Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200508004/1 en 200508004/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op 24 februari 2005 heeft de examencommissie HBO-V van de Hogeschool Zeeland, conform de beslissing van 13 januari 2005 van de examinator, het resultaat van zorgstage 1 van appellant als onvoldoende vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 35 met annotatie van B.P. Vermeulen
JB 2006/18 met annotatie van Hans Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508004/1 en 200508004/2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/543 van de rechtbank Middelburg van 9 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Zeeland.

1.    Procesverloop

Op 24 februari 2005 heeft de examencommissie HBO-V van de Hogeschool Zeeland, conform de beslissing van 13 januari 2005 van de examinator, het resultaat van zorgstage 1 van appellant als onvoldoende vastgesteld.

Bij beslissing van 17 juni 2005 heeft het college van beroep voor de examens (hierna: het college) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2005, hoger beroep ingesteld, alsmede de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 24 september 2005 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. B.F.T. de Moor, advocaat te Middelburg, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.        Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

       Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3.        De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het door appellant tegen het besluit van 17 juni 2005 ingestelde beroep kennis te nemen, omdat de beslissing van het college geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Daartoe heeft zij overwogen dat het college niet als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan worden aangemerkt voorzover het heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van het besluit van de examencommissie, omdat de examencommissie zelf slechts met openbaar gezag is bekleed voorzover zij al dan niet een getuigschrift toekent ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd.

2.4.        Niet in geschil is dat de Hogeschool Zeeland een zogenoemde bijzondere instelling voor hoger onderwijs is en uitgaat van een rechtspersoon die krachtens privaatrecht is ingesteld. De Hogeschool Zeeland noch de organen van bedoelde rechtspersoon kunnen dan ook als bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat in dat verband de wettelijke bepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek moeten worden gezien als bekostigingsvoorwaarden voor de bijzondere hogeschool. Derhalve wordt de rechtsverhouding tussen appellant en de bijzondere instelling beheerst door het privaatrecht. Het besluit hier aan de orde heeft betrekking op de beoordeling van een stage, die is gelijk te stellen met de beoordeling van een tentamen. De beoordeling van een tentamen wordt beheerst door de privaatrechtelijke verhouding tussen de student en de hogeschool, zoals deze is neergelegd in de Onderwijs- en Examenregeling voor de Hogeschool Zeeland 2004-2005 HBO-V en het Studentenstatuut van de Hogeschool Zeeland. De rechtbank heeft zich dan ook terecht en op goede gronden onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen en tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan.

2.5.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.        Gelet hierop, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

362.