Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
200409575/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 18 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) geweigerd op het verzoek van appellante handhavend op te treden tegen het storten van puin en grond, het kappen van bomen en de uitbreiding van een autospuiterij, op het perceel plaatselijk bekend als "Het Veldje".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 195 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409575/1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Bewonerscomité Hazenkamp", gevestigd te Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/1326 van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1.    Procesverloop

Bij brief van 18 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) geweigerd op het verzoek van appellante handhavend op te treden tegen het storten van puin en grond, het kappen van bomen en de uitbreiding van een autospuiterij, op het perceel plaatselijk bekend als "Het Veldje".

Bij besluit van 22 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 28 februari en 28 en 30 mei 2005 en bij brief, ingekomen op 3 juni 2005, heeft appellante nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door O.M.M. Fennema-Vermeulen en L.J.M.T. Dehue, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

   Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.2.    Blijkens artikel 2 van haar statuten stelt appellante zich tot doel om ten behoeve van de inwoners van de wijk "Hazenkamp" te komen tot een maximale vertegenwoordiging van alle belangen die spelen in de wijk. Dit doel wordt onder meer bereikt door:

- het organiseren van bijeenkomsten ter bespreking van de belangen;

- het geven van voorlichting;

- het geven van straatfeesten.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 18 september 2002 in zaak no. 200201630/1 (JB 2002/327), moet het bij belangen van een rechtspersoon als bedoeld in vermeld artikel 1:2, derde lid, van de Awb gaan om een aan de statutaire doelstellingen ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van bovenindividuele belangen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellante gestelde belangen niet zijn aan te merken als belangen in vorenbedoelde zin. De belangen die in het geding zijn bij het verzoek van appellante om handhaving zijn veeleer aan te merken als individuele belangen die de leden van appellante, althans een deel daarvan, gemeen hebben. Derhalve wordt niet voldaan aan artikel 1:2, derde lid, van de Awb en is daarom geen sprake van een rechtstreeks betrokken belang, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. In het betoog van appellante dat zij in een voorgaande procedure wel als belanghebbende is aangemerkt, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat de ontvankelijkheid een door de bestuursrechter ambtshalve te beoordelen aspect betreft.

2.4.    Nu appellante geen belanghebbende was bij haar verzoek om handhaving, was geen sprake van een aanvraag, als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing van dat verzoek is geen besluit. Het tegen de afwijzing van het verzoek om handhavend optreden gericht bezwaar is dan ook, als niet gericht tegen enig besluit, niet-ontvankelijk.

2.5.    Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht, hoewel op onvolledige gronden, heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met enige verbetering van de gronden.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

378.