Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4953

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
200506911/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2004, kenmerk N03-06, heeft verweerder aan verzoeker een nadere eis, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), opgelegd met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506911/4.

Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2004, kenmerk N03-06, heeft verweerder aan verzoeker een nadere eis, als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit), opgelegd met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 juni 2005, verzonden op 29 juni 2005, kenmerk 583661, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 4 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2005, waar verzoeker, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door M. Merkx en A. Buijs, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De bij het bestreden besluit aan verzoeker opgelegde nadere eis strekt ertoe dat, in afwijking van het gestelde in voorschrift 1.1.1. van de bijlage bij het Besluit, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van een woning van derden niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 38 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3.    Verzoeker kan zich niet verenigen met de opgelegde nadere eis en voert daartoe aan dat het stellen van deze nadere eis onredelijk is. Volgens hem is er geen sprake van onaanvaardbare geluidhinder. Bovendien is verweerder bij het beoordelen van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting ten onrechte uitgegaan van een rustige woonwijk met weinig verkeer als karakterisering van de omgeving van de inrichting. Verzoeker wijst er op dat de inrichting in de invloedsfeer van een uitgaansgebied is gelegen, zodat de gestelde grenswaarde met 5 dB(A) moeten worden verhoogd. Het akoestisch rapport dat verweerder bij het vaststellen van de nadere eis als uitgangspunt heeft genomen is volgens verzoeker niet representatief en de metingen zijn bovendien op onjuiste wijze uitgevoerd. Tot slot stelt verzoeker dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de voorschriften 1.1.7 en 1.1.8 van het Besluit, waardoor er geen verhoging van de geluidnormen met 5 dB(A) heeft plaatsgevonden en geen bedrijfsduurcorrectie is toegepast.

2.3.1.    Vaststaat dat de inrichting sinds 1 oktober 1998 onder de werkingssfeer van het Besluit valt.

2.3.2.    Verweerder heeft zich in het primaire besluit bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting gebaseerd op een akoestisch rapport van Sonus van oktober 2002 (hierna: het akoestisch rapport), waarin de uitkomsten van metingen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid bij de inrichting zijn neergelegd. Gelet op de hoogte van het ter plaatsende heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid en onder meer gezien de afstand van de inrichting tot woningen van derden acht verweerder het redelijk om in afwijking van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit lagere geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te stellen. Verweerder gaat er daarbij van uit dat de omgeving van de inrichting kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk met weinig verkeer.

2.3.3.    De Voorzitter acht het aannemelijk dat het akoestisch onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid onder representatieve omstandigheden heeft plaatsgevonden. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Voorzitter wat betreft de bij de nadere eis gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dag- en nachtperiode in zoverre geen aanleiding om in afwachting van de behandeling van de hoofdzaak een voorlopige voorziening te treffen.

   Wat betreft de bij de nadere eis gestelde geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode zijn in het akoestisch rapport waarden opgenomen van 41 dB(A) voor de woning Verwersdijk 5 en 44 dB(A) voor de woning Cellebroerstraat 59. In de nadere eis is voor beide woningen een geluidgrenswaarde van 40 dB(A) gesteld, derhalve lager dan het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid in deze periode. In het bestreden besluit heeft verweerder op dit punt geen blijk gegeven van een bestuurlijk afweging, zodat onduidelijk is of de gestelde nadere eis in zoverre noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Hierbij neem de Voorzitter nog in aanmerking dat hij het niet aannemelijk acht dat de inrichting is gelegen in een rustige woonwijk met weinig verkeer. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De Voorzitter ziet aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Wat betreft het betoog van verzoeker dat de inrichting binnen de invloedsfeer van een uitgaansgebied ligt zodat verweerder toepassing had moeten geven aan voorschrift 1.1.5 van de bijlage bij het Besluit blijkt uit het bestreden besluit dat de inrichting niet is gelegen in een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in voornoemd voorschrift. Verweerder heeft voorschrift 1.1.5 van de bijlage bij het Besluit derhalve terecht buiten beschouwing gelaten. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek.

2.5.    Met betrekking tot de voorschriften 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage bij het Besluit overweegt de Voorzitter het volgende. Op grond van voorschrift 1.1.7 van het Besluit kunnen de geluidgrenswaarden slechts met 5 dB(A) worden verhoogd indien op de inrichting voorschrift 2.2 van bijlage 1 van het Besluit horecabedrijven milieubeheer van toepassing is geweest. In dit voorschrift is -kort gezegd- bepaald dat voor bestaande inrichtingen een equivalent geluidniveau van 55 dB(A) mag worden opgelegd, tenzij de inrichting op grond van een milieuvergunning aan lagere geluidgrenswaarden diende te voldoen. Nu voor de inrichting een vergunning gold waarin lagere geluidgrenswaarden waren opgenomen, heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan voorschrift 1.1.7 van de bijlage bij het Besluit. Verder overweegt de Voorzitter dat voorschrift 1.1.8 van de bijlage bij het Besluit tot 1 december 2002 van toepassing was. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was voorschrift 1.1.3 van de bijlage bij het Besluit, waarin is bepaald dat bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit, voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast, derhalve onverkort op de inrichting van toepassing. Het vorenstaande in aanmerking genomen ziet de Voorzitter in zoverre geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 21 juni 2005, kenmerk 583661, en het besluit van 6 mei 2004, kenmerk N03-06, voorzover het de gestelde geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode betreft;

II.    gelast dat de gemeente Delft aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

312-443.