Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200502936/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2005:AS8491
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het College bescherming persoonsgegevens (hierna: het Cbp) het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college) een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet tijdig melden van zes geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 27
Wet bescherming persoonsgegevens 66
Wet bescherming persoonsgegevens 79
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502936/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/928 BESLU K1 van de rechtbank Roermond van 14 februari 2005 in het geding tussen:

appellant en de gemeente Horst aan de Maas

en

het College bescherming persoonsgegevens.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het College bescherming persoonsgegevens (hierna: het Cbp) het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college) een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet tijdig melden van zes geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het Cbp het daartegen door het college gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2005, verzonden op 22 februari 2005, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door het college ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2005 heeft het Cbp van antwoord gediend.

Bij besluit van 13 september 2005 heeft het Cbp, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van het college tegen het besluit van 4 maart 2004 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het college een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet tijdig melden van vier geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray, en drs. M.A.M. Lenssen, ambtenaar van de gemeente, en het Cbp, vertegenwoordigd door Mr. E. van Dijk, advocaat te Den Haag, en mr. H.G. Kraai, medewerker van het Cbp, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) wordt een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die voor de verwezenlijking van een doeleinde of van verscheidene samenhangende doeleinden bestemd is, alvorens met de verwerking wordt aangevangen gemeld bij het Cbp of de functionaris.

   Ingevolge artikel 79, eerste lid, van de Wbp worden binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet de gegevensverwerkingen die op dat tijdstip reeds plaatsvonden, in overeenstemming gebracht met deze wet en worden deze gemeld als bedoeld in artikel 27 bij het Cbp of de functionaris.

   Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de Wbp kan, indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens artikel 27 of 28 is bepaald, het Cbp hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 4.500,00.

2.2.    Bij het besluit van 4 maart 2004, dat bij de beslissing op bezwaar van 7 juli 2004 is gehandhaafd, heeft het Cbp aan het college een boete opgelegd van € 15.000,00, omdat het zes bestaande verwerkingen, die uiterlijk op 1 september 2002 gemeld hadden moeten worden, niet heeft gemeld.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2005 in zaak no. 200504372/1   stelt artikel 79, eerste lid, van de Wbp een zelfstandige norm voor verwerkingen die op het moment van inwerkingtreding van de Wbp reeds bestonden, te weten dat deze binnen een jaar na inwerkingtreding in overeenstemming moeten worden gebracht met deze wet èn bij het Cbp of de functionaris moeten worden gemeld. De enkele verwijzing in artikel 79, eerste lid, van de Wbp naar artikel 27 van die wet brengt niet met zich dat bij het achterwege blijven van de vereiste melding artikel 27 als zodanig is overtreden. Die bepaling kan, gelet op de tekst daarvan, alleen betrekking hebben op nieuwe gegevensverwerkingen. Het Cbp is dan ook niet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 66, eerste lid, van de Wbp in geval van overtreding van artikel 79, eerste lid, van die wet.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover hij betrekking heeft op het beroep van het college. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het door het college bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, het besluit op bezwaar van 7 juli 2004 vernietigen, het besluit van 4 maart 2004 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 juli 2004.

2.5.    Het besluit van 13 september 2005 van het Cbp moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

2.6.    Gelet op het vorenoverwogene was er, naar thans blijkt, geen grond om nogmaals op het bezwaar van het college te beslissen. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 13 september 2005 gegrond is en dat dit besluit moet worden vernietigd.

2.7.    Het Cbp dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 februari 2005, 04/928 BESLU K1, voorzover deze betrekking heeft op het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas;

III.    verklaart het door het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het College bescherming persoonsgegevens van 7 juli 2004, z2004-0509;

V.    herroept het besluit van het College bescherming persoonsgegevens van 4 maart 2004, z2003-1461;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 juli 2004;

VII.    verklaart het beroep tegen het besluit van het College bescherming persoonsgegevens van 13 september 2005, z2005-0352 gegrond;

VIII.    vernietigt dit besluit;

IX.    veroordeelt het College bescherming persoonsgegevens tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het College bescherming persoonsgegevens) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

X.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het College bescherming persoonsgegevens) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 687,00 (zegge: zeshonderdzevenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

413.