Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200501153/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijchen (hierna: het college) geweigerd aan appellanten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 4 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2005/4278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501153/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1085 van de rechtbank Arnhem van 29 december 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijchen (hierna: het college) geweigerd aan appellanten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door E.T. Theunissen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Rinsampessy, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De aanvraag om bouwvergunning is ingediend ter legalisering van een in afwijking van een op 28 april 2003 verleende bouwvergunning gerealiseerde hogere nokhoogte van de garage.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Dorpshart Balgoij" geldt ter plaatse de bestemming "Woondoeleinden". Ingevolge artikel 5, lid 5.3.4, onder b, van de planvoorschriften, mag de bebouwingshoogte van bijgebouwen ten hoogste 4,5 m bedragen.

   Niet in geschil is, dat de garage, die een nokhoogte heeft van 4,95 m, met deze bepaling in strijd is.

2.3.    In hoger beroep is uitsluitend aan de orde de weigering van het college om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). De weigering van het college om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, is thans niet meer in geschil.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om te beslissen op het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.5.    Dit betoog slaagt, zij het op andere gronden dan appellanten hebben aangevoerd.

   Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, bij uitspraak van 21 januari 2004, in zaak no. 200303592/1, valt uit de tekst van artikel 19, eerste lid, van de WRO, af te leiden dat als op grond van artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling uit hoofde van artikel 19, eerste lid, van de WRO niet aan de orde is. Ook uit de Nota van Wijziging (TK 1997-1998, 25 311, nr. 7) blijkt dat door de wetgever is beoogd in dat geval de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen uitsluitend aan het college toe te kennen.

   Niet bestreden is, dat het bouwplan een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom betreft, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening, waarvoor met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend. Dat die vrijstelling in dit geval is geweigerd omdat het bouwplan niet past binnen de door het college ter invulling van die bevoegdheid vastgestelde beleidsregels, laat onverlet dat voor de in artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO bedoelde gevallen géén vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO kan worden verleend. Het college was reeds om die reden niet bevoegd om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals het heeft gedaan.

   Aan het betoog van appellanten dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar de bevoegdheid vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO niet door de raad aan het college was gedelegeerd, wordt gelet op het vorenstaande niet meer toegekomen. Dit geldt evenzeer ten aanzien van het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college de weigering om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voorzover daarbij in stand is gelaten de weigering vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren voorzover het was gericht tegen de weigering om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen, en de bestreden beslissing op bezwaar van 13 april 2004 in zoverre vernietigen. De Afdeling zal voorts het primaire besluit van 24 november 2003 herroepen, voorzover het college daarbij heeft geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen.

2.7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 december 2004, kenmerk: AWB 04/1085, voorzover betrekking hebbend op de weigering vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijchen van  13 april 2004, kenmerk: 03/13968, voorzover het de weigering vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO betreft;

V.    herroept het besluit van 24 november 2003, voorzover het college daarbij heeft geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen;

VI.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII.    gelast dat de gemeente Wijchen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 (zegge: driehonderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

218-422.