Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
200504360/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) in verband met een arbeidsongeval op een bouwlocatie te Nieuw-Vennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504360/1.

Datum uitspraak: 2 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Euroblok B.V.", gevestigd te Schoonhoven,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/5422 van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 april 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) in verband met een arbeidsongeval op een bouwlocatie te Nieuw-Vennep.

Bij besluit van 14 november 2003 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en een lagere boete opgelegd.

Bij uitspraak van 4 april 2005, verzonden op 7 april 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 11 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2005 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [haar directeur], en mr. W. Hendrickx, advocaat te Schoonhoven, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.E. van Heijningen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in geschil is dat het in de regelgeving opgenomen veiligheidvoorschrift niet is nageleefd en dat daarmee sprake is van een beboetbaar feit zoals bedoeld in artikel 33 van de Arbowet. Daartoe voert appellante aan dat zij niet heeft gehandeld in strijd met enig voorschrift en dus niet beboet kon worden.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Vaststaat dat een werknemer van appellante is getroffen door de giek van de elementenstelmachine die onbedoeld naar beneden kwam nadat de borgpen was verwijderd zonder dat de vereiste voorzieningen waren getroffen om die te verwijderen, waardoor deze werknemer gewond is geraakt. Aldus is het gevaar te worden getroffen door een ongewild in beweging komend of vrijkomend voorwerp niet voorkomen of zoveel mogelijk beperkt, waarmee het in de regelgeving opgenomen veiligheidvoorschrift van artikel 7.4, vierde lid, in samenhang met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit), niet is nageleefd. Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, van het Arbobesluit wordt dit aangemerkt als een beboetbaar feit terzake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie.

2.2.    Appellante bestrijdt verder het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verwijtbaarheid. Appellante stelt zich op het standpunt dat haar niets te verwijten valt, aangezien - samengevat weergegeven - de desbetreffende werknemer wist hoe hij met de machine moest omgaan maar in strijd handelde met de veiligheidsvoorschriften. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de desbetreffende werknemer uitvoerder was en als zodanig feitelijk toezichthouder onder wiens verantwoordelijkheid de veiligheid op de werkplek viel. De door de rechtbank genoemde uitspraak van de Afdeling is volgens appellante niet van toepassing nu het in die zaak niet over een uitvoerder maar over een gewone werknemer ging. Ten slotte betoogt appellante in dit verband dat namens haar voldoende toezicht op de bouwplaats is gehouden.

2.2.1.    Wat betreft de verwijzing van de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 in zaak no. 200403288/1 faalt het betoog van appellante, nu de rechtbank slechts naar deze uitspraak heeft verwezen in verband met de verdeling van de bewijslast. In navolging van de uitspraak van de Afdeling heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het aan appellante als werkgever is om aannemelijk te maken dat haar terzake van de overtreding geen verwijt valt te maken.

   Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de Arbowet is appellante als werkgever verplicht toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico's zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, alsmede op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is geweest van daadwerkelijk toezicht op de werkzaamheden van de desbetreffende werknemer, zodat van toezicht in de zin van de wet (artikel 8, vierde lid, van de Arbowet) geen sprake is geweest. Blijkens de stukken heeft appellante de desbetreffende werknemer, die uitvoerder is, geïnstrueerd over de werking van de machine en was deze werknemer instructeur voor het gebruik van deze machine. Tevens was deze werknemer voor appellante toezichthouder in het bedrijf. In bezwaar heeft appellante gesteld dat het in de praktijk onmogelijk is om naast de uitvoerder een persoonlijk toezichthouder te plaatsen maar dat zij wel regelmatig toezicht houdt op de uitvoering van zijn werkzaamheden en op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. De Afdeling stelt vast dat appellante noch in haar bezwaarschrift noch in de hoorzitting op 20 februari 2003 heeft aangegeven waaruit dit toezicht bestond. Bij brief van 24 februari 2003 is namens de staatssecretaris expliciet aan appellante gevraagd hoe het toezicht op de desbetreffende werknemer binnen het bedrijf is geregeld. Hierop is van de kant van appellante bij brief van 15 mei 2003 geantwoord dat de desbetreffende werknemer geheel onafhankelijk werkte aangezien hij de hoogst verantwoordelijke was die op de bouwplaatsen kwam, dat de instructies over het gebruik van de machine hem zowel mondeling als schriftelijk waren meegedeeld en dat wekelijks een bespreking met hem plaatsvond waarbij allerlei onderwerpen aan de orde kwamen, zoals voortgang, kwaliteit en veiligheid. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hieruit niet valt af te leiden dat van daadwerkelijk toezicht op de werkzaamheden van de desbetreffende werknemer sprake is geweest en zo ja, hoe. Ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar heeft de staatssecretaris dan ook niet kunnen vaststellen of sprake was van daadwerkelijk toezicht op de werkzaamheden van de desbetreffende werknemer en dus evenmin hoe dit toezicht, indien het al plaatsvond, door appellante was geregeld. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat appellante erop heeft toegezien dat de veiligheidsvoorschriften daadwerkelijk werden nageleefd. Ter zitting bij de rechtbank en in hoger beroep heeft appellante benadrukt dat de desbetreffende werknemer onafhankelijk werkte. De Afdeling deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat van toezicht door appellante in de zin van artikel 8, vierde lid, van de Arbowet op de desbetreffende werknemer onvoldoende is gebleken. Het betoog faalt.

2.2.2.    Het betoog van appellante dat de rechtbank artikel 11 van de Arbowet ten onrechte niet bij haar beoordeling heeft betrokken, faalt, aangezien bij de rechtbank uitsluitend de aan appellante opgelegde boete in verband met het niet naleven van het tot haar gerichte veiligheidvoorschrift van artikel 7.4, vierde lid, in samenhang met artikel 3.17 van het Arbobesluit ter beoordeling voorlag. Anders dan appellante lijkt te betogen heeft de omstandigheid dat de desbetreffende werknemer wist hoe hij met de machine moest omgaan maar desondanks tegen de instructies in de borgpen verwijderde, wel een rol gespeeld bij de besluitvorming door de staatssecretaris en bij het oordeel van de rechtbank. De staatssecretaris heeft bij het besluit van 14 november 2003 de boete gematigd onder meer in verband met de medeschuld van de desbetreffende werknemer. De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat de werknemer naar eigen verklaring zelf schuld droeg aan het ongeval er niet aan afdoet dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat haar niet ook enig verwijt trof. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat de desbetreffende werknemer verwijtbaar heeft gehandeld, niet wegneemt dat, zoals hiervoor is overwogen, ook appellante terzake van de overtreding een verwijt valt te maken.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005

204-440.