Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
200505491/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2004 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand (Augustapolder)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505491/2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2004 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand (Augustapolder)" vastgesteld.

Bij besluit van 3 mei 2005, kenmerk 1033291/1097015, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 27 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juli 2005.

Bij brief van 27 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2005, waar verzoekers, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. P. Elion, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Bergen op Zoom, vertegenwoordigd door mr. N. Peers, ing. L.A.M. Baalen en D.M. van de Graaf, allen ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op het geding van toepassing blijft.

2.3.    Het plan beoogt ter plaatse van de zuidelijke stadsrand van Bergen op Zoom (de Augustapolder) de ontwikkeling van een stadsuitbreidingslocatie voor de bouw van maximaal 1.600 woningen mogelijk te maken en de overgang van stad naar land vorm te geven.

2.4.    Verzoekers stellen dat het bestreden besluit, voor zover daarmee goedkeuring is verleend aan het plan, ten onrechte is genomen en verzoeken primair schorsing hiervan. Subsidiair verzoeken zij het goedkeuringsbesluit, voor zover dat ziet op de deelgebieden V, VI, VII en VIII, te schorsen.

   Zij voeren daartoe onder meer aan dat de gevolgen van het plan voor de nabijgelegen speciale beschermingszone Oosterschelde en Markiezaatsmeer onvoldoende zijn bezien.

2.5.    De gemeenteraad stelt zich onder meer op het standpunt dat het spoedeisende belang om een voorlopige voorziening te treffen ontbreekt.

2.6.    Verweerder heeft het plan, voor zover hier van belang, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Wat betreft de gevolgen van het plan voor de speciale beschermingszone Oosterschelde en Markiezaatsmeer stelt hij zich op het standpunt dat deze voldoende zijn bezien en dat zich op dit punt geen nadelige invloed zal voordoen.

2.7.    Om tot een ontvankelijk beroep te kunnen komen dienen de door verzoekers ingediende beroepsgronden als zienswijze bij de gemeenteraad te zijn ingebracht. In hun zienswijze hebben verzoekers zich beperkt tot de plandelen die zien op de deelgebieden VII en VIII. De Voorzitter verwacht dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van verzoekers alleen voor zover het betreft deze beide deelgebieden ontvankelijk zal achten. Voor zover het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op andere delen van het plan ziet, dient dit derhalve te worden afgewezen.

2.8.    Ter plaatse van deelgebied VII is ingevolge artikel 10, leden 3.2.A. tot en met 3.2.C., van de planvoorschriften voorzien in verwezenlijking van vier terpen met ten minste twintig woningen per terp. Ter zitting is gebleken dat de werkzaamheden ter plaatse van dit deelgebied als eerste voorzien in natuurontwikkeling. Grondwerkzaamheden zullen niet eerder plaatsvinden dan in het derde kwartaal van 2006. Bebouwing van dit deelgebied zal nog later plaatsvinden. Niet is gebleken dat de voor de aanleg van dit deelgebied en de bebouwing daarvan benodigde vergunningen zijn aangevraagd dan wel dat deze op korte termijn aangevraagd zullen worden. De Voorzitter verwacht dat de Afdeling in de bodemprocedure in dat verband tijdig een uitspraak op het beroep van verzoekers zal doen. Gezien deze omstandigheden is met het verzoek op dit punt thans geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek dient, voor zover dit ziet op deelgebied VII, te worden afgewezen.

2.9.    Ter plaatse van deelgebied VIII is ingevolge artikel 10, lid 3.3.A., van de planvoorschriften voorzien in een gebied ten behoeve van de huisvesting van kermisexploitanten. Op deze gronden mogen ingevolge artikel 10, lid 3.3.B., van de planvoorschriften onder meer vrijstaande woningen en aaneengesloten bedrijfsgebouwen worden gebouwd. Indicatief is hier een aantal van twintig woningen voorzien.

2.9.1.    Ingevolge artikel 7 van de richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

2.9.2.    Bij zijn arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02 (AB 2004, 365) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat, wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

2.9.3.    Gelet op het arrest van het Hof moet een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, worden beschouwd als een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor het betrokken gebied wanneer het de instandhoudingsdoelstellingen daarvan in gevaar dreigt te brengen.

   Uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, volgt dat behoudens de omstandigheid dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone, verweerder deze activiteit aan een passende beoordeling moet onderwerpen.

   Uit het arrest van het Hof volgt voorts dat verweerder op basis van de resultaten van de passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor de speciale beschermingszone, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, het plan slechts kan goedkeuren, behoudens het bepaalde in artikel 6, vierde lid van de Habitatrichtlijn, nadat hij de zekerheid heeft verkregen dat het plan geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.

2.9.4.    Bij besluit van 28 november 1989, no. J. 897372, van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) is het gebied bestaande uit de Oosterschelde, de langs de Oosterschelde gelegen binnendijkse gebieden alsmede het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen op Zoom, bekend onder de naam Markiezaatsmeer, aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

2.9.5.    Deelgebied VIII is op een afstand van enkele honderden meters van de grens van de in 2.9.4. bedoelde speciale beschermingszone gelegen.

2.9.6.    In bijlage 3 bij het onderzoek "Flora en fauna van Zuidelijke stadsrand (Augustapolder)" is vermeld dat een onderzoek naar de externe werking van de bouwplannen op de vogelpopulaties in het Markiezaat noodzakelijk lijkt. Voorts is in die bijlage vermeld dat de vraag of bebouwing van de Augustapolder verdere gevolgen voor de vitale watervogelwaarden van het mede in het kader van de Vogelrichtlijn beschermde Markiezaat kan hebben, slechts door middel van grondiger onderzoek helder kan worden gekregen.

2.9.7.    In de plantoelichting is op bladzijde 55 het volgende vermeld:

"Het Markiezaat is een uitermate belangrijk gebied voor vogels, met name ook voor watervogels (ganzen en zwanensoorten). De externe werking van bouwplannen op de aanwezige vogelpopulaties vraagt dan aandacht. Omdat in de Augustapolder naar de beoogde bebouwing een overgangsgebied met nieuwe (natte) natuur wordt voorgestaan mag worden verondersteld dat een negatieve externe werking niet of nauwelijks zal optreden.".

2.9.8.    Gelet op het vorenstaande betwijfelt de Voorzitter of bij het plan en het bestreden besluit voldoende aandacht is besteed aan de vraag of externe effecten van onder meer deelgebied VIII op de in 2.9.4. bedoelde speciale beschermingszone kunnen worden verwacht. Uit de plantoelichting en de onderzoeken die voorhanden zijn, kan niet worden afgeleid dat significante effecten als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voor deze speciale beschermingszone zijn uitgesloten. Ter zitting is niet de beschikking verkregen over nadere onderzoeksgegevens die tot een andersluidende conclusie aanleiding geven.

2.9.9.    In verband hiermee acht de Voorzitter ter voorkoming van onomkeerbare ontwikkelingen termen aanwezig het bestreden besluit, voor zover dit betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Stadsuitbreiding -SU- wonen en natuur" dat ziet op deelgebied VIII, bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Hij ziet geen aanleiding op de overige bezwaren ten aanzien van dit plandeel in te gaan.

2.10.    Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 mei 2005, kenmerk 1033291/1097015, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Stadsuitbreiding -SU- wonen en natuur" dat ziet op deelgebied VIII;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

371.