Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200410035/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2000, voorzover thans van belang, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Minister) appellant een tegemoetkoming in schade ten gevolge van regelval toegekend van ƒ 316.234,00 (€ 1435.00,73).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410035/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Waterschap Hunze en Aa's,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 02/413 BESLU STRA van de rechtbank Groningen van 27 oktober 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, thans de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2000, voorzover thans van belang, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Minister) appellant een tegemoetkoming in schade ten gevolge van regelval toegekend van ƒ 316.234,00 (€ 1435.00,73).

Bij besluit van 4 maart 2002 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2004, verzonden op 1 november 2004, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam, en mr. J.A. Martens, werkzaam bij het Waterschap, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Minister), vertegenwoordigd door mr. G. Sebus, werkzaam ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het besluit van 18 maart 2000 is genomen krachtens de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreme zware regenval 1998 (hierna: de Regeling). De tegemoetkoming bestaat uit ƒ 217.500,00 (€ 98.697,20) voor aan openbare infrastructurele voorzieningen geleden schade  en ƒ 98.824,00 (€ 44.844,38) voor bereddingskosten. De Minister heeft geen tegemoetkoming in de kosten van het inzetten van een noodpomp toegekend.

2.1.1.    Aan de tegemoetkoming ligt een aanvraag van 11 januari 1999 van het voormalig Waterschap Dollardzijlvest ten grondslag. Na een fusie van onder meer het Waterschap Dollardzijlvest en het Waterschap Hunze en Aa is het Waterschap Hunze en Aa's op 1 januari 2000 opgericht.

2.2.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder gedupeerde verstaan degene die schade heeft geleden, dan wel kosten heeft gemaakt, als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, i en j, voorzover thans van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën, voorzover de geleden schade is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een ramp, waarop deze wet van toepassing is verklaard:

(…)

c.    de schade aan de openbare infrastructurele voorzieningen;

(…)

i.    de bereddingskosten per risico-adres, waaronder worden verstaan de kosten die de gedupeerde heeft gemaakt in verband met het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade of kosten, voorzover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur vast te stellen regels;

j.    de kosten voor opruiming per risico-adres, voorzover verschuldigd aan derden of toe te rekenen aan extra arbeid in eigen beheer volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels.

2.2.1.    De Wet is bij de Regeling van toepassing verklaard op, onder meer, de schade en kosten die zijn opgekomen als gevolg van extreme regenval op 27 en 28 oktober 1998.

2.2.2.    Ter uitvoering van onder meer voormeld artikel 4, eerste lid, onder i en j, van de Wet is het het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: het Besluit) vastgesteld. In artikel 4, aanhef en onder c, ervan is bepaald dat de hoogte van de tegemoetkoming, voorzover het schade, bedoeld in artikel 4, eerste lid en onder c, van de Wet, betreft, wordt berekend op basis van de kosten van herstel, verminderd met de kosten van achterstallig onderhoud en de kosten ter verbetering.

2.3.    Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat in het besluit van 4 maart 2002 ten onrechte niet kenbaar is gemaakt, welke bedragen om welke reden al dan niet in aanmerking voor vergoeding zijn gekomen.

2.3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het besluit van 4 maart 2002 voldoende duidelijk blijkt, welke kosten als bereddingskosten in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet worden aangemerkt en welke bedragen in dit verband wel en niet in aanmerking zijn genomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de door appellant ingebrachte gespreksnotitie van 26 april 1999 blijkt dat een schade-expert met hem de desbetreffende nota's in dat verband heeft besproken.

2.4.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister zich in het besluit van 4 maart 2002 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de voor vergoeding in aanmerking komende arbeidskosten geen aftrek voor arbeidsuren geldt.

2.4.1.    De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat, nu bij het besluit van 4 maart 2002 geen aftrek voor arbeidsuren heeft plaatsgevonden, appellant niet is benadeeld doordat in het besluit niet is vermeld dat voor de vergoeding van arbeidskosten in het kader van de bereddingswerkzaamheden geen aftrek voor arbeidsuren geldt. De grief faalt.

2.5.    Ook de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de weigering van een tegemoetkoming voor kosten van consumpties en attenties voor hulpverleners en voor kosten van de inzet van pompen, onderhoud en energie, faalt. Indien de rechtbank deze beroepsgrond al ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, kan dat appellant niet baten. De Minister heeft zich in het besluit van 4 maart 2002 terecht op het standpunt gesteld dat de kosten voor consumpties en attenties niet onder de limitatief opgesomde schadecategorieën van artikel 4, eerste lid, van de Wet vallen en om die reden niet voor enige tegemoetkoming in aanmerking komen. De inzet van pompen, onderhoud en energie behoren tot de normale beheerstaken van het waterschap, die ook buiten de periode van extreme regenval worden vervuld. De Minister heeft aldus terecht geen tegemoetkoming verstrekt ter zake van de aan die taken gerelateerde kosten, omdat die kosten niet als bereddingskosten in de zin van de Wet kunnen worden aangemerkt.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet volgt dat niet alleen eigen schade als bereddingskosten voor tegemoetkoming in aanmerking komt, maar ook de schade wegens maatregelen ter voorkoming van schade aan ingelanden.

2.6.1.    Ook dat betoog faalt. Ingevolge artikel 1, onder e, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid van de Wet, heeft alleen de gedupeerde aanspraak op een tegemoetkoming voor schade aan eigen eigendommen en de daaraan gerelateerde bereddingskosten. Voor het betoog van appellant dat uit de parlementaire geschiedenis (TK 1996-1997, 25 159, nr.3) blijkt dat de wetgever verschil heeft willen maken tussen de gedupeerde en de door deze voor hulpverlening ingeschakelde derden en geen verschil tussen de gedupeerde en functionele overheden die bereddingskosten maken ten behoeve van de ingelanden, zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden. De rechtbank heeft dan ook terecht de kosten die appellant heeft gemaakt ten behoeve van de ingelanden niet aangemerkt als bereddingskosten, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder i, van de Wet en overwogen dat appellant derhalve ten aanzien van die kosten geen gedupeerde is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet.

2.6.2.    Gelet op het hetgeen hiervoor onder 2.6.1. is overwogen, volgt, anders dan appellant betoogt, uit de brief van 19 april 2000 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (hierna: de Staatsecretaris) aan de Unie van Waterschappen niet dat kosten van werkzaamheden, die door een waterschap ter voorkoming of beperking van schade of kosten van ingelanden zijn verricht en die zijn uitgevoerd met externe capaciteit, zoals ingehuurde pompen, voor tegemoetkoming krachtens de Wet in aanmerking komen.

2.6.3.    Ook het betoog van appellant dat de Minister een te groot deel van de bereddingskosten heeft aangemerkt als kosten voor ingelanden, slaagt niet. Bij de berekening van de tegemoetkoming voor bereddingskosten heeft de Minister 25% van de totale bereddingskosten aangemerkt als kosten, opgekomen bij de bescherming van eigendommen van het waterschap, omdat uit de door waterschappen verschafte facturen en kostenoverzichten niet blijkt, welke kosten ter bescherming van eigen eigendommen zijn gemaakt en welke ter bescherming van eigendommen van ingelanden. Indien aannemelijk wordt gemaakt dat een groter deel aan kosten dan 25% ten behoeve van eigen eigendommen zijn gemaakt, neemt de Minister een groter percentage voor tegemoetkoming in aanmerking.

   Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aldus voor hantering van een hoger percentage dan 25% in aanmerking komt. Voorts is niet gebleken dat, zoals appellant stelt, de Minister de kosten ter bescherming van de ingelanden eerst buiten beschouwing heeft gelaten, om vervolgens nog maar 25% van de resterende kosten te vergoeden. De kosten voor de inzet van de noodpomp, inundatie en nooddijken zijn buiten beschouwing gelaten, omdat deze zijn opgekomen in het voormalig Waterschap Hunze en Aa en het voormalig Waterschap Dollardzijlvest ten aanzien van deze kosten niet als gedupeerde is aan te merken.    

2.7.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister in strijd met opgewekt vertrouwen heeft afgezien van een tegemoetkoming voor de kosten van het inzetten van een noodpomp in de  Onnerpolder.

2.7.1.    De pomp is ingezet ten behoeve van de infrastructurele voorzieningen en eigendommen van het voormalig Waterschap Hunze en Aa. Nu de aanvraag voor de vergoeding van de kosten is gedaan door het voormalig Waterschap Dollardzijlvest en dit waterschap in zoverre niet als gedupeerde in de zin van de Wet is aan te merken, komt dit waterschap niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten. Reeds om die reden faalt het betoog.      

2.8.    Ten slotte bestrijdt appellant tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat de Minister op goede gronden geen volledige vergoeding heeft toegekend van de kosten van herstel van de taluds door middel van de zogenoemde schelpenmethode.

   De Minister heeft het herstel van taluds door middel van de schelpenmethode terecht aangemerkt als een verbetering in plaats van herstel in de oude toestand van voor de waterschade, waarbij verzakte grond in het talud wordt teruggezet. Schade-experts van BCE hebben in dat verband onder meer gesteld dat door het gebruik van schelpen een grote stabiliteit van de walkanten wordt verkregen en de drainerende werking wordt bevorderd. Ook uit het door appellanten ingebrachte deskundigenrapport van 9 september 2002 blijkt dat de schelpenmethode tot een duurzaam voorkomen van instabiliteit van het talud leidt en dat appellant in de komende jaren minder zal worden geconfronteerd met het uitzakken van taluds dan bij herstel in de oude toestand het geval zou zijn.

   Nu ingevolge artikel 4, onder c, van het Besluit de hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend op basis van de kosten van herstel, verminderd met de kosten tot verbetering, heeft de Minister geen volledige vergoeding hoeven toekennen. Anders dan appellant betoogt, ziet deze bepaling op het herstel in de toestand van direct voor de waterschade, nu schade en kosten alleen voor tegemoetkoming in aanmerking komen die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg zijn van de zware regenval in het najaar van 1998. Kosten voor verbetering komen niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Daaraan doet niet af dat, naar appellant stelt, de schelpenmethode een noodzakelijke en goedkope en adequate wijze van herstel is en dat de oorspronkelijke methode van opbouw en herstel van het talud, gelet op een ondergrond van zand en veen, achterhaald is.

2.9.    Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Planken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

299.