Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
200507634/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windpark, op het perceel omsloten door de Zilverbekendijk, Boterdijk, Goorstegendijk en Paaldijk te Aalten, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 21 juli 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507634/2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windpark, op het perceel omsloten door de Zilverbekendijk, Boterdijk, Goorstegendijk en Paaldijk te Aalten, kadastraal bekend gemeente Aalten, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 21 juli 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 31 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 oktober 2005, waar verzoekers, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door mr. Th.H.W. Juta, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Tuenter en H.V. Roebers, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers hebben de grond inzake piekgeluiden ter zitting ingetrokken.

2.3.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.4.    Vergunninghoudster betoogt dat het verzoek wat de gronden inzake de gestelde onduidelijkheid over de gehanteerde en te hanteren meetmethode uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding), en inzake de verhoging van het totale geluidniveau met 3 dB indien het vanwege de inrichting veroorzaakte geluidniveau met het referentieniveau van het omgevingsgeluid overeenkomt, dient te worden afgewezen, omdat verwacht dient te worden dat het beroep door de Afdeling in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.4.1.    De Voorzitter overweegt dat de in beroep ingebrachte gronden hun grondslag moeten vinden in de door verzoekers tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. De Voorzitter ziet voorshands aanleiding voor het oordeel dat de in beroep aangevoerde gronden inzake de gestelde onduidelijkheid over de gehanteerde en te hanteren meetmethode uit de Handleiding, en inzake de verhoging van het totale geluidniveau met 3 dB geen grondslag vinden in de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. De Voorzitter gaat er vooralsnog vanuit dat de Afdeling het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. In zoverre bestaat er aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.5.    Verzoekers kunnen zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.1.1, waarin voor de daar genoemde woningen of immissiepunten op 5 meter boven maaiveld grenswaarden zijn gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) bij een windsnelheid tot 4 meter per seconde op 10 meter hoogte boven maaiveld.

   Verzoekers betogen dat de geluidgrenswaarden, nu is aangesloten bij de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) aanbevolen richtwaarden voor landelijk gebied, ten onrechte zijn gesteld in langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) in plaats van equivalent geluidniveau (LAeq).

2.5.1.    Verweerder heeft ter zitting betoogd dat de grenswaarden zijn gesteld in langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) opdat kan worden aangesloten bij de windnormcurve WNC-40 (hierna: de WNC-40) waarin geluidwaarden in langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) zijn weergegeven.

2.5.2.    De Voorzitter begrijpt het betoog van verzoekers aldus dat verzoekers vrezen dat de geluidgrenswaarden gesteld in voorschrift 6.1.1 ontoereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Bij het opstellen van de geluidgrenswaarden van voorschrift 6.1.1 heeft verweerder aansluiting gezocht bij de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden voor het equivalente geluidniveau (LAeq) voor een landelijke omgeving, met dien verstande dat hij de geluidgrenswaarden heeft uitgedrukt in langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT). In hetgeen verzoekers hebben betoogd ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aldus resulterende geluidgrenswaarden van voorschrift 6.1.1 toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. In zoverre bestaat geen aanleiding het verzoek in te willigen.

2.6.    Verzoekers kunnen zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 6.1.2, waarin, in afwijking van voorschrift 6.1.1, grenswaarden zijn gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) voor de in voorschrift 6.1.1 genoemde immissiepunten op 5 meter boven maaiveld, bij een windsnelheid groter dan of gelijk aan 4 meter per seconde gemeten op een hoogte van 10 meter boven maaiveld.

   Verzoekers stellen dat ten onrechte een waarde is gesteld van 47 dB(A) bij een windsnelheid van 10 meter per seconde, omdat hen niet is gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid op 5 meter boven maaiveld, bij een windsnelheid van 10 m/s op 10 meter hoogte boven maaiveld, meer dan 47 dB(A) bedraagt. Verzoekers stellen dat bovendien niet is gebleken dat bij de metingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van het achtergrondgeluidniveau is uitgegaan van het L95 van het omgevingsgeluid.

2.6.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder de voornoemde waarde heeft gebaseerd op de WNC-40. Op grond van de stukken, waaronder het akoestisch rapport van Lichtveld Buis & Partners B.V. van 29 oktober 2003, acht de Voorzitter het aannemelijk dat, voorzover hier van belang, bij een windsnelheid van 10 meter per seconde, gemeten op een hoogte van 10 meter boven maaiveld, het L95 en daarmee het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de onderhavige inrichting hoger is dan de betrokken waarde van de WNC-40. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift 6.1.2 bij een windsnelheid van 10 meter per seconde gestelde geluidgrenswaarde van 47 dB(A) toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Het verzoek dient in zoverre te worden afgewezen.

2.7.    Verzoekers betogen dat in de aanvraag om vergunning ten onrechte is uitgegaan van het bronvermogen bij een bepaalde windsnelheid op een hoogte van 10 meter. Zij stellen dat, vanwege de aanwezigheid van obstakels op 10 meter hoogte, had moeten worden uitgegaan van het bronvermogen bij een bepaalde windsnelheid op ashoogte of binnen het wiekenbereik van 60 tot 140 meter hoogte.

2.7.1.    Nu onder meer in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 wordt uitgegaan van de windsnelheid op een hoogte van 10 meter, is verweerder bij het bepalen van de geluidbelasting vanwege de inrichting naar het oordeel van de Voorzitter op goede gronden uitgegaan van het bronvermogen als functie van de windsnelheid op 10 meter hoogte. Het verzoek dient derhalve in zoverre te worden afgewezen.

2.8.     Verzoekers betogen dat de geluidcontouren op onjuiste wijze zijn vastgesteld omdat onvoldoende rekening is gehouden met de invloed van de overheersende zuidwestenwind op de vanwege de inrichting optredende geluidniveaus.

2.8.1.    Blijkens de stukken zijn de metingen van de geluidbelasting vanwege de inrichting aan de hand waarvan de geluidcontouren zijn vastgesteld, uitgevoerd bij de windsnelheid waarbij het effect van het windturbinegeluid op de omgeving het grootst is en bevinden de meetpunten zich aan alle zijden van de inrichting. Bij het uitvoeren van de metingen is de Handleiding gehanteerd. In de Handleiding zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van metingen bij verschillende windsnelheden. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om te oordelen dat de resultaten van de metingen van de geluidbelasting vanwege de inrichting aan de hand waarvan de geluidcontouren zijn vastgesteld, niet juist zouden zijn. Voor het toewijzen van het verzoek ziet de Voorzitter derhalve in zoverre geen aanleiding.

2.9.    Verzoekers vrezen hinder vanwege lichtreflectie van de wieken. Zij betogen in dit verband dat ten onrechte ter voorkoming dan wel beperking van lichtreflectie geen doelvoorschrift aan de vergunning is verbonden. Voorschrift 3.1.7, waarin is bepaald dat de windturbines een lichtgrijze kleur dienen te hebben en dat lichtabsorberende materialen of coatings dienen te worden toegepast, is volgens verzoekers onvoldoende handhaafbaar. Verder voeren verzoekers aan dat voorschrift 3.1.7 tegenstrijdig kan zijn met de vergunningaanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, nu in de aanvraag is vermeld dat ervoor is gekozen niet af te wijken van de standaardkleur zoals die door de leverancier van de windturbines wordt aangeboden.

2.9.1.    Uit de aanvraag blijkt dat de standaardkleur van de windturbines RAL 7035 (lichtgrijs) is. De Voorzitter ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat het bepaalde in voorschrift 3.1.7 tegenstrijdigheid oplevert met het gestelde in de aanvraag. Het is de Voorzitter ook overigens niet aannemelijk geworden dat voorschrift 3.1.7 onvoldoende duidelijk zou zijn, waardoor het niet handhaafbaar zou zijn. De Voorzitter is verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 3.1.7 toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van lichtreflectie. De Voorzitter ziet in zoverre derhalve geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.10.    Verzoekers vrezen hinder vanwege slagschaduw dan wel lichtwisselingen. Zij betogen in dit verband dat ook een passeerfrequentie van minder dan 0,95 Hz hinderlijk is. De gehanteerde grens van maximaal 5 uur slagschaduw per jaar is volgens verzoekers te ruim gesteld.

2.10.1.    In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.1 is bepaald dat de slagschaduwfrequentie van een windturbine niet groter mag zijn dan 0,95 Hz. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.3 is bepaald dat de windturbine moet zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine uitschakelt, voorzover er meer dan 5 uur per jaar slagschaduw kan optreden bij de in het voorschrift genoemde locaties. Verweerder betoogt dat, gelet op onder meer de jurisprudentie van de Afdeling en het bepaalde in het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer, bij passeerfrequenties van de slagschaduw onder 2,5 Hz en boven 14 Hz nagenoeg geen nadelige effecten optreden, alsmede dat een slagschaduwduur van maximaal 21 uren per jaar en gemiddeld 5,7 uren per jaar aanvaardbaar is. Nu de passeerfrequentie aanzienlijk lager is dan 2,5 Hz en de automatische stilstandvoorziening de windturbinde moet uitschakelen bij overschrijding van een tijdsduur van 5 uren per jaar, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van slagschaduwhinder. Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding om in zoverre tot toewijzing van het verzoek over te gaan.

2.11.    Verzoekers betogen dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.4 niet toereikend is ter voorkoming dan wel beperking van schade aan de flora en fauna vanwege de inrichting.

2.11.1.    De Voorzitter overweegt dat de gestelde vrees voor schade aan flora en fauna vanwege de vergunde activiteiten primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en, zo ja, of deze kan worden verleend. Daarnaast blijft, in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer, ruimte voor een aanvullende toets. Ingevolge voorschrift 1.1.4 mag het windpark niet worden gerealiseerd en mag groot onderhoud niet plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels. De Voorzitter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige schade aan de flora en fauna voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Voor het toewijzen van het verzoek ziet de Voorzitter derhalve ook in zoverre geen aanleiding.

2.12.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Kuipers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005

271-415.