Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
200506581/1 en 200506581/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2005 heeft verweerder een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gegeven naar aanleiding van een melding van [vergunninghoudster] van een verandering van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506581/1 en 200506581/2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2005 heeft verweerder een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gegeven naar aanleiding van een melding van [vergunninghoudster] van een verandering van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2005, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehekamp en J.G.W.M. Schoemaker, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en J.N.S. de Block.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3.    [vergunninghoudster] drijft een inrichting voor onder meer het composteren van groente-, fruit- en tuinafval. Voor deze inrichting is bij besluit van 27 mei 2003 krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend.

   De voorgenomen verandering waarvoor [vergunninghoudster] de melding heeft gedaan bestaat uit het op het buitenterrein opslaan van structuurmaterialen die zijn ontstaan na het zeven van gerede compost.

2.4.    Het beroep komt er in de kern op neer dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat het opslaan van het structuurmateriaal niet leidt tot geuremissie. Appellant stelt dat het materiaal niet volledig is gecomposteerd. Het materiaal zal volgens hem wanneer het buiten wordt opgeslagen verder gaan composteren en daarbij geuremissie veroorzaken.

2.5.    Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat het structuurmateriaal het gehele composteringsproces heeft doorlopen en wanneer het buiten wordt opgeslagen een temperatuur van minder dan 50 graden Celsius zal hebben. Het structuurmateriaal zal in een dergelijk geval - zoals op zichzelf door appellant ook niet is bestreden - geen geuremissie veroorzaken.

   [vergunninghoudster] heeft er in dit verband ter zitting op gewezen dat het materiaal afkomstig is van het nacomposteringproces, waarin het materiaal afkoelt en een temperatuur van 20 tot 25 graden Celsius kan bereiken. Het materiaal heeft gelet hierop een lage temperatuur wanneer het buiten wordt opgeslagen. Dit wordt bevestigd door temperatuurregistraties die enkele maanden hebben plaatsgevonden: de temperatuur van het materiaal bleek telkens lager dan 50 graden Celsius te zijn.

2.6.    Mede gezien hetgeen verweerder en [vergunninghoudster] naar voren hebben gebracht, acht de Voorzitter het aannemelijk dat het buiten opgeslagen materiaal een temperatuur zal hebben die lager dan 50 graden Celsius is en geen geuremissie zal veroorzaken. Uit de stukken blijkt weliswaar dat in het verleden een partij buiten opgeslagen materiaal een hogere temperatuur heeft gehad, maar het is aannemelijk gemaakt dat dit een incident was dat zich bij de normale bedrijfsvoering waarop de melding ziet niet zal voordoen.

   Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht geconcludeerd dat de gemelde verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat in dit opzicht geen grond bestaat om de verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

262.