Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200410039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) een verzoek van appellanten om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2005, 109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410039/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appelanten], gevestigd te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/139 van de rechtbank Middelburg van 26 oktober 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) een verzoek van appellanten om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2002 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2003 heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij uitspraak van 26 november 2003 in zaak no. 200300985/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 26 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.  

Bij brief van 1 februari 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2005, waar appellanten, bijgestaan door mr. J.G. Hage advocaat te Oostburg, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Bol, advocaat te Middelburg, en ing. L. Harpe MSc, werkzaam bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben verzocht om vergoeding van nadeel, veroorzaakt door een sterke afname van de vangst van garnalen in de jaren 1997 en 1998 ten gevolge van de intensivering van bagger- en stortwerkzaamheden in de Westerschelde (hierna: de werkzaamheden).

2.2.    De Minister heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat 1991 (hierna: de RNR). Voor de gronden van de afwijzing heeft hij verwezen naar een advies van 17 juli 2001 van de krachtens artikel 5, tweede lid, van de RNR ingestelde commissie.

2.3.     Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie onafhankelijk noch deskundig is, nu haar leden door de Minister worden bezoldigd en specifieke deskundigheid ontberen.

2.3.1.    Dat betoog faalt. Dat de leden van de commissie, door de Minister worden bezoldigd, is onvoldoende voor het oordeel dat de commissie niet onafhankelijk is. De commissie is voorts samengesteld uit een deskundige op het gebied van nadeelcompensatie, een accountant en een deskundige op het gebied van visserij. Voorts hebben appellanten geen gebruik gemaakt van de door de Minister bij brief van 3 mei 1999 geboden gelegenheid om bedenkingen tegen de samenstelling van de commissie kenbaar te maken. Zij hebben ook overigens geen omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot het oordeel nopen dat de Minister het advies van de commissie niet aan de besluitvorming op het verzoek ten grondslag heeft mogen leggen om redenen, als door appellanten gegeven.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie geen juiste onderzoeksmethodieken heeft toegepast en de Minister haar advies derhalve niet aan de afwijzing ten grondslag mocht leggen.

2.4.1.    Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht door appellanten niet aannemelijk gemaakt geacht dat de commissie onjuiste onderzoeksmethodieken heeft gebruikt.

   Voor de beantwoording van de vraag of ten gevolge van de werkzaamheden de garnalenstand in de Westerschelde is verminderd heeft de commissie onderzocht of na de start van de werkzaamheden sprake is geweest van een ongebruikelijke trendbreuk, met inachtneming van de natuurlijke fluctuatie in de seizoenen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op gegevens van appellanten, het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek (RIVO) en afkomstig van de visafslagen Breskens en Stellendam. De gegevens van appellanten betreffen de periode 1987 tot en met 1999, die van Stellendam de periode 1969 tot en met 1999 en die van Breskens de periode 1981 tot en met 1999. De keuze voor de cijfers van die afslagen berust erop dat de op die afslagen aangevoerde garnalen volgens haar deel uitmaken van één en dezelfde populatie, die zich uitstrekt van de Westerschelde tot aan IJmuiden, met vergelijkbare voortplantings- en opgroeicondities. De aanvoer op Breskens is volgens haar met name afkomstig uit de Westerschelde en uit de kustzone langs de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden en de aanvoer op Stellendam uit het overige gedeelte. Bij onderlinge vergelijking komen de vangsten van appellanten in grote lijnen overeen met de aanvoer op Breskens en Stellendam, hetgeen niet wijst op een negatieve invloed van de werkzaamheden op de garnalenstand, aldus de commissie.

   Daarnaast heeft de commissie onderzocht, in hoeverre een verband bestaat tussen de aanvoer van garnalen en de werkzaamheden in de periode 1993/1999. De synchroon verlopende daling van de aanvoer van garnalen op Breskens en Stellendam sinds 1996 tot en met 1999 toont volgens de commissie aan dat de werkzaamheden niet van noemenswaardige invloed zijn geweest op de vangst van de garnalen. Bovendien stijgt volgens haar in 1999 de aanvoer, ook die van appellanten, terwijl de bagger- en stortactiviteiten nog voortduren. De slotsom van het advies is dat er geen aantoonbare relatie is tussen de werkzaamheden en de door appellanten gestelde schade.

2.4.2.    Appellanten klagen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het advies ten onrechte aanneemt dat sprake is van één garnalenpopulatie en dat vergelijking van de gegevens van de visafslagen Breskens en Stellendam derhalve in de rede ligt. De aanname in het advies dat sprake is van één garnalenpopulatie is gebaseerd op literatuuronderzoek en gegevens van het RIVO. Appellanten hebben geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot het oordeel leiden dat de commissie daarop niet mocht afgaan. De enkele afstand tussen Breskens en Stellendam is daartoe onvoldoende.

2.4.3.    Appellanten betogen evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie ten onrechte geen gegevens van de Belgische visafslagen in het onderzoek heeft betrokken. Volgens de commissie ligt vergelijking van de aanvoergegevens van Breskens en Stellendam voor de hand, omdat de garnalen tot één garnalenpopulatie behoren, maar in verschillende gebieden worden gevangen, zodat onderzoek naar het effect van de werkzaamheden in de Westerschelde op de garnalenstand mogelijk is. Het betrekken van gegevens van Belgische visafslagen in het onderzoek zou een vertekend beeld geven, aldus de commissie. De garnalen zouden in dat geval afkomstig zijn uit andere populaties. Voorts worden op de Vlaamse veilingen ook Nederlandse garnalen aangeleverd, hetgeen betekent dat de aanvoergegevens voor de Nederlandse visafslagen in positieve zin zouden moeten worden bijgesteld. Daarnaast is er in de Belgische wateren sprake van een neerwaartse trend voor de garnalenstand, terwijl Nederlandse gegevens laten zien dat de populatie in Nederland qua omvang constant is, aldus de commissie.

2.4.4.    De door appellanten gestelde gegevens met betrekking tot de herkomst van de garnalen die op Breskens in de periode 2000 tot en met 2002 zijn aangevoerd, hebben aldus geen betrekking op de periode waarin zij stellen schade te hebben geleden en kunnen niet dienen ten betoge dat Breskens ten onrechte in het onderzoek is betrokken. Voorzover appellanten betogen dat de aanvoergegevens van Breskens niet bruikbaar zijn, omdat de commissie niet heeft vastgesteld door welke schepen zij vanuit welk vangstgebied zijn binnengebracht, wordt overwogen dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel leidt dat de commissie er niet vanuit heeft mogen gaan dat vis en garnalen uit de Westerschelde in de regel, vanwege de ligging, op Breskens wordt aangeland. In dit verband is nog van belang dat de commissie heeft onderzocht of de vangstgegevens van appellanten op significante wijze afwijken van algemene tendensen en daarvan niet is gebleken.

2.4.5.    De slotsom is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding op het advies van de commissie mocht baseren.  

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Planken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

299.