Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
09-11-2005
Zaaknummer
200502469/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2003/22834, een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan [appellante] voor het ontgronden van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (hierna: de vergunning).

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/116 met annotatie van H.J. de Vries
M en R 2006, 9 met annotatie van J.H. Jans
Gst. 2006, 92 met annotatie van J. Meulman
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4004 met annotatie van Redactie
Milieurecht Totaal 2005/3995
JB 2006/13
JM 2006/54
JOM 2006/1331
OGR-Updates.nl 1001062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502469/1.

Datum uitspraak: 9 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 8 februari 2005, kenmerk 2003/22834, een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan [appellante] voor het ontgronden van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […] (hierna: de vergunning).

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van zowel appellante als verweerder. Deze zijn aan de andere partij verzonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], medewerker van appellante en mr. drs. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht en verweerder, vertegenwoordigd door R.W.P. van Tol en drs. R.H.J. Pepels, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Het standpunt van appellante

2.2.    Appellante voert in beroep aan dat voorschrift 4.7. van de vergunning haar ten onrechte ertoe verplicht bij de exploitatie en het opstellen van haar plannen Noord- en Midden-Limburg als afzetgebied te respecteren en haar verbiedt zonder nadere toestemming van verweerder te leveren aan haar afnemer in Bracht (Duitsland). Zij stelt dat verweerder haar in afwijking van zijn beleid in eerder verleende vergunningen wel toestond om ook te leveren aan haar afnemer in Bracht (Dld) en dat verweerder een dergelijk voorschrift niet aan andere vergunninghouders heeft opgelegd. Appellante acht het voorschrift tevens in strijd met artikel 29 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG).

Het standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het in strijd is met het provinciale beleid, indien Bracht (Dld) in het vergunningsvoorschrift als afzetlocatie wordt opgenomen. Volgens het Grondstoffenplan Limburg van 2 maart 1999 (hierna: GPL) dient de maasklei uit het te ontgronden gebied zo hoogwaardig mogelijk te worden toegepast en, in overeenstemming met het Structuurschema oppervlaktedelfstoffen, alleen voor de eigen, provinciale behoefte te worden gebruikt. Omdat het bij eerdere aanvragen slechts om kleine exporthoeveelheden ging, is appellante, aldus verweerder, in eerdere ontgrondingsvergunningen wel toestemming verleend voor de uitvoer van maasklei naar Bracht (Dld).

De vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    De vergunning maakt het mogelijk dat binnen het op de kaart aangegeven gebied 122.000 m³ specie wordt afgegraven waarvan 89.000 m³ bestaat uit maasklei. Een gedeelte hiervan wenst appellante uit te voeren naar haar afnemer in Bracht (Dld).

2.4.2.    Voorschrift 4.7. van de vergunning luidt: 'De houder van de vergunning dient bij de exploitatie en het opstellen van de plannen het op grond van het vigerende beleid, zoals in de considerans omschreven, beoogde afzetgebied te respecteren, zijnde Noord- en Midden-Limburg.

De afvoer naar een ander afzetgebied is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van de provincie. Aan deze goedkeuring kunnen voorwaarden worden verbonden.'

2.4.3.    Ingevolge artikel 3, tweede en derde lid, onder h, van de Ontgrondingenwet kan aan een vergunning het voorschrift worden verbonden dat bij het voorschrift aangegeven vaste stoffen voor geen andere bestemming mogen worden afgevoerd dan voor die welke bij het voorschrift is omschreven. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1993-1994, 23 568, nr. 3, p. 43) wordt onder het begrip 'bestemming' naast het doel waarvoor de gronden worden afgeleverd ook een bepaald werk of een bepaald gebied waar de gronden worden afgezet, verstaan. Op die manier kan, aldus de MvT, beter worden beheerst dat de "vergunde" hoeveelheid delfstof wordt aangewend voor het doel dat de vergunningverlener voor ogen stond bij het afgeven van de vergunning. Wel wordt in de MvT opgemerkt dat er bij het stellen van zodanig voorschrift voor moet worden gewaakt dat dit niet in strijd komt met het EG-recht.

2.4.4.    Het provinciale ontgrondingenbeleid voor de winning van maasklei, uitgewerkt in het GPL, is gericht op een duurzaam en zuinig voorraadbeheer van maasklei, omdat daarvoor geen secundaire alternatieven bestaan, vanwege de kwaliteitseisen die de kleiverwerkende fabrieken in Limburg aan deze delfstof stellen. De grofkeramische industrie kan maasklei alleen verwerken in combinatie met andere hoogwaardige kleisoorten. De winning van maasklei kan in die zin, aldus het GPL, niet los worden gezien van de winning van andere kleisoorten in Limburg en de import vanuit Duitsland van hoogwaardige kleisoorten. Grootschalige export van maasklei ligt daarom niet in de rede.

              Indien uit gegevens betreffende de afvoer van delfstoffen blijkt dat stelselmatig de afstemming tussen vraag en aanbod in ruimtelijke zin verloren gaat, staat het provinciale beleid toe dat verweerder door het stellen van een nader voorschrift in de ontgrondingsvergunning deze afstemming probeert te herstellen. Dit kan, aldus het GPL, bijvoorbeeld het geval zijn indien een onevenredige export van oppervlaktedelfstoffen optreedt, waardoor niet meer in de eigen behoefte kan worden voorzien.

2.5.    Artikel 29 EG verbiedt kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten. Ingevolge artikel 30 EG vormt, voor zover van toepassing, artikel 29 EG geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Voor zover het provinciale beleid toestaat dat verweerder in een ontgrondingsvergunning een voorschrift opneemt als het bestreden voorschrift 4.7. waarin de afzet van maasklei naar een EG lidstaat afhankelijk wordt gesteld van toestemming van verweerder, ziet dit beleid op het tot stand brengen van een kwantitatieve uitvoerbeperking als bedoeld in artikel 29 EG.

              Vast is komen te staan dat dit beleid erop is gericht enerzijds de regionale markt en de daarvan afhankelijke werkgelegenheid te beschermen en anderzijds te garanderen dat specifieke klei ter beschikking blijft voor de Limburgse keramische industrie. Mitsdien betreft dit beleid uitsluitend de bescherming van economische belangen. Bescherming van dergelijke belangen vormt evenwel geen rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 30 EG.

Het beleid is mitsdien in zoverre in strijd met artikel 29 EG, zodat verweerder dit niet ten grondslag had mogen leggen aan zijn besluit.

              Het beroep van appellante, gericht tegen dit besluit voorzover het betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.7. is derhalve reeds hierom gegrond. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van appellante geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 februari 2005, kenmerk 2003/22834, voor wat betreft het aan de bij dit besluit verleende vergunning verbonden voorschrift 4.7.

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 672,27 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en zevenentwintig cent), waarvan een bedrag groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van gedeputeerde staten van Limburg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdenzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2005

291-482