Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200503962/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuiken- en schapenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 25 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4350 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503962/1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend of gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuiken- en schapenhouderij gelegen op het perceel [locatie 1], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 25 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 mei 2005, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Pennings, advocaat te Veghel, en verweerder, vertegenwoordigd door J.W. de Kort, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellanten voeren aan dat verweerder in paragraaf 7.1.1 van het beoordelingsrapport ten onrechte niet heeft vermeld dat zich nachtelijke transportbewegingen kunnen voordoen vanwege het in werking zijn van de weegbrug. Het beoordelingsrapport is derhalve onvolledig, aldus appellanten.

   De Afdeling is van oordeel dat het hier een kennelijke verschrijving betreft. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting naar voren gebracht dat abusievelijk in het beoordelingsrapport niet is vermeld dat zich in verband met de weegbrug nachtelijke transportbewegingen kunnen voordoen. Daarentegen is in het akoestisch onderzoeksrapport van Geurts Technisch Adviseurs B.V., nr. 8.4258, van 3 september 2004 (hierna: het akoestisch onderzoeksrapport), hetgeen blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, wel uitgegaan van de nachtelijke transportbewegingen ten aanzien van de weegbrug. De verschrijving leidt derhalve niet tot verwarring of rechtsonzekerheid.

2.4.    Appellanten voeren aan onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden van het wegverkeer van en naar de inrichting. Zij betwisten dat de inrichting wat betreft de indirecte geluidhinder kan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) zoals opgenomen in de circulaire inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996. Voorts betogen appellanten dat verweerder de indirecte geluidhinder ten onrechte heeft berekend conform het meet- en rekenvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 in plaats van aan de hand van geluidmetingen. Tevens stellen appellanten dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een halvering van het aantal transportbewegingen vanwege de twee mogelijke ontsluitingen, nu het grootste deel van het verkeer zich in de richting van de woningen van appellanten begeeft. Tenslotte voeren appellanten aan dat ten onrechte is uitgegaan van een snelheid van het verkeer van 50 km/uur ter hoogte van de woning aan de [locatie 2]. Zij stellen dat de snelheid van het verkeer ter hoogte van voornoemde woning circa 80 km/uur is.

2.4.1.    De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de indirecte geluidhinder kan worden berekend aan de hand van het meet- en rekenvoorschrift 2002, aangezien verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrachtwagens die bij de inrichting komen overeenkomen met het gemiddelde Nederlandse wagenpark. Verweerder heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat bij de berekening van de indirecte geluidhinder ervan kan worden uitgegaan dat de helft van het verkeer van en naar de inrichting langs de woningen van appellanten komt, gelet op het feit dat de inrichting twee mogelijke ontsluitingen heeft. Verweerder komt op basis van het akoestisch onderzoeksrapport tot de conclusie dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning aan de [locatie 2] niet wordt overschreden. De Afdeling heeft geen reden om aan te nemen dat deze conclusie onjuist is. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder van het wegverkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden gevreesd.

2.5.    Appellanten stellen onaanvaardbare lichthinder te ondervinden van het wegverkeer van en naar de inrichting. In dit verband voeren zij aan dat de woningen van appellanten dichtbij de aanvoerwegen naar de inrichting zijn gelegen en dat zij lichthinder ondervinden van de verlichting die op de vrachtwagens is aangebracht.

   Verweerder voert aan dat de afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woning 236 meter bedraagt, hetgeen door appellanten niet wordt bestreden, en dat de verlichting van vrachtwagens die zich op de openbare weg op een dergelijke afstand van de inrichting bevinden, niet kan worden toegerekend aan de inrichting.

   De Afdeling is van oordeel dat, daargelaten de vraag of de verlichting van de vrachtwagens ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting, verweerder zich, gezien de aard en omvang van deze hinder, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare lichthinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.    Appellanten stellen dat de commerciële exploitatie van de weegbrug zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.7.    Appellanten hebben in het beroepschrift voor het overige verwezen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Gemert

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005

312-493.