Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
200507353/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2005, kenmerk 105-04, heeft verweerder aan verzoekster een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een natwasserij op het perceel Ruwekampweg 8 te 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507353/2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Initial Hokatex B.V.", gevestigd te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2005, kenmerk 105-04, heeft verweerder aan verzoekster een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een natwasserij op het perceel Ruwekampweg 8 te 's-Hertogenbosch.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 22 augustus 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.R. Bruggink, advocaat te Amsterdam, en ir. H. Pijper, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. I. de Leeuw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster betoogt dat in vergunningvoorschrift 2.3 ten onrechte het treffen van een aantal geluidreducerende maatregelen is voorgeschreven. Volgens verzoekster staat vast dat deze maatregelen slechts geringe effecten voor het milieu hebben, terwijl het aanbrengen van de voorzieningen hoge kosten met zich meebrengt. Bovendien hebben de maatregelen een negatief effect op het bedrijfsproces, aldus verzoekster.

2.2.1.    In vergunningvoorschrift 2.3 is bepaald dat de volgende geluidreducerende maatregelen, zoals aangegeven in het aangepaste akoestisch rapport van 11 oktober 2004 en de aanvulling hierop van 22 december 2004, dienen te worden getroffen:

- de 4 drogers 338/339 moeten met 10 dB(A) worden gedempt;

- het muziekgeluidniveau in ruimte ophangkleding 351 moet met 10 dB(A) worden gedempt;

- de compressoren 345/346 moeten met 10 dB(A) worden gedempt;

- de mangels 340/341 moeten met 10 dB(A) worden gedempt.

2.2.2.    Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de in voorschrift 2.3 opgenomen maatregelen op grond van het alara-beginsel in redelijkheid aan verzoekster kunnen worden opgelegd. Volgens verweerder kan door toepassing van deze maatregelen de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting aanzienlijk worden gereduceerd.

2.2.3.    Bij de aanvraag is een akoestisch rapport van Jansen Raadgevend Ingenieursbureau van 11 oktober 2004 (hierna: het akoestisch rapport) gevoegd. Hieruit blijkt dat de inrichting op een aantal rekenpunten niet kan voldoen aan de richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, welke door verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting als uitgangspunt is genomen. Voorts zijn in het akoestisch rapport alsmede in een aanvulling daarop van 22 december 2004 (hierna: het aanvullend akoestisch rapport) een aantal maatregelen genoemd die tot een afname van deze overschrijding zouden kunnen leiden. In het aanvullend akoestisch rapport is aangegeven dat het treffen van deze maatregelen op basis van een afweging van de hiermee gepaard gaande kosten en het te bereiken geluidtechnisch effect niet in redelijkheid van verzoekster kan worden verlangd. Verweerder heeft in vergunningvoorschrift 2.1 de geluidwaarden, zoals die in het aanvullend akoestisch rapport met toepassing van deze maatregelen zijn berekend, als geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dag-, avond- en nachtperiode opgenomen.

2.2.4.    De beantwoording van de vraag of verweerder vergunningvoorschrift 2.3 in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten in het belang van de bescherming van het milieu vergt naar het oordeel van de Voorzitter nader onderzoek. De onderhavige procedure leent zich hier niet voor. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen in zoverre aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.    Verzoekster betoogt dat in vergunningvoorschrift 2.4 ten onrechte de verplichting is voorgeschreven tot het doen uitvoeren van een akoestisch onderzoek. Volgens verzoekster verhoudt dit voorschrift zich niet met het bepaalde in artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.3.1.    In vergunningvoorschrift 2.4 is bepaald dat binnen 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning een controlemeting dient te worden uitgevoerd om na te gaan of met de genomen maatregelen aan de voorgeschreven geluidniveaus kan worden voldaan.

2.3.2.     De in voorschrift 2.4 opgenomen controleverplichting heeft tot doel aan te tonen dat aan de in vergunningvoorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan worden voldaan. De in vergunningvoorschrift 2.1 opgenomen geluidgrenswaarden zijn echter gesteld uitgaande van de veronderstelling dat de in voorschrift 2.3 voorziene maatregelen zijn getroffen. Nu voorschrift 2.3 wordt geschorst ziet de Voorzitter aanleiding ditzelfde te bepalen voor voorschrift 2.4.

2.4.    Verzoekster betoogt dat de in vergunningvoorschrift 4.2.1 voorgeschreven vetafscheider niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Verzoekster wijst er in dit verband op dat in de binnen de inrichting aanwezige keuken slechts beperkt gebruik wordt gemaakt van vet. Bovendien staan de kosten van het treffen van deze maatregel volgens verzoekster niet in verhouding met het resultaat dat ermee wordt bereikt.

2.4.1.    In vergunningvoorschrift 4.2.1 is bepaald dat het bedrijfsafvalwater uit de keuken van de bedrijfskantine, voordat vermenging met bedrijfsafvalwater uit andere ruimten plaatsvindt, door een vetafscheider moet worden geleid.

2.4.2.    Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat gezien het aantal personen dat binnen de inrichting werkzaam is en de grootte van de aanwezige frituurpan, een vetafscheider noodzakelijk wordt geacht.

2.4.3.    De Voorzitter acht het aangewezen dat de vraag of verweerder in redelijkheid voorschrift 4.2.1 noodzakelijk heeft kunnen achten in het belang van de bescherming van het milieu in het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is hij er echter op voorhand niet van overtuigd dat voorschrift 4.2.1 noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Gelet hierop ziet hij aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verzoekster betoogt dat vergunningvoorschrift 6.2.1 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Zij wijst er in dit verband op dat recent een bodemsanering op het terrein van de inrichting heeft plaatsgevonden. Het in dat kader opgestelde rapport kan volgens verzoekster gelden als nulonderzoek.

2.5.1.    In vergunningvoorschrift 6.2.1, voorzover hier van belang, is bepaald dat binnen 6 maanden na het in werking treden van dit voorschrift een nulsituatiebodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

   In de toelichting op dit voorschrift is vermeld dat een nulsituatieonderzoek zich kan beperken tot die delen van de inrichting waarvan het redelijkerwijs niet is uitgesloten, dat zich daar na het van kracht worden van de vergunning bodemverontreiniging kan voordoen en waarvan het niet is uitgesloten, dat daar in het verleden met verontreinigde stoffen is gewerkt.

2.5.2.    Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de bodemvervuiling die in het verleden binnen de inrichting is opgetreden weliswaar is gesaneerd, maar dat dit niet wegneemt dat de aangevraagde activiteiten de bodemkwaliteit nadelig kunnen beïnvloeden. Om die reden dient volgens verweerder op de locaties binnen de inrichting waar na het in werking treden van de verleende vergunning bodembedreigende activiteiten plaatsvinden - de opslag van chemicaliën en wasmiddelen in een zeecontainer - een nulsituatieonderzoek te worden uitgevoerd.

2.5.3.    Ter zitting is gebleken dat vergunningvoorschrift 6.2.1 uitsluitend betrekking heeft op de locatie van de nieuw te plaatsen zeecontainer binnen de inrichting. Deze beperking is echter niet in vergunningvoorschrift 6.2.1 vastgelegd, zodat de Voorzitter er op voorhand van uit gaat dat het bestreden besluit, voorzover daarbij voorschrift 6.2.1 aan de vergunning is verbonden, in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid wordt genomen. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 1 juli 2005, kenmerk 105-04, voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.3, 2.4, 4.2.1 en 6.2.1 betreft;

II.    gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2005

312-443.