Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
200410531/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2004 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, 1e partiële herziening (locatie Ollandseweg 172)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/1954
JOM 2007/315
OGR-Updates.nl 1001098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410531/1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Sint-Oedenrode,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2004 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied 1997, 1e partiële herziening (locatie Ollandseweg 172)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 23 november 2004, no. 1000095, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 mei 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.R. van Bruggen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, vertegenwoordigd door C.G.A. van Rossum, wethouder van de gemeente, en,[belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R. Visser, advocaat te Den Bosch, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij vrezen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van hun bedrijf als gevolg van dit plan ernstig worden beperkt. Zij betogen dat bij de bepaling van de stankcirkel van hun bedrijf ten onrechte is uitgegaan van een punt aan de achterzijde van hun boerderij. Tevens is verweerder er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat voor hun bedrijf omgevingscategorie II in plaats van omgevingscategorie III geldt. Daarnaast is de bestemming van de gronden aan de [locatie] volgens hen in strijd met het streekplan waarin voor gronden die in de Agrarische Hoofdstructuur liggen instandhouding en versterking van de landbouw voorop staat. Ook voeren zij aan dat verweerder ten onrechte de ruimte-voor-ruimte regeling (hierna: rvr-regeling) heeft toegepast en dat verweerder het advies van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) hierover zonder motivering terzijde heeft gelegd.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd.

   Aangezien het bedrijf van appellanten binnen het bouwvlak op korte afstand van het plangebied geen uitbreidingsmogelijkheden heeft, acht verweerder het reëel dat bij de bepaling van de stankcirkel is gemeten vanuit de buitenmuur van de stal die het dichtst bij het plangebied staat.

   Het standpunt van de gemeenteraad in de plantoelichting dat de omgeving van het plangebied is aan te merken als een lint en dat er in de nabijheid diverse woningen staan op grond waarvan de omgeving ingevolge de Brochure Veehouderij en Hinderwet kan worden getypeerd als omgevingscategorie II, acht verweerder gelet op de functies in de omgeving, niet onredelijk.

   Volgens verweerder vormt de ligging van het plangebied in de Agrarische Hoofdstructuur landbouw (hierna: AHS-landbouw) geen belemmering voor toepassing van de rvr-regeling. Verweerder overweegt dat het plangebied in een kernrandzone ligt. Voor de planologische aanvaardbaarheid van een rvr-locatie geldt volgens verweerder als voorwaarde dat de rvr-locatie bijvoorbeeld is gelegen in een kernrandzone of in een bebouwingscluster.

   Verweerder ziet geen redenen voor het standpunt dat het plan een belemmering vormt voor de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van appellanten.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plangebied betreft de gronden waarop een voormalige varkensfokkerij was gevestigd en ligt ten zuidoosten van de kern Olland, aan de Ollandseweg 172 te Sint-Oedenrode. Appellanten exploiteren een melkveehouderij aan de [locatie], ongeveer 25 m ten zuiden van het plangebied.

2.5.2.    De partiële herziening maakt de bouw van vier burgerwoningen en de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. De woningen zullen worden gebouwd op grond van de rvr-regeling.

2.5.3.    De partiële herziening laat de bestemming "Agrarisch gebied -A-" van het plangebied ongewijzigd. De medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden "-A-" is vervangen door de medebestemming "Woondoeleinden -W-".

2.5.4.    In de directe omgeving van het plangebied staan acht vrijstaande woningen met bijgebouwen, een tweetal agrarische bedrijven en een café. Tevens bevinden zich daar populierensingels, struikgewas en onbebouwde lintpercelen.

2.6.        Ingevolge het streekplan Noord-Brabant 2002 ligt het plangebied in de AHS-landbouw op de grens met de Groene Hoofdstructuur natuur. In de AHS-landbouw staat de instandhouding en versterking van de landbouw voorop en hebben landbouwbedrijven in beginsel de ruimte om zich te ontwikkelen in de door hen gewenste richting.

2.7.    De rvr-regeling, die onderdeel vormt van het streekplan, heeft tot doel dat de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan in afwijking van de programmering voor de woningbouw of, indien nodig, in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied. De regeling bepaalt onder meer dat de bouw van een woning uitsluitend binnen de bebouwde kom, dan wel binnen een kernrandzone of bebouwingscluster mag plaatsvinden. Tevens bepaalt de regeling dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven in de nabijheid van de woning niet mogen worden beknot.

2.8.    De PPC heeft bij brief van 10 november 2004 negatief geadviseerd inzake het ontwerpbesluit. Zij stelt zich op het standpunt dat geen planologische afweging heeft plaatsgevonden en dat ingevolge de rvr-regeling geen woningbouw mag plaatsvinden in een lint.

2.9.        De veestapel van appellanten bestaat uit 83 melkkoeien en 51 stuks jongvee. Op het bedrijf van appellanten is het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit) van toepassing.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.       Het bezwaar van appellanten dat de in het plan voor woondoeleinden bestemde plandelen in strijd zijn met het streekplan omdat binnen de AHS-landbouw instandhouding en versterking van de landbouw voorop staat, faalt. De rvr-regeling vormt een onderdeel van het streekplan en maakt een uitzondering op het beleid binnen de AHS-landbouw mogelijk. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding deze regeling onredelijk te achten.

             Gelet op de in overweging 2.5.4. genoemde verzameling van gebouwen, die zich bevindt bij een kruispunt van wegen in het buitengebied, stelt de Afdeling vast dat hier sprake is van een bebouwingscluster. Toepassing van de rvr-regeling is hier derhalve mogelijk mits de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf van appellanten niet worden beknot.

       In tegenstelling tot wat appellanten aanvoeren, heeft verweerder het advies van de PPC gemotiveerd weerlegd.

2.11.    Uit bijlage 2 van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 blijkt dat de vaste afstanden in de daarin opgenomen tabel voor rundvee niet gelden voor veehouderijen die vallen onder het Besluit.

              Voor bedrijven zoals dat van appellanten waarop het Besluit van toepassing is, wordt, in verband met de van deze bedrijven te verwachten milieuhygiënische gevolgen, waaronder stankhinder en hinder van algemene aard, een afstand van 50 m tot woningen van derden toereikend geacht. Er bestaat geen grond voor dergelijke bedrijven in het kader van de ruimtelijke ordening zonder meer een ruimere stankcirkel aan te houden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan deze afstandseis wordt voldaan. Weliswaar ligt hierbij het meetpunt niet op de grens van het agrarisch bouwperceel van appellanten, doch op de buitenmuur van het gedeelte van de boerderij dat als stal in gebruik is, doch verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er binnen 50 m, gemeten vanaf deze stal geen mogelijkheden aanwezig zijn voor de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf van appellanten. Hierbij is in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 16, vierde lid, onder j, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" nieuwbouw binnen 30 m van de as van de Ollandseweg niet is toegelaten. Tevens neemt de Afdeling hierbij in beschouwing dat de mogelijkheden voor appellanten hun bedrijf verder te ontwikkelen reeds beperkt zijn als gevolg van de ligging van een woning op ongeveer 50 m ten oosten van het perceel van appellanten.

2.12.     Het voorgaande neemt niet weg dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig kan zijn ten aanzien van een agrarisch bedrijf dat valt onder de werking van het Besluit, een ruimere stankcirkel aan te houden indien valt te verwachten dat een dergelijk bedrijf binnen afzienbare termijn zodanig zal uitbreiden dat het milieuvergunningplichtig zal worden. In dat geval bestaat er in het kader van de ruimtelijke ordening aanleiding om uit te gaan van de stankcirkel die - na de uitbreiding van het bedrijf - moet worden aangehouden. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is hiervan echter niet gebleken.

2.13.     Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14.      Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005

176-482.