Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200500886/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2004, kenmerk 02.22, heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie, opslag, en verwerking van vuurvaste materialen en accessoires, gelegen aan de Energieweg 25 te Oosterhout. Dit besluit is op 16 december 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/4764
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500886/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Plibrico B.V.", gevestigd te Oosterhout,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2004, kenmerk 02.22, heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie, opslag, en verwerking van vuurvaste materialen en accessoires, gelegen aan de Energieweg 25 te Oosterhout. Dit besluit is op 16 december 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 juni 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E. van der Hoeven, [directeur van appellante], en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A. Lemaire-Lap, ir. A.W.K.G. Sjauw-Koen-Fa, en ing. M.J.H. Jaegers, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft de grond inzake het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.7.8 ter zitting ingetrokken.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.3.1 tot en met 3.3.4 en 3.4.1. Deze voorschriften hebben betrekking op afvalpreventie en registratie.

   In voorschrift 3.3.1 is bepaald dat binnen één jaar na het in werking treden van de vergunning, en vervolgens elke vier jaar, aan verweerder een plan moet worden gezonden waarvoor een aanzienlijk aantal in het voorschrift nader omschreven onderzoeken en (proces)beschrijvingen moeten plaatsvinden.

   In voorschrift 3.3.2 is bepaald dat, kort weergegeven, van het in voorschrift 3.3.1 genoemde onderzoek een rapportage moet worden opgesteld, die ter goedkeuring aan verweerder moet worden overgelegd.

   In voorschrift 3.3.3 is bepaald dat, kort weergegeven, jaarlijks een rapportage moet worden overgelegd over de uitvoering van preventie-activiteiten.

   In voorschrift 3.4.1 is, kort weergegeven, bepaald dat aan verweerder jaarlijks een overzicht van de afvalstoffenboekhouding moet worden gezonden.

2.4.1.    De verplichtingen die voortvloeien uit deze voorschriften gaan volgens appellante, gezien de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen waar de vergunning betrekking op heeft, veel te ver. Zij stelt dat door het bewaren van afgiftebonnen voldoende inzicht kan worden verkregen in eventuele wijzigingen.

2.4.2.    Verweerder stelt dat het bijhouden van afvalbonnen, gelet op de hoeveelheid afvalstoffen die worden geproduceerd en de diversiteit daarvan, te weinig inzicht biedt voor het registreren, analyseren en monitoren van afvalstoffen. Verder geven de voorschriften 3.3.1 tot en met 3.3.3, aldus verweerder, het minimale kader voor de omgang met afvalstoffen weer.

2.4.3.    Uit het deskundigenbericht blijkt dat de gegevens die in het in voorschrift 3.3.1 bedoelde, vierjaarlijks op te stellen, plan moeten worden opgenomen voor een deel reeds in de aanvraag om vergunning zijn vermeld. Verder is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat het in het plan opnemen van een aantal van de geëiste gegevens uit oogpunt van afvalpreventie niet zinvol is, dan wel dat het niet zinvol is deze gegevens in elk plan opnieuw op te nemen. De Afdeling ziet geen grond om die conclusie onjuist te achten. Voorschrift 3.3.1 is, voorzover het de hiervoor bedoelde gegevens betreft, onnodig bezwarend. Afgezien daarvan heeft verweerder noch in het bestreden besluit, noch ter zitting, concreet kunnen aangeven om welke reden het in het belang van de bescherming van het milieu nodig is voor deze inrichting een verplichting tot het vierjaarlijks opstellen van een plan als hier aan de orde voor te schrijven. Ter zitting is ook niet duidelijk geworden wat verweerder concreet zou willen doen met de bij hem in te dienen plannen en de overige in de voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3 en 3.4.1 bedoelde gegevens. Naar het oordeel van de Afdeling berust het bestreden besluit in dit opzicht, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering.

   Gelet op het voorgaande slaagt het beroepsonderdeel over de voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3 en 3.4.1.

2.5.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.2.1, 4.3.3 en 4.3.4.

   In voorschrift 4.2.1 zijn lozingsnormen opgenomen voor de gemiddelde en maximale waarden van een aantal parameters in het effluent voor de bezink- en controleput van de vuilwaterriolering. Onder de gemiddelde waarde wordt ingevolge dit voorschrift het rekenkundig gemiddelde van tien willekeurig genomen steekmonsters verstaan.

   Voorschrift 4.3.3 bepaalt dat op de schoonwaterriolering uitsluitend niet-verontreinigd hemelwater mag worden geloosd, waarbij de in het voorschrift gestelde grenswaarden niet mogen worden overschreden.

   Voorschrift 4.3.4 bepaalt dat het afvalwater in de controleput van het schoonwaterriool door een deskundige en ter zake gecertificeerde instantie éénmalig, vóór 1 april 2005, dient te worden bemonsterd en geanalyseerd. De resultaten dienen zo spoedig mogelijk na uitvoering aan verweerder te worden overgelegd. Voorschrift 4.3.4 bepaalt verder dat verweerder ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de bemonstering daarvan op de hoogte moet worden gesteld waarbij tevens de onderzoeksopzet moet zijn overgelegd.

2.5.1.    De lozingsnormen uit voorschrift 4.2.1 zijn volgens appellante niet representatief voor een bedrijf als het onderhavige. Verder stelt appellante dat het aantal monsters dat op grond van voorschrift 4.2.1 moet worden genomen en geanalyseerd om de gemiddelde waarde van de lozing te berekenen buitengewoon hoog is.

   Wat de voorschriften 4.3.3 en 4.3.4 betreft wijst appellante op voorschrift 4.1.1, waarin is bepaald dat de opslag, overslag, bewerking en verwerking zodanig moet geschieden dat daardoor het van vloer- en terreinoppervlakken afstromend hemelwater niet wordt verontreinigd. Dit voorschrift waarborgt, aldus appellante, reeds dat het hemelwater niet wordt verontreinigd. Bovendien is volgens appellante uit eerdere bemonstering reeds gebleken dat geen problemen zijn te verwachten. Het voorschrift dat het college tien dagen voor de aanvang van de bemonstering op de hoogte moet worden gesteld, dient volgens appellante geen enkel milieuhygiënisch doel.

2.5.2.    Ingevolge artikel 2 van de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer moeten aan een vergunning als hier aan de orde, voorzover hier van belang, voorschriften worden verbonden die inhouden dat bedrijfsafvalwater slechts in een openbaar riool wordt gebracht indien de doelmatige werking van het riool en een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk niet wordt belemmerd en de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zo veel mogelijk worden beperkt    

2.5.3.    In het deskundigenbericht is vermeld dat het stellen van lozingsnormen voor de in voorschrift 4.2.1 opgenomen parameters nodig is om de goede werking van de riolering en rioolwaterzuiveringsinstallatie te waarborgen. Verder wordt in het deskundigenbericht vermeld dat het in dit  voorschrift opgelegde aantal te nemen steekmonsters gebruikelijk is. Niet is gebleken dat deze bevindingen onjuist zijn. In zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het voorschrift 4.2.1 niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Het is de Afdeling echter niet gebleken dat de in het voorschrift opgenomen lozingsnormen kunnen worden nageleefd. Verweerder heeft hiernaar geen onderzoek gedaan. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

   Gelet op het voorgaande slaagt het beroepsonderdeel over voorschrift 4.2.1.

2.5.4.    Ten aanzien van de in voorschrift 4.3.3 gestelde normen voor de lozing op het schoonwaterriool, overweegt de Afdeling als volgt. Het feit dat in voorschrift 4.1.1 in algemene termen is bepaald dat afstromend hemelwater niet (verder) mag worden verontreinigd, brengt niet mee dat verweerder met het oog op de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater geen lozingsnormen zou mogen stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat deze lozingsnormen niet kunnen worden nageleefd. Ook overigens geeft het beroep geen grond voor het oordeel dat verweerder dit voorschrift niet in redelijkheid nodig heeft kunnen achten. Het beroep slaagt in zoverre niet.

   Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de voorschriften 4.3.3 en 4.3.4 voldoende duidelijk waaraan het onderzoek naar het te lozen afvalwater dient te voldoen. Het vereiste om de onderzoeksopzet vooraf aan verweerder over te leggen is gelet hierop niet nodig ter bescherming van het milieu. Het voorschrift 4.3.4 is derhalve in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.6.    Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.7.7. In dit voorschrift is bepaald dat het bedrijfsriool voor procesafvalwater en de aansluitpunten van rioolbuizen op putten tienjaarlijks moeten worden geïnspecteerd op de in het voorschrift genoemde aspecten. De eerste keer dient dit te geschieden vóór 1 juni 2006.

   Appellante betoogt dat het voorschrift niet nodig is ter bescherming van het milieu. Zij wijst op het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.1.1 waarin is bepaald dat het verboden is bodemschadelijke vloeistoffen definitief op of in de bodem te brengen en op het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.5.2 waarin, kort weergegeven, is bepaald dat de riolering vloeistofdicht moet zijn. Deze voorschriften geven volgens haar voldoende bescherming. Mocht inspectie wel nodig zijn, dan is appellante van mening dat de voorgeschreven frequentie waarmee inspectie moet plaatsvinden moet worden veranderd in veertig jaarlijks.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat een eerste controle voor juni 2006 noodzakelijk is, omdat een inspectieonderzoek niet eerder heeft plaatsgevonden. Hij stelt verder dat de frequentie waarmee inspectie dient plaats te vinden, conform de wens van appellante, zal worden veranderd.

2.6.2.    De Afdeling overweegt allereerst dat het feit dat in de voorschriften 5.1.1 en 5.5.2 regels zijn gegeven met betrekking tot bodemverontreiniging, niet meebrengt dat het voorschrijven van een periodieke inspectie van de riolering niet nodig zou kunnen zijn ter bescherming van het milieu. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de eis om vóór 1 juni 2006 een eerste inspectie uit te voeren alleszins redelijk is, onder meer omdat sinds de aanleg in 1977 nooit een inspectie heeft plaatsgevonden. Dit mede in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in voorschrift 4.7.7 omschreven inspectie vóór 1 juni 2006 nodig is ter bescherming van het milieu.

   Nu verweerder zich wat betreft de in voorschrift 4.7.7 opgenomen frequentie waarmee inspectie moet plaatsvinden op een ander standpunt stelt dan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, is het besluit in zoverre genomen in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.7.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 6.5.1 tot en met 6.5.4. Deze voorschriften hebben betrekking op het bedrijfsnoodplan. Ingevolge de voorschriften 6.5.1, 6.5.2 en 6.5.3 dient het bedrijfsnoodplan in overleg met de brandweer vóór 1 april 2005 te worden herzien en ter goedkeuring aan verweerder te worden voorgelegd en dient het plan met de brandweer te worden geëvalueerd en indien nodig te worden aangepast. Voorschrift 6.5.4 bevat onder meer de vereisten waaraan het bedrijfsnoodplan moet voldoen.

   Appellante betoogt dat bepalingen over een bedrijfsnoodplan niet in een vergunning voor een inrichting als hier aan de orde thuis horen dan wel dat de daarin opgenomen eisen op een aantal punten te ver gaan. De in voorschrift 6.5.4 genoemde implementatie van hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer kan volgens haar niet in de vergunning worden voorgeschreven.

2.7.1.    Verweerder stelt dat de voorschriften nodig zijn voor het bestrijden van of beperken van de omvang van een calamiteit. Het ingediende noodplan schenkt volgens verweerder onvoldoende aandacht aan milieugerelateerde zaken.

2.7.2.    Uit voorschrift 6.5.1 samen met voorschrift 6.5.4 volgt dat het noodplan onder meer gegevens moet bevatten over "een implementatie van hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer". Het is niet duidelijk wat hieronder zou moeten worden verstaan. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor het overige vindt de Afdeling, mede gezien het deskundigenbericht, in hetgeen in beroep naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder voor deze inrichting niet in redelijkheid een bedrijfsnoodplan heeft kunnen voorschrijven, noch voor het oordeel dat verweerder in dat verband niet de in de voorschriften 6.5.1 tot en met 6.5.4 opgenomen eisen heeft kunnen stellen.

   Gelet hierop is het beroepsonderdeel over de voorschriften 6.5.1 tot en met 6.5.4 gedeeltelijk gegrond.

2.8.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1.3 en 7.1.4. Ingevolge voorschrift 7.1.3 dient jaarlijks een overzicht van de energiehuishouding te worden overgelegd aan verweerder. Ingevolge voorschrift 7.1.4 moet over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit het energiebesparingsonderzoek worden gerapporteerd aan verweerder. Appellante acht deze voorschriften onnodig bezwarend. Zij betoogt dat reageren op wijzigingen in het energieverbruik in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van het bedrijf en wijst erop dat resultaten van onderzoek en verbruiksgegevens door de gemeente op elk moment kunnen worden ingezien.

2.8.1.    Verweerder vindt het overleggen van energiegegevens nodig omdat het belangrijk is om tijdig te kunnen reageren op de resultaten van de monitoring van het energieverbruik. Verweerder verklaart geen belang meer te hechten aan voorschrift 7.1.3, omdat hetgeen daarin is bepaald reeds is verwerkt in voorschrift 7.1.4.

2.8.2.    Nu verweerder bij nadere beschouwing van mening is dat voorschrift 7.1.3 kan worden gemist, moet worden geoordeeld dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.8.3.    De verplichting tot het uitvoeren van het in voorschrift 7.1.4 genoemde energiebesparingsonderzoek is neergelegd in de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1.1 en 7.1.2. De verplichting om dit (eenmalige) onderzoek uit te voeren is als zodanig niet bestreden.

   Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk om welke reden verweerder het in het belang van de bescherming van het milieu nodig acht dat appellante, zoals in voorschrift 7.1.4 is bepaald, voor onbepaalde tijd jaarlijks moet rapporteren over het uitvoeren van maatregelen die mogelijk in het eenmalige energiebesparingsonderzoek aan de orde zijn geweest. Ook ter zitting is niet duidelijk geworden wat verweerder concreet zou willen doen met de rapportages en gegevens die op grond van voorschrift 7.1.4 jaarlijks bij verweerder moeten worden ingediend. Naar het oordeel van de Afdeling berust het bestreden besluit in dit opzicht, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering.

2.9.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 8.1.1 en 8.1.4.

   Ingevolge voorschrift 8.1.1, voorzover hier van belang, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau conform de resultaten van het rapport "Akoestisch rapport inzake Plibrico B.V." van 5 oktober 2001, niet meer bedragen dan de in het rapport opgenomen waarden (Ldag, Lavond, Lnacht) van tabel 2, punten 178 tot en met 183.

   Ingevolge voorschrift 8.1.4 dienen geluidmetingen tijdens een representatieve bedrijfssituatie te geschieden. Tien werkdagen voordat de metingen zullen plaatsvinden, dient verweerder hiervan in kennis te worden gesteld.

   Appellante betoogt dat de grenswaarden uit de vergunning zelf kenbaar moeten zijn en niet uit bij de aanvraag behorende rapporten. Voorschrift 8.1.4 is volgens appellante overbodig, omdat in voorschrift 8.1.3 reeds is bepaald dat het geluidonderzoek moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999.

2.9.1.    Ten aanzien van voorschrift 8.1.1 overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat in de aan de vergunning verbonden voorschriften wordt verwezen naar gegevens die zijn opgenomen in de aanvraag om vergunning. Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

2.9.2.    Ten aanzien van voorschrift 8.1.4 overweegt de Afdeling dat in voorschrift 8.1.3 de wijze van beoordelen van het geluid al is vastgelegd door middel van de verwijzing naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Het stellen van aanvullende eisen, zoals neergelegd in voorschrift 8.1.4, is niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. Het voorschrift is derhalve in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.10.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 9.1.1 en 9.1.2.    

   In voorschrift 9.1.1 zijn grenswaarden opgenomen voor de uitstoot van stof, NOx en Fluor(verbindingen).

   Ingevolge voorschrift 9.1.2 moet vóór 30 oktober 2007 een stofemissie-onderzoek en een rookgasemissie-onderzoek plaatsvinden.

2.10.1.    Ten aanzien van voorschrift 9.1.1 overweegt de Afdeling dat verweerder blijkens de stukken en het ter zitting gestelde heeft beoogd voorschrift 9.1.1 pas te laten gelden nadat het onderzoek dat in voorschrift 9.1.2 is voorgeschreven, is voltooid. Deze beperking is echter niet opgenomen in voorschrift 9.1.1. Nu verweerder derhalve heeft beoogd een ander voorschrift aan de vergunning te verbinden dan thans het geval is, heeft verweerder in zoverre in strijd gehandeld met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is ten aanzien van voorschrift 9.1.1 gegrond. Gezien de samenhang met voorschrift 9.1.2, is het beroep tegen dat voorschrift ook gegrond.

2.11.    Appellante kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 13.1.1 tot en met 13.1.6 op grond waarvan, voorzover hier van belang, lasdampen moeten worden afgezogen en door een filter moeten worden geleid. Appellante betoogt dat het voorschrijven van een filter onnodig bezwarend is, omdat bij het lassen aan ongelegeerd staal minder dan 100 kg toevoegmateriaal op jaarbasis wordt verbruikt en dat lassen aan roestvast staal hooguit drie uur per week plaatsvindt.

2.11.1.    Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het voorschrijven van de afzuiging van lasdampen bij het lassen van roestvast staal in het belang van de bescherming van het milieu zinvol kan zijn, maar bij het lassen van ongelegeerd staal, gelet op de beperkte hoeveelheid toevoegmateriaal die wordt gebruikt, niet. Er is geen grond om aan deze conclusie te twijfelen. Nu de voorschriften 13.1.1 tot en met 13.1.6 mede betrekking hebben op lasactiviteiten met ongelegeerd staal zijn deze in zoverre niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu en daarmee in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.12.    Gelet op het vorenstaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

2.13.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout van 13 december 2004, kenmerk 02.22, voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.4.1 en 4.2.1, de zinsnede "Ten minste …zijn overgelegd." in voorschrift 4.3.4, de zinsnede "10 jaarlijks" in voorschrift 4.7.7, de zinsnede "een implementatie van hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer" in voorschrift 6.5.4, en de voorschriften 7.1.3, 7.1.4, 8.1.4, 9.1.1, 9.1.2 en 13.1.1 tot en met 13.1.6 betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 356,27 (zegge: driehonderdzesenvijftig euro en zevenentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oosterhout aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Oosterhout aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

262-415.