Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
200500046/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2002 heeft appellant (hierna: de raad) het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2005/197
JOM 2007/316
OGR-Updates.nl 1001112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500046/1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Wognum,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WET 04/133 van de rechtbank Alkmaar van 26 november 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2002 heeft appellant (hierna: de raad) het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2003 heeft de raad het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de raad opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 april 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij brieven van 28 juni 2005 en 1 juli 2005 heeft de raad nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2005, waar de raad, vertegenwoordigd door H. Bas, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartij] heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de bij besluit van 11 maart 1997 verleende vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor de aanleg van een composteringsterrein en een opslagterrein op de gronden gelegen achter [locatie] te [plaats], naast de bedrijfsgronden die bij [wederpartij] in gebruik zijn als boomgaard. Volgens [wederpartij] bestaat de schade uit waardevermindering van zijn boomgaard wegens stankhinder en geluidsoverlast.

2.2.    Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.3.    Op 28 december 1978 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1978" vastgesteld. Dit plan is door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 5 augustus 1980 goedgekeurd en werd onherroepelijk op 15 januari 1981. In dit bestemmingsplan rustte op de gronden gelegen tussen de [locatie] tot 150 meter vanuit de dijk de bestemming "opslagterrein". Aansluitend hadden de gronden de bestemming "agrarische doeleinden II". Laatstbedoelde gronden waren bestemd voor agrarisch gebruik en de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken, uitgezonderd woningen.

   Bij besluit van 11 maart 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wognum ter zake van de gronden met de bestemming "agrarische doeleinden II" krachtens artikel 19 van de WRO vrijstelling verleend voor de aanleg van een composteringsterrein op een gedeelte van de gronden en voor een opslagterrein ten dienste van het waterschap op het overige gedeelte.

   In het vrijstellingsbesluit is, voorzover thans van belang, de voorwaarde opgenomen dat de grond slechts mag worden gebruikt voor de opslag van goederen en materialen, waarbij de hoogte van de opslag maximaal 2 meter mag bedragen, uitgezonderd het deel dat voor het composteringsterrein is gereserveerd en waarbij door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de milieuvergunning van 12 december 1995 is bepaald dat de opslaghoogte van composteerhopen ten hoogste 3 meter mag bedragen en ten hoogste 4 meter voor rijpe compost en nog te bewerken grondstoffen. Op de bijbehorende tekening staan drie composteringsvakken van 20 bij 20 meter aangegeven.

2.4.    Blijkens de uitspraak heeft de rechtbank het geding beperkt tot de vraag of [wederpartij] schade heeft geleden ten gevolge van de vrijstelling voor de aanleg van het composteringsterrein. Nu [wederpartij] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak, is de vraag of de vrijstelling voor het opslagterrein een basis vormt voor het toekennen van schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO niet meer aan de orde.

2.5.    Ter beoordeling van het verzoek van appellant heeft de raad de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) gevraagd advies uit te brengen. In het advies heeft de SAOZ, voorzover thans van belang, in aanmerking genomen dat uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) van 5 februari 1997, uitgebracht in het kader van de procedure inzake de milieuvergunning van 12 december 1995, volgt dat buiten een straal van 200 meter geen onaanvaardbare stankhinder te verwachten is. De geurhinder die binnen deze straal kan optreden is volgens de SAOZ niet zodanig dat het bedrijf van [wederpartij] in waarde is gedaald. Daarbij overweegt de SAOZ dat de hoeveelheid te composteren materiaal gering is, het bedrijf is gelegen ten zuidwesten van het composteringsterrein, terwijl de wind meestal uit zuid/zuidwestelijke richting komt, omkering van de composthopen slechts enkele keren per jaar plaatsvindt en het verblijf in de boomgaard veelal tijdelijk is.

   Ten aanzien van de geluidhinder stelt de SAOZ dat die niet is verslechterd als gevolg van het composteringsterrein. Hierbij verwijst de SAOZ naar het rapport van de StAB, waaruit volgt dat geen sprake zal zijn van een significante toename van het aantal verkeersbewegingen, gelet op de toegestane hoeveelheid te composteren afval van 4.000 m3, omgerekend circa 2.800 ton per jaar, die ook onder het oude regime al naar het opslagterrein werd getransporteerd.

2.6.    De raad komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 15 december 2003 een zorgvuldige voorbereiding ontbeert. De rechtbank overwoog dat het advies van de SAOZ wat betreft de stankhinder en lawaaioverlast te algemeen van karakter is en zich wreekt dat het advies deels verwijst naar het rapport van de StAB, dat in een andere procedure is opgesteld en waarbij andere uitgangspunten en criteria zijn gehanteerd. De raad stelt daartegenover dat de door de milieuvergunning vergunde situatie mede bepalend is voor de vaststelling van hetgeen maximaal mogelijk is onder het nieuwe planologische regime, zodat terecht aansluiting is gezocht bij het deskundigenrapport van de StAB.

   Voorts is de rechtbank volgens de raad ten onrechte niet uitgegaan van de situatie zoals die was ten tijde van het vrijstellingsbesluit. Met de nieuwe milieuvergunning, die op 20 september 2004 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland voor het composteringsterrein is verleend, en die uitgaat van een doorzethoeveelheid van 5.000 ton per jaar, kon bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding geen rekening worden gehouden, aldus de raad.

   Ter zitting heeft de raad nog betoogd dat een verdere uitbreiding van de verwerkingscapaciteit mogelijk is, nu de vrijstelling hieraan geen beperkingen stelt, mits dit plaatsvindt binnen de drie composteringsvakken van 20 bij 20 meter en rekening wordt gehouden met een opslaghoogte van ten hoogste 3 meter voor composteerhopen en 4 meter voor rijpe compost en nog te bewerken grondstoffen.

2.6.1.    Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen in planologisch opzicht maximaal mogelijk was enerzijds en thans is anderzijds, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.6.2.    De Afdeling stelt vast dat de milieuvergunning van 20 september 2004 een bijna dubbele doorzethoeveelheid mogelijk maakt ten opzichte van de milieuvergunning van 12 december 1995.

   Weliswaar was de verdere uitbreiding van de verwerkingscapaciteit ten tijde van het vrijstellingsbesluit onzeker en dateert de nieuwe milieuvergunning van na het besluit van 15 december 2003, maar dit laat onverlet dat uit die milieuvergunning kan worden afgeleid dat de planologische gebruiksmogelijkheden, die het vrijstellingsbesluit biedt, verder strekken dan de situatie die met de milieuvergunning van 12 december 1995 was vergund. Nu de in het vrijstellingsbesluit gehanteerde maatvoering een aanzienlijk grotere hoeveelheid te composteren afval mogelijk maakt dan de hoeveelheid waarvoor de milieuvergunning van 12 december 1995 is verleend, heeft de SAOZ door bij de planvergelijking uit te gaan van laatstbedoelde hoeveelheid een onjuiste maatstaf gehanteerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de maximale gebruiksmogelijkheden van de vrijstelling. Reeds hierom heeft de raad het advies van de SAOZ niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Het betoog van de raad faalt dan ook.

2.6.3.    De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op andere gronden, het besluit van 15 december 2003 vernietigd en bepaald dat de raad een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.

   Bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van zowel het oude planologische regime als de voor het composteringsterrein verleende vrijstelling. Vastgesteld dient te worden wat de maximale hoeveelheid te composteren afval is die binnen de in het vrijstellingsbesluit gestelde afmetingen kan worden verwerkt. Vooralsnog valt niet uit te sluiten dat dit meer is dan de hoeveelheid waarop de milieuvergunning van 20 september 2004 ziet.

   Voorts dient te worden onderzocht wat de invloed is van de maximale hoeveelheid te composteren afval op de stankhinder, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze van composteren. Daarnaast moet worden beoordeeld welke gevolgen de maximale hoeveelheid te composteren afval heeft op de geluidhinder, met name door het gebruik van machines bij de composteeractiviteiten. Dit dient te worden vergeleken met de geluidhinder veroorzaakt door machines bij gebruik conform de voormalige bestemming "agrarische doeleinden II".

   Het onderzoek dient te leiden tot beantwoording van de vraag of de vrijstelling voor het composteringsterrein waardevermindering van de boomgaard dan wel een verlies aan exploitatiemogelijkheden ervan tot gevolg heeft, en bij een bevestigende beantwoording, of zulks een vergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO rechtvaardigt.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. Nu de rechtbank, zij het op andere gronden, het beroep terecht gegrond heeft verklaard, dient de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop die rust te worden bevestigd. De raad zal met inachtneming van hetgeen de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen opnieuw dienen te beslissen.

2.8.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de raad der gemeente Wognum tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Wognum aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

71-453.