Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200409796/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2004, kenmerk 1032877, heeft verweerder, voorzover hier van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Akzo Nobel Pharma B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het produceren en verkopen van werkzame bestanddelen voor geneesmiddelen en het ontwikkelen en fabriceren van receptplichtige geneesmiddelen gelegen aan de Wethouder van Eschstraat 1 te Oss, kadastraal bekend gemeente Oss, sectie E14, nummers 4631 en 5392, sectie F1, nummers 1300, 1308 en 1310, sectie F3, nummers 822, 824, 826, 993, 1236, 1237, 1358, 1360, 1381 en 1382, sectie F5, nummers 193, 194, 195, 196, 352, 354, 356, 357, 358, 359, 362, 363 en 364 en sectie F7, nummers 909, 1119 en 1156. Dit besluit is op 25 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/193
JBO 2005/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409796/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2004, kenmerk 1032877, heeft verweerder, voorzover hier van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Akzo Nobel Pharma B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het produceren en verkopen van werkzame bestanddelen voor geneesmiddelen en het ontwikkelen en fabriceren van receptplichtige geneesmiddelen gelegen aan de Wethouder van Eschstraat 1 te Oss, kadastraal bekend gemeente Oss, sectie E14, nummers 4631 en 5392, sectie F1, nummers 1300, 1308 en 1310, sectie F3, nummers 822, 824, 826, 993, 1236, 1237, 1358, 1360, 1381 en 1382, sectie F5, nummers 193, 194, 195, 196, 352, 354, 356, 357, 358, 359, 362, 363 en 364 en sectie F7, nummers 909, 1119 en 1156. Dit besluit is op 25 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 maart 2005, kenmerk 1088115, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 mei 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2005, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door M.R.M.J. Beekwilder-Van den Heuvel en ing. W.H.C. van Boesschoten, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], allen werkzaam bij vergunninghoudster, en het dagelijks bestuur van waterschap Aa en Maas, vertegenwoordigd door C.W.M. Emmen en ing. M. Franken, beiden werkzaam bij het waterschap.

2.    Overwegingen

2.1.        Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.        Appellante heeft haar beroep ter zitting ingetrokken, voorzover het de gronden betreft inzake de haars inziens ten onrechte niet opgestelde milieu-effectrapportage en het ten onrechte ontbreken van een milieubeoordeling op grond van de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 inzake de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (Pb L 197). Appellante heeft haar beroep toen tevens ingetrokken voorzover het betreft de grond met betrekking tot de voorschriften 1.7.2 en 10.6.2 van de vergunning.

2.3.        Appellante betoogt dat de aanvraag om een Wet milieubeheer vergunning buiten behandeling had moeten worden gelaten omdat de aanvraag om een Wet verontreiniging oppervlaktewateren vergunning in strijd met de coördinatieverplichting van artikel 8.30 van de Wet milieubeheer niet binnen zes weken na de aanvraag om een milieuvergunning is ingediend.

2.3.1.    Ingevolge artikel 8.28 (oud) van de Wet milieubeheer moeten bij de toepassing van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer, van hoofdstuk 13 van de Wet milieubeheer en afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht de bepalingen van paragraaf 8.1.3.2 van de Wet milieubeheer in acht worden genomen in gevallen waarin een vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in het oppervlaktewater worden gebracht, indien daarvoor een vergunning krachtens die wet is vereist.

   In artikel 8.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover van belang, is bepaald dat de aanvraag om een vergunning of wijziging van de vergunning overeenkomstig artikel 8.24 tegelijk moet worden ingediend met de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

   Ingevolge artikel 8.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet de aanvraag, indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren niet is ingediend binnen zes weken, buiten behandeling worden gelaten.

2.3.2.    Vaststaat dat vergunninghoudster ten tijde van het doen van de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer beschikte over een aan haar op 19 december 1988 verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Deze vergunning is aangepast op 24 oktober 1998. Uit het verweerschrift komt naar voren dat verweerder - voorafgaand aan het in behandeling nemen van de desbetreffende aanvraag van 10 september 2003, welke aanvraag heeft geleid tot de onderhavige vergunning, - contact heeft opgenomen met het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas, zijnde het bevoegde gezag krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, en dat dit bestuur toen heeft medegedeeld dat deze aanvraag geen aanleiding gaf tot het doen van een vergunningaanvraag krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren door vergunninghoudster. Verweerder heeft daarop de aanvraag om een milieuvergunning in behandeling genomen. Aldus is naar het oordeel van de Afdeling niet gehandeld in strijd met de regeling voor coördinatie in de Wet milieubeheer.

   Op 1 april 2004 is een eerder aan de vergunninghoudster verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geëxpireerd. Vergunninghoudster heeft op 29 april 2004 een nieuwe aanvraag om een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ingediend. Naar aanleiding daarvan hebben de beide bevoegde gezagen overlegd om tot een inhoudelijke afstemming van de beide vergunningen te komen. Eveneens heeft gelijktijdig plaatsgevonden de terinzagelegging van zowel het ontwerp van de beide besluiten als van de beide definitieve beschikkingen.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.4.        Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.        De Afdeling begrijpt het beroep van appellante, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, aldus dat zij van mening is dat verweerder ten onrechte is afgeweken van de door hem normaliter gehanteerde systematiek van de Nederlandse Richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, van juli 2001 (hierna de NRB) en aansluiting heeft gezocht bij een door vergunninghoudster ontwikkelde systematiek. Tevens voert zij aan dat onduidelijk is wie bepaalt in welke gevallen vergunninghoudster kan volstaan met het bereiken van een acceptabel bodemrisico. Verder wijst appellante op de in de voorschriften 4.1.2 en 4.1.3 van de vergunning gestelde termijnen. Daartoe voert zij aan dat volgens deze voorschriften onacceptabele en ongewenste bodembedreigende activiteiten worden toegestaan gedurende een periode van 18 respectievelijk 30 maanden, terwijl in de considerans van het bestreden besluit staat vermeld dat bij onacceptabele, bodembedreigende activiteiten onmiddellijk en bij ongewenste, bodembedreigende activiteiten zo snel mogelijk doch binnen twee jaar maatregelen moeten worden getroffen.

2.5.1.    Ingevolge voorschrift 4.1.1 van de vergunning dient vergunninghoudster binnen 12 maanden na het in werkingtreden van de vergunning een plan van aanpak in te dienen waarin de bodembedreigende activiteiten uit bijlage 28 met een verhoogd bodemrisico conform de NRB worden vertaald naar "onacceptabel", "ongewenst", "acceptabel" en "verwaarloosbaar" conform de risicomatrix in bijlage 7.14.3. Ook dienen de maatregelen hierin te worden beschreven om van een "onacceptabel" en "ongewenst" bodemrisico naar een "verwaarloosbaar"of tenminste "acceptabel" bodemrisico te komen. Het plan van aanpak behoeft goedkeuring van gedeputeerde staten. Er dient overeenkomstig het goedgekeurde plan te worden gehandeld.

   Ingevolge voorschrift 4.1.2 van de vergunning dient vergunninghoudster binnen 18 maanden na het in werkingtreden van de vergunning de bodembedreigende activiteiten die conform de risicomatrix in bijlage 7.14.3 geclassificeerd worden als "onacceptabel" te verbeteren tot "verwaarloosbaar" of ten minste "acceptabel".

   Ingevolge voorschrift 4.1.3 van de vergunning dient vergunninghoudster binnen 30 maanden na het in werkingtreden van de vergunning de bodembedreigende activiteiten die conform de risicomatrix in bijlage 7.14.3 geclassificeerd worden als "ongewenst" te verbeteren tot "verwaarloosbaar" of ten minste "acceptabel".

2.5.2.    Verweerder heeft - in afwijking van de door hem normaliter gehanteerde NRB - de aan hem op grond van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid, voorzover dit het aspect bodem betreft, nader ingevuld met de door vergunninghoudster ontwikkelde en in bijlage 7.14.3 van de aanvraag, welke onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, neergelegde methodiek.

   Deze methodiek, de zogenoemde risicomatrix, geeft een inschatting van de kans dat zich met betrekking tot deze activiteiten een calamiteit voordoet en wat het effect daarvan is op de bodem. Het risico dat een dergelijke calamiteit zich voordoet, wordt aangeduid als onacceptabel, ongewenst, acceptabel of verwaarloosbaar. Aan de hand daarvan wordt bepaald of en binnen welke termijn maatregelen/voorzieningen dienen te worden getroffen. Uitgangspunt van verweerder is daarbij dat het risico van bodemverontreiniging, voorzover redelijkerwijs mogelijk, tot een verwaarloosbaar niveau dient te worden beperkt conform de stand der techniek. Het hanteren van de risicomatrix leidt volgens verweerder, gelet op de specifieke situatie van de vergunninghoudster, tot een betere en meer doelmatige aanpak van het grote aantal bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting dan op grond van de NRB mogelijk is en levert, voorzover op de onderhavige bodembedreigende activiteiten van toepassing, minimaal hetzelfde beschermingsniveau als de NRB op.

   De Afdeling ziet op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting in hetgeen door appellante in dit kader naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid deze risicomatrix, voorzover op de bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting van toepassing, tot uitgangspunt heeft kunnen nemen in plaats van de door hem normaliter gehanteerde NRB.

   Ter zitting heeft verweerder - kort weergegeven - naar voren gebracht dat indien wordt volstaan met het terugbrengen van het bodemrisico tot een acceptabel in plaats van een verwaarloosbaar bodemrisico het plan van aanpak zoals bedoeld in voorschrift 4.1.1 van de vergunning vergunninghoudster de reden dient weer te geven waarom haars inziens daarmee redelijkerwijs kan worden volstaan. Het plan van aanpak dient volgens verweerder ook in zoverre overeenkomstig voorschrift 4.1.1 van de vergunning aan hem ter goedkeuring te worden voorgelegd. De Afdeling overweegt dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerder kennelijk heeft beoogd, voorschrift 4.1.1 van de vergunning zodanig is geredigeerd dat dit voorschrift daartoe geen verplichting schept. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

   Voorzover het beroep van appellante zich richt tegen de in de voorschriften 4.1.2 respectievelijk 4.1.3 van de vergunning genoemde termijnen overweegt de Afdeling dat op grond van de door verweerder tot uitgangspunt genomen methodiek - wanneer van een onacceptabele situatie sprake is - onmiddellijk en - wanneer van een ongewenste situatie sprake is - zo snel mogelijk doch binnen een periode van twee jaar - maatregelen dienen te worden getroffen om de situatie verwaarloosbaar en in ieder geval acceptabel te maken. Tussen partijen zijn deze in de methodiek gehanteerde termijnen niet in geschil. De in de voorschriften 4.1.2 respectievelijk 4.1.3 van de vergunning genoemde termijnen van 30 en 18 maanden wijken af van de in de methodiek gehanteerde termijnen. Verweerder heeft dit volgens de stukken en het verhandelde ter zitting noodzakelijk geacht. Daartoe wijst hij op het grote aantal bodembedreigende activiteiten binnen deze inrichting ten aanzien waarvan maatregelen/voorzieningen dienen te worden getroffen. De keuze om af te wijken van de in de methodiek gehanteerde termijnen heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd, nu de door hem gegeven reden om deze afwijking toe te staan reeds in voldoende mate in de risicomatrix is verdisconteerd. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Deze beroepsgrond treft doel.

2.6.        Appellante stelt, kort weergegeven, dat ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentieniveau niet kan worden volstaan met een samenvatting van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Daartoe voert zij aan dat het hier om reeds verouderde informatie gaat. Voorts brengt de redactie van voorschrift 4.7.1 van de vergunning haars inziens met zich dat kan worden volstaan met een samenvatting van de reeds eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Hierin schuilt het gevaar dat - wanneer deze onderzoeken niet zien op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembelasting zou kunnen ontstaan - volgens dit voorschrift geen verplichting meer bestaat tot het doen van nader onderzoek, aldus appellante.

2.6.1.    Ingevolge voorschrift 4.7.1 van de vergunning dient ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie uiterlijk zes maanden na het in werkingtreden van deze vergunning een samenvatting van de al eerder uitgevoerde bodemonderzoeken te zijn overgelegd. De samenvatting dient betrekking te hebben op plaatsen en stoffen binnen de inrichting waar bodembelasting zou kunnen ontstaan en te zijn gebaseerd op het protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB of een andere gelijkwaardige onderzoeksstrategie.

2.6.2.    De Afdeling overweegt dat het doel van een onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie is het verkrijgen van een referentiekader met het oog op mogelijke toekomstige bodemverontreiniging, voortvloeiende uit de binnen de inrichting verrichte activiteiten. Een dergelijk onderzoek kan dienen ter bepaling wie de veroorzaker is van verontreiniging na de datum van het onderzoek, alsmede om de effectiviteit van de in de inrichting aan te brengen bodembeschermende voorzieningen te toetsen. De omstandigheid dat de gewraakte bodemonderzoeken niet recentelijk zijn verricht heeft in het onderhavige geval, gelet op het beoogde doel van de vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiekader, niet tot gevolg dat deze onderzoeken niet meer als zodanig dienst kunnen doen.

   Verweerder heeft gesteld dat hij met voorschrift 4.7.1 van de vergunning heeft beoogd een onderzoek voor te schrijven naar de vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie voor de gehele inrichting, voorzover daarbinnen bodembelasting zou kunnen ontstaan. Wanneer volgens hem de door vergunninghoudster overgelegde samenvatting van deze onderzoeken geen compleet beeld geeft van het geheel aan plaatsen waar bodembelasting zou kunnen ontstaan, voldoet deze in zijn ogen niet aan voorschrift 4.7.1 van de vergunning.

   In weerwil van hetgeen verweerder kennelijk heeft beoogd, volgt uit voorschrift 4.7.1 van de vergunning dat ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentieniveau kan worden volstaan met slechts een samenvatting van de al eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Hieruit volgt dat aan het gewraakte voorschrift wordt voldaan ook in het geval de desbetreffende onderzoeken niet een volledig beeld geven van de plaatsen waar bodembelasting zou kunnen ontstaan. Dit wringt des te meer, nu verweerder zich er niet van heeft vergewist of de reeds verrichte bodemonderzoeken - waarvan een deel volgens het deskundigenbericht niet kan worden aangemerkt als een onderzoek als bedoeld in voorschrift 4.7.1 van de vergunning - een duidelijk en volledig beeld geven van de plaatsen binnen de inrichting waar bodembelasting zou kunnen ontstaan.

   Gezien het vorenoverwogene heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

   Deze beroepsgrond treft doel.

2.7.        Appellante voert, kort weergegeven, aan dat onvoldoende is komen vast te staan dat de geurvoorschriften 4.6.1 tot en met 4.6.5 kunnen worden nageleefd. In dat kader wijst zij op de omstandigheid dat op zeer korte afstand van het perceel van appellante een rioolput is gelegen en dat vanwege het in werking zijn van het desbetreffende rioleringsstelsel geurhinder wordt ondervonden.

2.7.1.    De Afdeling overweegt allereerst dat, anders dan appellante meent, enkel voorschrift 4.6.5 van de vergunning betrekking heeft op het voorkomen van geurhinder vanwege het in werking zijn van de bedrijfsriolering.

   Ingevolge voorschrift 4.6.5 van de vergunning dienen bedrijfsrioleringsystemen, inclusief afvoerleidingen en aansluitingen die zijn bestemd voor verontreinigd bedrijfsafvalwater afkomstig van chemische processen, zodanig te zijn uitgevoerd dat het vrijkomen van geurhinder buiten de inrichting uitgesloten is.

   Vaststaat dat de bedrijfsriolering ter hoogte van het perceel van appellante slechts huishoudelijk afvalwater en een beperkte hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat daarmee vergelijkbaar is, afvoert.

   In het verleden werd de rioolput, die op ongeveer 20 meter van de woning van appellante is gelegen, gebruikt voor monsterneming in het kader van de Wvo-vergunning. Daarvoor diende de put gedurende drie weken in de zomerperiode geopend te zijn, hetgeen tot geuroverlast leidde. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat thans de desbetreffende monsterneming plaatsvindt door middel van een gesloten systeem, zodat de put niet meer behoeft te worden geopend. Daarnaast heeft vergunninghoudster rondom de rioolput extra voorzieningen getroffen om geuroverlast te voorkomen. Het vorenstaande in aanmerking nemende ziet de Afdeling in hetgeen appellante aanvoert geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit voorschrift niet naleefbaar is.

   Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.8.        Voorzover appellante stelt dat voorschrift 4.6.5 van de vergunning niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit geen aspect betreft dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen.

       De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

       Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.9.        Appellante betoogt, kort weergegeven, dat ten onrechte, in tegenstelling tot het ontwerp van het besluit, geen voorschrift aan de vergunning is verbonden inzake een verplichte snelle branddetectie voor de werkruimtes waarin genetisch gemodificeerde organismen overeenkomstig het fysisch inperkingsniveau II worden toegepast. Dit is echter in het belang van de bescherming van het milieu wel vereist, aldus appellante.

2.9.1.    De Afdeling overweegt dat het werken met genetisch gemodificeerde organismen overeenkomstig het fysisch inperkingsniveau II vergunningplichtig is krachtens artikel 17 (oud) van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit ggo's). De beoordeling van deze beroepsgrond dient dan ook allereerst plaats te vinden in het kader van het Besluit ggo's. Het vorenstaande sluit echter niet uit dat ten aanzien van het werken met deze stoffen, bezien vanuit het in werking zijn van de inrichting als geheel, eveneens een beoordeling kan plaatsvinden in het kader van de Wet milieubeheer en, indien nodig, voorschriften aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer kunnen worden verbonden.

   Voorzover er ruimte is voor een (aanvullende) beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer, is de Afdeling, gelet op de aard en omvang van de toepassing van de desbetreffende genetisch gemodificeerde organismen, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat naast het in voorschrift 10.5 van de vergunning genoemde bedrijfsnoodplan geen apart voorschrift ten aanzien van de brandveiligheid in werkruimtes waar gewerkt wordt met ggo's aan de vergunning had moeten worden verbonden.

   De beroepsgrond treft geen doel.

2.10.        Appellante voert aan dat de in de voorschriften 11.3.1 en 11.3.2 van de vergunning genoemde implementatieplannen ten aanzien van het laden en lossen van gevaarlijke stoffen en de verschillende vormen van opslag van deze stoffen al dan niet in emballage reeds bij de aanvraag hadden moeten worden overgelegd in plaats van na de in deze voorschriften genoemde termijnen van 12 maanden; dit vanwege het zeer grote externe veiligheidsrisico. Tevens is de in voorschrift 11.3.4 van de vergunning genoemde termijn van 54 maanden, waarbinnen de desbetreffende plannen moeten zijn uitgevoerd te lang, aldus appellante.

2.10.1.    Verweerder heeft - kort weergegeven - naar voren gebracht dat er voorheen ten aanzien van de het laden en lossen en de opslag van gevaarlijke stoffen al dan niet in emballage voor vergunninghoudster geen verplichting bestond maatregelen te treffen om aan het door verweerder beoogde beschermingsniveau te voldoen. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij terecht de in de voorschriften 11.3.1, 11.3.2 en 11.3.4 van de vergunning genoemde termijnen heeft kunnen stellen.

2.10.2.    Ingevolge voorschrift 11.3.1 van de vergunning, voorzover hier van belang, dient binnen 12 maanden na het in werkingtreden van de vergunning vergunninghoudster een implementatieplan ter goedkeuring aan gedeputeerde staten over te leggen waarin voor de in dat voorschrift genoemde bedrijfsonderdelen is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijnen aan de voorschriften van deze vergunning zal worden voldaan.

   In voorschrift 11.3.2 van de vergunning is bepaald dat binnen 12 maanden na het in werkingtreden van de vergunning vergunninghoudster een met de Arbeidsinspectie overeengekomen implementatieplan ter goedkeuring aan gedeputeerde staten dient over te leggen waarin voor de opslagen voor gevaarlijke stoffen in emballage is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijnen aan de voorschriften van deze vergunning zal worden voldaan.

   Voorschrift 11.3.4 van de vergunning bepaalt dat de implementatieplannen binnen 54 maanden na het in werkingtreden van de vergunning dienen te zijn uitgevoerd.

2.10.3.    Vaststaat dat er voor vergunninghoudster, voorzover het betreft het laden en lossen van gevaarlijke stoffen en de opslag van een groot deel van deze stoffen al dan niet in emballage, op grond van de geldende voorschriften geen verplichting bestaat maatregelen te treffen om aan het door verweerder beoogde beschermingsniveau, zoals genoemd in de vergunningvoorschriften in de hoofdstukken 11 tot en met 14, te voldoen. De Afdeling overweegt dat, anders dan appellante meent, verweerder in een geval als het onderhavige vergunninghoudster in redelijkheid een bepaalde termijn heeft mogen gunnen om implementatieplannen op te stellen en een uiterste termijn heeft mogen stellen waarbinnen gefaseerd uitvoering wordt gegeven aan dit implementatieplan.

   Ten aanzien van de beroepsgrond van appellante dat verweerder vergunninghoudster vanwege het zeer grote externe veiligheidsrisico ten onrechte een termijn van 12 maanden heeft gegund om een implementatieplan ter goedkeuring aan gedeputeerde staten te overleggen, overweegt de Afdeling het volgende.

   Verweerder heeft in het bestreden besluit naar voren gebracht dat met betrekking tot het aspect externe veiligheid door vergunninghoudster vooruitlopend op het in werkingtreden van het Besluit externe veiligheid inrichtingen op verzoek van verweerder een kwantitatieve risicoanalyse is opgesteld. De uitkomsten van deze risicoanalyse, weergegeven in de iso-risicocontouren (plaatsgebonden risico) en de Fn-curve (groepsrisico), laten volgens verweerder geen overschrijding zien van de risiconormen voor de externe veiligheid. Binnen de 10-6 contour liggen zijns inziens geen (beperkt) kwetsbare objecten. Er is volgens hem dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar risico voor personen buiten de inrichting. Ook de door vergunninghoudster in het kader van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 opgestelde veiligheidsrapporten geven zijns inziens daarvan geen blijk. De uitkomsten van de kwantitatieve risicoanalyse als ook de bevindingen, zoals weergegeven in de eerdergenoemde veiligheidsrapporten, komen de Afdeling op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet onjuist voor. Van een door appellante verondersteld groot extern veiligheidsrisico is, gelet op het vorenstaande, geen sprake. Het beroep van appellante mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling ziet in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de in de voorschriften 11.3.1 en 11.3.2 van de vergunning genoemde termijn van 12 maanden heeft kunnen stellen.

   Voorzover het beroep zich richt tegen de in voorschrift 11.3.4 van de vergunning genoemde termijn van 54 maanden acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, deze termijn - ook al betreft het een uiterste termijn waarbinnen gefaseerd uitvoering wordt gegeven aan de implementatieplannen - uitzonderlijk ruim. Verweerder heeft de keuze om een dergelijk lange termijn te stellen naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Het beroep treft in zoverre doel.

2.11.        Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft de voorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.7.1 en 11.3.4 van de vergunning. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.12.        Verweerder dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 12 oktober 2004, kenmerk 1032877, voorzover het betreft de voorschriften 4.1.1, 4.1.2, 4.1.3, 4.7.1 en 11.3.4 van de vergunning;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 660,69 (zegge: zeshonderdzestig euro en negenenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

375.