Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU5004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200502712/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2005:AS9102
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2003 heeft de raad van de gemeente Vlissingen (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2005/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502712/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/242 van de rechtbank Middelburg  van 24 februari 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Vlissingen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2003 heeft de raad van de gemeente Vlissingen (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Bij besluit van 29 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemeenteraad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank  Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2005 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2005, waar appellant in persoon, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door H. Marcus en H. Eggink, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Bij het beoordelen van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3.    Appellant, eigenaar van de woning aan de [locatie] te [plaats], stelt schade te hebben geleden in de vorm van waardevermindering van zijn pand ten gevolge van het besluit van 29 juni 2000, waarbij de gemeenteraad vrijstelling heeft verleend, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, ten behoeve van de bouw van een warmtekracht koppelstation (hierna: het WKK-station) op het perceel Wildbaan 9 te Vlissingen.

2.4.    Het WKK-station voorziet in de verwarming van woningen in de gehele wijk Lammerenburg en gedeeltelijk in de warmtebehoefte van flats in de wijk Paauwenburg. Het bestaat uit een gebouw van 21 bij 8 meter en een hoogte van 4 meter met daaromheen een metalen constructie tot een hoogte van 7 meter, die ten doel heeft het WKK-station zelf aan het gezicht te ontrekken door begroeiing met groenblijvende en roodverkleurende wilde wingerd. Bij het gebouw behoren twee schoorstenen met een hoogte van

15 meter. Het naastgelegen gasdrukstation heeft een oppervlakte van 5 m2 en een hoogte van 2,30 meter. Daarnaast is een wateropslagvat ondergronds aangelegd. Dit vat is conform de vrijstelling bedekt met een laag aarde waardoor het maaiveld plaatselijk op een hoogte van 3,70 NAP is komen te liggen.

2.5.    In het bestemmingsplan "Lammerenburg, 1e algehele herziening"  (hierna: het bestemmingsplan) had het perceel, waarop het WKK-station is gebouwd, de bestemming "groenvoorzieningen". Het perceel maakte deel uit van een groter groengebied, waarin een speelveld, sportvelden en een manegeterrein zijn gelegen. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften mogen de voor groenvoorziening aangewezen gronden worden ingericht met gazons, beplantingen en water, speelvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overige voorzieningen. In artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de nokhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 5.00 meter mag bedragen.

    Ingevolge artikel 3, aanhef, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan voor:

a. het afwijken van de voorgeschreven maatvoering voor een bouwwerk, de bebouwde oppervlakte en het bebouwingspercentage met ten hoogste 10% van de in het plan genoemde maten en percentages;

b.  het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die om telecommunicatietechnische redenen noodzakelijk zijn, zoals centrale antennesystemen en radiobakens;

c …

d …

e …

f. het afwijken van de voorgeschreven hoogtematen tot een maximum van 15.00 meter, indien het bouwwerk een zend- of antennemast betreft.

2.6.    Bij de in bezwaar gehandhaafde beslissing heeft de gemeenteraad het verzoek van appellant om een planschadevergoeding afgewezen. Hij heeft dat doen steunen op een advies van JBA Adviescentrum Klaassen B.V. (hierna: het advies van Klaassen B.V.) van 15 januari 2003 alsmede een taxatierapport van Taxatie & Adviesbureau Minderhoud van 17 oktober 2002.

2.7.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat hij door de vrijstelling in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren, waardoor hij schade lijdt die redelijkerwijs niet geheel ten laste van hem behoort te blijven. Hij heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat niet staande kan worden gehouden dat het negatieve effect van de aanwezigheid van het WKK-station - met name waar het gaat om het verlies van uitzicht vanuit zijn woning en tuin, de aantasting van de woonomgeving en de overlast ten gevolge van de zichtbare uitstoot van gassen uit de schoorstenen van het WKK-station - gelet op onder meer de omvang en de industriële uitstraling daarvan vergelijkbaar is met hetgeen bij de maximale invulling van het bestemmingsplan kan worden gerealiseerd.

2.8.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 maart 2004 in de zaak no. 200301636/1), dient bij de planvergelijking in beginsel van de maximale benuttingsmogelijkheden van het oude en nieuwe regime te worden uitgegaan, tenzij benutting van voorheen bestaande mogelijkheden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten moet worden geacht.

2.9.    De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) verzocht een onderzoek in te stellen waarbij de vraag is voorgelegd of er ten gevolge van genoemd vrijstellingsbesluit sprake is van schade als door appellant gesteld, en zo ja, hoeveel die schade bedraagt. De StAB heeft op 10 november 2004 daarover een advies (hierna: het StAB-advies) uitgebracht waarin is geconcludeerd dat de gemeenteraad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen planschade lijdt en dat hij daarbij niet ten onrechte is afgegaan op het advies van Klaassen B.V.

    Blijkens het StAB-advies is het WKK-station op een afstand van ca. 45 meter van het perceel en ca. 50 meter van de woning van appellant gelegen. De 15 meter hoge schoorstenen liggen op ca. 60 meter van de woning van appellant. In het StAB-advies is aangegeven dat de aanwezigheid van de industrieel aandoende bebouwing van het WKK-station, hoewel de gebouwen van het WKK-station vanuit de woning en vanaf het perceel van appellant beperkt zichtbaar zijn, leidt tot een negatievere beoordeling van de woning van appellant en de woonomgeving dan het geval zou zijn zonder het WKK-station. Daartegenover staat, aldus het StAB-advies, dat ingevolge de algemene vrijstellingsbevoegdheid van artikel 3 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan de mogelijkheid bestond om vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor onder meer het bouwen van zend- en ontvangstmasten met een maximum hoogte van 15.00 meter. Voorts konden ingevolge dit plan speelvoorzieningen bijvoorbeeld in de vorm van een klauterheuvel aangelegd worden en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximum hoogte van 5.00 meter. De rechtbank is in navolging van het StAB-advies tot het oordeel gekomen dat het negatieve effect van de aanwezigheid van het WKK-station niet groter is dan het negatieve effect van de ingevolge het bestemmingsplan mogelijke aanwezigheid van een in beginsel niet gelimiteerd aantal zendmasten met een hoogte van 15.00 meter en/of speelvoorzieningen en/of andere bouwwerken met een hoogte van 5 meter.

    De Afdeling acht dat oordeel juist. Daarbij neemt zij in aanmerking dat appellant niet door middel van een tegenrapport aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusies in het advies van Klaassen B.V., die worden onderschreven door het StAB-advies, niet juist zijn. Aan het door appellant overgelegde taxatierapport van ing. A.P.F. Begijn, beëdigd taxateur/makelaar onroerende zaken, komt geen beslissende betekenis toe reeds omdat daarin een voor de vaststelling van planschade noodzakelijke vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime ontbreekt. Aan appellant kan weliswaar worden toegegeven dat een enkele zendmast een ander effect heeft dan het WKK-station, maar de maximale benuttingsmogelijkheden van het oude regime maakten meer mogelijk dan dat, en het is niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten dat deze ook in verdergaande mate zouden zijn benut. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat gelet op deze planologische mogelijkheden van het oude regime niet staande kan worden gehouden dat er sprake is van nadeel uit hoofde van zichtschade of de (zichtbare) aanwezigheid van het WKK-station op korte afstand van de woning van appellant. Ook de onder omstandigheden zichtbare uitstoot van gassen uit de schoorstenen, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat appellant in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. De rechtbank heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat ook al valt niet uit te sluiten dat potentiële kopers de waarde van de woning van appellant als gevolg van die uitstoot negatiever zullen beoordelen, bij de verwezenlijking van de mogelijkheid van plaatsing van zend- of antennemasten op grond van het bestemmingsplan een soortgelijke beoordeling van de waarde van het pand evenmin viel uit te sluiten.

2.10.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de gemeenteraad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren en derhalve geen schade lijdt in de zin van artikel 49 van de WRO ten gevolge van het besluit tot het verlenen van vrijstelling ten behoeve van het WKK-station.

2.11.    Aan de beoordeling van het betoog van appellant dat de komst van het WKK-station niet voorzienbaar was, wordt daarom niet toegekomen.

2.12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak        w.g. Ouwehand

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

224.