Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
200503220/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellante geweigerd Kempen Airport op de bewegwijzering langs de A2 bij afrit 37 naar Budel te vermelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503220/1.

Datum uitspraak: 2 november 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Luchtvaartterrein Budel B.V.", tevens h.o.d.n. Kempen Airport, gevestigd te Budel,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1478 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 maart 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellante geweigerd Kempen Airport op de bewegwijzering langs de A2 bij afrit 37 naar Budel te vermelden.

Bij besluit van 16 april 2004 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2005, verzonden op 4 maart 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen 10 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. R. Oorthuizen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Olivier, werkzaam bij de directie Noord-Brabant van Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden verkeerstekens en onderborden, die niet worden geplaatst of verwijderd krachtens een verkeersbesluit, geplaatst of verwijderd door de zorg van het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de zorg van de eigenaar van de weg.

2.2.    De rijksweg A2 wordt namens de Minister beheerd.

2.3.    De Minister voert ten aanzien van de vermelding van vliegvelden op de bewegwijzering beleid. Dit is neergelegd in paragraaf 6.2 van het van de Richtlijnen Bewegwijzering deel uit makende aanduidingsbeleid met betrekking tot specifieke doelen.

   Volgens dat beleid wordt een vliegveld op de bewegwijzering langs de autosnelweg vermeld, indien via dat vliegveld jaarlijks minimaal 150.000 bezoekers en/of 10.000 ton vracht worden vervoerd. Indien de plaatsnaam, waarmee het vliegveld door minimaal 85% van de bezoekers wordt geassocieerd, is vermeld op de bewegwijzering, blijft vermelding van het vliegveld achterwege, zolang men de verwijzing naar de desbetreffende plaats kan blijven volgen. Vanaf het punt, waar de verwijzing naar die plaats niet meer kan worden gevolgd, wordt een vermelding van het vliegveld aangebracht.

Een lager percentage dan 85 dient door de aanvrager te worden aangetoond op basis van een enquête door een erkend en onafhankelijk onderzoeksbureau.

   Vermelding van een vliegveld van een kleinere omvang dat minder verkeer aantrekt wordt volgens het gevoerde beleid overwogen, indien aangetoond kan worden dat 15% van de bezoekende weggebruikers via een bepaalde route problemen hebben bij het vinden van de juiste afrit of zijweg. Voor autosnelwegen wordt een minimum aantal van 50 per etmaal en per specifiek punt aangehouden. Dit aantal dient door de aanvrager te worden aangetoond op basis van een enquête door een erkend en onafhankelijk onderzoeksbureau, aldus het gevoerde beleid.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat niet minimaal 85% van de bezoekers het vliegveld associëren met de plaats Budel die op de bewegwijzering voor de desbetreffende afrit is vermeld en voorts dat ten minste 15% van de bezoekers problemen hebben bij het vinden van die afrit.

2.5.    Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat niet aan het volgens het gevoerde beleid voor vermelding vereiste minimum aantal vervoerde passagiers, dan wel minimum hoeveelheid vervoerde vracht wordt voldaan. Aan de omstandigheid dat het vliegveld, naar appellante stelt, niet door minimaal 85% van de bezoekers met de bij de desbetreffende afrit vermelde plaats Budel wordt geassocieerd komt niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien, aangezien niet wordt voldaan aan het voor vermelding als vereiste gestelde minimum aantal te vervoeren passagiers, dan wel minimum hoeveelheid te vervoeren vracht.    

   Volgens het gevoerde beleid wordt vermelding van een vliegveld van een kleinere omvang, zoals Kempen Airport, overwogen, indien aangetoond kan worden dat relatief veel bezoekers problemen hebben bij het vinden van de juiste afrit. Nu echter niet op basis van een enquête door een erkend en onafhankelijk onderzoeksbureau is aangetoond dat relatief veel bezoekers problemen hebben bij het vinden van de juiste afrit, kan appellante aan het gevoerde beleid geen aanspraak op vermelding ontlenen.    

2.6.    Voorts betoogt appellante dat de rechtbank bij de beoordeling van haar klacht dat de Minister het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden ten onrechte slechts die luchthavens heeft betrokken die, evenals Kempen Airport, tot de "derde categorie" behoren. Ten slotte betoogt appellante dat de rechtbank, door te overwegen dat de Minister zich op het standpunt mocht stellen dat appellante aan de omstandigheid dat de luchthaven Lelystad wel wordt vermeld geen aanspraak op inwilliging van haar verzoek kan ontlenen, omdat die vermelding op een vergissing berust, heeft miskend dat de Minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het daarbij werkelijk om een vergissing gaat.

2.7.    Dit betoog faalt evenzeer.

   Ten aanzien van vliegveld Lelystad heeft de Minister verklaard dat de vermelding daarvan op de desbetreffende bewegwijzering niet strookt met het gevoerde beleid en op een vergissing berust. In hetgeen appellante heeft gesteld is geen aanleiding te vinden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Minister niet gehouden is om in verband daarmee in weerwil van het gevoerde beleid aan het verzoek van appellante tegemoet te komen.

   Ook in hoger beroep is niet gebleken dat de Minister in afwijking van het beleid vliegvelden die vergelijkbaar zijn met Kempen Airport op de bewegwijzering op de autosnelweg vermeldt. Voorzover kleinere vliegvelden wel worden vermeld, hetgeen bij de vliegvelden Terlet, Seppe, Groningen Airport Eelde en Twente het geval is, is dat omdat die vliegvelden, anders dan Kempen Airport, door hun bezoekers niet met een plaatsnaam worden geassocieerd, dan wel omdat de plaats, waarmee het desbetreffende vliegveld wordt geassocieerd, via verschillende afritten kan worden bereikt.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Zwemstra

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005

91-450.