil). Daarbij is echter bepaald dat het college bij de handhaving van de in het peilbesluit aangegeven waterstand bevoegd is, ter verbetering van de waterkwaliteit, in de zomerperiode een peil van maximaal 0,05m hoger in te stellen dan het bij het besluit voor het polderdeel van Bergambacht vastgestelde schouwpeil. Naar appellante ter zitting heeft toegelicht hield het zomerpeil in de voorgaande peilbesluiten in dat het winterpeil gedurende de maanden mei tot en met augustus in het kader van de waterkwaliteit met enkele centimeters werd opgezet, teneinde te voorkomen dat het zuurstofpeil in het oppervlaktewater te sterk zou dalen, hetgeen ook met de in het peilbesluit van 29 november 1995 gehanteerde systematiek wordt beoogd. Desgevraagd heeft appellante ter zitting nader verklaard, dat het opzetten van het peil gedurende de zomermaanden nauwelijks tot geen invloed heeft op de grondwaterstand en daarom niet van betekenis is voor het al dan niet ontstaan of verergeren van schade aan funderingspalen onder woningen in het poldergebied.

   Gelet op de in het peilbesluit van 29 november 1995 gegeven bevoegdheid het schouwpeil in de zomermaanden met 0,05m op te zetten en de door appellante gegeven toelichting op de toepassing van die bevoegdheid, kan niet worden staande gehouden dat er een relevant verschil bestaat tussen de voorheen gehanteerde systematiek van een zomer- en winterpeil en de systematiek die wordt gebezigd in het peilbesluit van 29 november 1995. Dit betekent dat voor de berekening van het verschil tussen het in het peilbesluit van 1984 vastgelegde peilniveau en het peilniveau, zoals vastgelegd in het peilbesluit van 1995 moet worden uitgegaan van het winterpeil uit het besluit van 1984 en het schouwpeil uit het besluit van 1995 en niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, van het uit het peilbesluit van 1984 af te leiden jaargemiddelde peil enerzijds en het schouwpeil anderzijds.

2.5.2.    Uit het vorenoverwogene volgt dat het peilbesluit van 29 november 1995 een verlaging van het peil van NAP -1,78m naar NAP -1,82m, ofwel 0,04m inhoudt. Deze verlaging van het peil komt overeen met de door BCC gemeten maaivelddaling van 0,003m per jaar in de periode 1984-1996. De VVH heeft zich in het besluit van 18 juni 2003, zoals gehandhaafd bij het besluit van 16 juni 2004, dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de peilverlaging die volgt uit het peilbesluit van 29 november 1995 slechts een compensatie voor de natuurlijke maaivelddaling behelst en niet was gericht op droogleggingsverbetering. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling als volgt.

2.7.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 augustus 1996 in zaak no. G03.94.0105 (AB 1996, 434) behoort schade ten gevolge van peilaanpassingen die noodzakelijk zijn vanwege de natuurlijke daling van het maaiveld tot het normaal maatschappelijk risico. Gelet op het hiervoor overwogene behelst het peilbesluit van 29 november 1995 een zodanige peilaanpassing. De VVH heeft de schade die verzoekers stellen te hebben geleden vanwege dit peilbesluit dan ook terecht voor hun rekening gelaten, nu deze behoort tot het normaal maatschappelijk risico. Aan het betoog van verzoekers dat het onderzoek naar de schade aan hun woningen door de adviescommissie niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden komt de Afdeling dan ook niet meer toe.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2005, 04/2482;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005

47-362.