Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU6235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
200502091/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) aan [appellant a] meegedeeld dat de Beukerswijk geen openbare weg is en dat het verzoek om de Beukerswijk op de wegenlegger te plaatsen wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 242 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502091/1.

Datum uitspraak: 16 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/756 BESLU van de rechtbank Assen van 28 januari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) aan [appellant a] meegedeeld dat de Beukerswijk geen openbare weg is en dat het verzoek om de Beukerswijk op de wegenlegger te plaatsen wordt afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 maart 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2005, waar [appellant a] in persoon, bijgestaan door P. J. Woudstra, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door A. Middelveld en ing. A. Venema, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Het hoger beroep, voorzover ingesteld door [appellanten b]

2.1.    Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

De familie [appellanten a] heeft in bezwaar gesteld dat het bezwaarschrift van 21 mei 2004 is geschreven mede namens de familie [appellanten b] Omdat het in de bezwaarfase overgelegde schrijven van laatstgenoemde twee personen - naar ook de Afdeling heeft vastgesteld - geen verband houdt met het onderhavige geschil en niet als een machtiging kan worden beschouwd, zijn alleen [appellanten a] als indieners van het bezwaarschrift aangemerkt. Nu het besluit van 22 juli 2004 derhalve geen beslissing bevat op een door [appellanten b] ingediend bezwaar, konden zij, gelet op het bepaalde in de artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, daartegen geen beroep instellen. De rechtbank heeft hen dan ook ten onrechte in hun beroep ontvangen. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voorzover ingesteld door [appellanten b], alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Het hoger beroep, voorzover ingesteld door [appellanten a]

2.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:

I wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren voor het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren voor het inwerkingtreden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door

- voor zover hier van belang - een gemeente;

III wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet - voor zover hier van belang - lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, van de wet kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

2.3.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak (kort samengevat) geoordeeld dat het pad, aangeduid met de naam Beukerswijk, niet als openbare weg in de zin van de Wegenwet kan worden beschouwd en dat er daarom geen aanleiding bestond om het pad in een ontwerp van de legger op te nemen.

2.4.    [appellant a] betoogt met recht dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet door als uitgangspunt te nemen dat de periode van dertig jaren moet zijn aangevangen vóór 1 oktober 1932, de datum van inwerkingtreding van de Wegenwet. Uit de tekst van voormelde bepaling volgt dat een weg in beginsel openbaar is als deze na 1 oktober 1902 gedurende enige periode van dertig aaneengesloten jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. De periode van dertig jaren kan derhalve beginnen in elk jaar na 1 oktober 1902 en hoeft, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet te zijn gelegen danwel begonnen vóór 1 oktober 1932. Het vorenstaande leidt er evenwel niet toe dat het hiervoor onder 2.3. weergegeven oordeel van de rechtbank niet in stand blijft. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.5.    Voorop staat dat het pad niet voorkomt op de wegenlegger zoals vastgesteld in 1955 en evenmin op de in 1988 herziene - maar formeel (nog) niet vastgestelde - legger, zodat geen sprake is van een openbare weg op grond van artikel 49 van de Wegenwet. Voor het standpunt dat het pad openbaar is, beroept [appellant a] zich op artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet. Op hem rust dan ook de bewijslast om zijn stelling aannemelijk te maken dat, ondanks dat het pad door het college nimmer als openbare weg is beschouwd en niet op de wegenlegger is vermeld, de weg openbaar is geworden doordat zij gedurende dertig aaneengesloten jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. De Afdeling is van oordeel dat [appellant a] hierin niet is geslaagd, waarbij zij uitgaat van haar hiervoor onder 2.4. weergegeven uitleg van artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet.

   Evenals het college acht de Afdeling onvoldoende de verklaringen van diverse (oudere) inwoners van Hollandscheveld, waarin kort gezegd wordt aangeven dat zolang zij zich kunnen herinneren het pad altijd voor iedereen toegankelijk is geweest. Deze verklaringen zijn zodanig algemeen en globaal - in verschillende verklaringen ontbreken ook jaartallen en/of geboortedata - dat op basis daarvan niet een onafgebroken periode van dertig jaren kan worden geduid waarin het pad voor een ieder vrij toegankelijk zou zijn geweest. Daar komt bij dat het college een beroep heeft gedaan op een verklaring van de [getuige 1] - sinds enige jaren eigenaar van het grootste deel van het pad dat al zeer lang in familiebezit zou zijn - die heeft aangegeven dat het pad niet vrij toegankelijk was en dat ook thans niet is en dat er de afgelopen jaren bebording met 'eigen weg' heeft gestaan. Deze verklaring wordt volgens het college ondersteund door een verklaring van [getuige 2], voorheen belast met de postbezorging in het Hollanscheveld en thans wethouder in de gemeente Hoogeveen, die zich uit eigen waarneming de aanwezigheid van bordjes kan herinneren. Aldus is met name het ontstaan van openbaarheid in het recente verleden niet zonder enige grond betwist.

   Voor het aantonen van de openbaarheid van het pad is voorts terecht onvoldoende bevonden het door [appellant a] overgelegde (historische) kaartmateriaal waaruit zou blijken dat het pad reeds gedurende eeuwen deel uit zou maken van de infrastructuur ter plaatse. De Afdeling is met het college van oordeel dat aan deze kaarten, waarop het pad slechts staat vermeld als naamloze streep, niet de conclusies kunnen worden verbonden die [appellant a] daaraan verbonden wenst te zien. Dat geldt ook voor de in hoger beroep overgelegde verklaring van een plaatselijk geschiedkundige.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de beschikbare gegevens niet aantonen dat het pad openbaar is geworden op een wijze als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder I, van de Wegenwet. Overigens kan worden betwijfeld, zo al zou moeten worden aangenomen dat sprake is (geweest) van toegankelijkheid van het pad gedurende een periode van dertig aaneengesloten jaren, of wel sprake is van een weg in de zin van de Wegenwet. Het pad lijkt veeleer een toegangsweg voor een beperkt aantal aanliggende percelen waaraan geen algemene verkeersfunctie toekomt.

2.6.    Ook overigens is niet gebleken dat het pad anderszins openbaar is geworden. Van een zodanige bestemming door de rechthebbende als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder III, van de Wegenwet is geen sprake, reeds omdat niet is voldaan aan de daartoe in artikel 5 van die wet gestelde eisen.

2.7.    Gelet op het vorengaande is het hoger beroep van [appellanten a] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voorzover daarbij het beroep van [appellanten a] ongegrond is verklaard, te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 januari 2005,     no. 04/756 BESLU, voorzover [appellanten b] in hun beroep zijn ontvangen;

II    verklaart het door [appellanten b] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk;

III    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voorzover daarbij het beroep     van [appellanten a] ongegrond is verklaard.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005

369.