Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200410437/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2002 hebben verweerders het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg, aanvulling Zandmaas" (hierna: POL-aanvulling) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410437/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Limburg,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2002 hebben verweerders het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg, aanvulling Zandmaas" (hierna: POL-aanvulling) vastgesteld.

Bij uitspraak van 9 juli 2003, 200201802/1 heeft de Afdeling van dit besluit de volgende concrete beleidsbeslissingen vernietigd:

- de concrete beleidsbeslissing retentiegebied Lateraalkanaal-west, voorzover deze beslissing betrekking heeft op het zuidelijke gedeelte van het retentiegebied, zoals omschreven in tabel 3.1. en weergegeven op kaart 6 en 7 van de kaartenatlas POL-aanvulling Zandmaas;

- de concrete beleidsbeslissing voor Venlo met betrekking tot de kadevakken VEN.2.K/NK en VEN.2.K/NM;

- de concrete beleidsbeslissing voor Roermond met betrekking tot de kadevakken 50.740/7, 50.750/9-1, 50.740/13-2 en 50.750/5 tot en met 7.

Bij besluit van 19 november 2004 hebben verweerders de partiële herziening van de POL-aanvulling Zandmaas (hierna: herziening POL-aanvulling) vastgesteld. Dit besluit ziet, voorzover in deze procedure van belang, op genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 25 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, appellant sub 2 bij brief van 21 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2005, appellante sub 3 bij brief van 29 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2005, appellant sub 4 bij brief van 17 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2005, en appellanten sub 5 bij brief van 25 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2005, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 4 februari 2005.

Bij brief van 18 april 2005 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 juni 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1, appellant sub 4 en appellanten sub 5. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.H.M. Verjans, appellant sub 4, in persoon, appellanten sub 5, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. A.A. Spoel, advocaat te Den Haag, mr. W. Mesters, drs. J.C. Eshuis, drs. H. Lesschen en M. Henfling, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar [derdebelanghebbenden], gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Doel

2.2.    De POL-aanvulling behoort tot het project Zandmaas/Maasroute. Bij uitwerking van dit project worden drie doelen nagestreefd: hoogwaterstandsverlaging, vaarwegverbetering en in beperkte mate natuurontwikkeling. In de POL-aanvulling zijn maatregelen voor het bereiken van de hoogwaterstandsverlaging en natuurontwikkeling opgenomen.

Met de herziening POL-aanvulling hebben verweerders beoogd een nieuwe planologische regeling te treffen ten aanzien van de vernietigde onderdelen van de POL-aanvulling. De uitgangspunten en beleidslijnen van de POL-aanvulling, voorzover hier van belang, hebben zij ook bij de voorliggende herziening POL-aanvulling gehanteerd.

Het bestreden besluit; concrete beleidsbeslissingen

2.3.    Verweerders hebben in de herziening POL-aanvulling onder meer de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:

*  Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west

Het provinciaal bestuur van Limburg besluit kaden en een in- en uitlaatwerk aan te leggen voor het functioneren van het zuidelijke bekken van het retentiegebied Lateraalkanaal west conform de in deze herziening POL Zandmaas opgenomen tabel 3.1 en zoals op de kaartbladen 1 en 2 is weergegeven.

*  Kaden Roermond

Het provinciaal bestuur van Limburg wijst trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie beoogt met de aanwijzing van de kadetracés de aanleg van een aaneengesloten kade met een beschermingsniveau van 1:250 jaar mogelijk te maken. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 3 en 4;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 3.4 tot en met 3.10;

- voor de constructietypen: zoals weergegeven in de tabellen 3.4 tot en met 3.10;

Met deze aanwijzing komt de in het POL Zandmaas 2002 gegeven aanwijzing voor de in dit plan aangewezen trajecten te vervallen.

* Kaden Venlo

Het provinciaal bestuur van Limburg wijst trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie beoogt met de aanwijzing van de kadetracés de aanleg van een aaneengesloten kade met een beschermingsniveau van 1:250 jaar mogelijk te maken. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 5 en 6;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 3.11 tot en met 3.14;

- voor de constructietypen: zoals weergegeven in de tabellen 3.11 tot en met 3.14;

Met deze aanwijzing komt de in het POL Zandmaas 2002 gegeven aanwijzing voor de in dit plan aangewezen trajecten te vervallen.

Procedurele aspecten

2.4.   [appellanten sub 1] hebben bezwaren tegen de wijze waarop de informatievoorziening van de besluitvorming van het ontwerp van de herziening POL-aanvulling heeft plaatsgevonden. Zij stellen onder meer dat geen verslag is opgesteld van de informatieavond van maandag 7 juni 2004, dat de kennisgeving van deze informatieavond te laat is gepubliceerd en dat niet duidelijk was of sprake was van een informatieavond dan wel inspraakavond. Verder voeren zij aan dat belanghebbenden niet bij de planvorming zijn betrokken. Appellanten menen dat de publicatie van het ontwerp van de herziening POL-aanvulling onduidelijk was. Zij betogen voorts dat zij in hun rechtsmiddelen zijn beperkt, omdat de beroepsmogelijkheden zijn beperkt tot de in het plan opgenomen kadebesluiten en flexibiliteitsbepaling. In verband met het voorgaande stellen zij dat de herziening POL-aanvulling in strijd is met de zorgvuldigheid en diverse bepalingen van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).

2.4.1.    Ingevolge artikel 3:14 van de Awb worden de bepalingen van afdeling 3.5 van de Awb voor de voorbereiding van besluiten gevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

De Afdeling stelt voorop dat geen wettelijk voorschrift noch een besluit valt aan te wijzen op grond waarvan het bepaalde in afdeling 3.5 van de Awb van toepassing is bij de voorbereiding van de herziening POL-aanvulling. Aldus hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat niet het bepaalde in afdeling 3.5 van de Awb, maar artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) op de herziening POL-aanvulling van toepassing is.

De terinzagelegging van 1 juni 2004 tot en met 28 juni 2004 van het ontwerp herziening POL-aanvulling is op 28 mei 2004 gepubliceerd in de dagbladen de Limburger en de Gelderlander en in de Staatscourant. Daarbij is gesteld dat het ontwerp betrekking heeft op de hoogte, ligging en constructie van een aantal kaden rond de woonkernen van Roermond, Venlo, Gennep/Mook en Middelaar en rond het retentiegebied Lateraalkanaal west en dat een ieder zijn of haar bedenkingen tegen dit ontwerp tot en met 28 juni 2004 kan indienen. Voorts is in genoemde publicaties vermeld dat het ontwerpplan nader zal worden toegelicht tijdens enkele openbare informatiebijeenkomsten te houden - onder meer - op maandag 7 juni 2004. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beegden heeft deze terinzagelegging enkele dagen na 7 juni 2004 bekendgemaakt.

Daarnaast zijn appellanten blijkens de stukken uitgenodigd voor een op 2 juni 2004 gehouden informatiebijeenkomst en is naar aanleiding van onder meer door appellanten ingediende bedenkingen de gelegenheid tot een gedachtenwisseling over het ontwerp herziening POL-aanvulling op 9 september 2004 geboden. Het van deze hoorzitting gemaakte verslag is  [appellanten sub 1]    toegezonden.

De Afdeling overweegt dat in overeenstemming met artikel 4a, derde, vierde en vijfde lid, van de WRO de terinzagelegging van het ontwerp van de herziening POL-aanvulling is gepubliceerd en dat belanghebbenden en degenen die tijdig hun bedenkingen hebben ingebracht gelegenheid is geboden voor een gedachtenwisseling over dit ontwerp. Dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beegden genoemde kennisgeving van het ontwerp herziening POL-aanvulling na de op 7 juni 2004 gehouden informatiebijeenkomst heeft gepubliceerd, maakt dit niet anders, omdat artikel 4a van de WRO niet verplicht tot het houden van deze bijeenkomst en het met deze kennisgeving beoogde doel, mededeling van de mogelijkheid tot het voren brengen van bedenkingen, is bereikt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellanten persoonlijk zijn uitgenodigd voor de informatiebijeenkomst van 2 juni 2004 en dat appellanten op beide informatiebijeenkomsten en de hoorzitting van 9 september 2004 aanwezig zijn geweest.

2.4.2.    Ten aanzien van de door appellanten gestelde beperking van rechtsmiddelen tot de in het plan opgenomen kadebesluiten en flexibiliteitsbepaling overweegt de Afdeling dat deze beperking de concrete beleidsbeslissingen van de herziening POL-aanvulling betreft.

Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voorzover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan.

Ingevolge artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. De door appellanten gestelde beperking van de rechtsmiddelen vloeit derhalve voort uit de wet.

2.4.3.    Niet is gebleken dat verweerders bij de voorbereiding en de vaststelling van de herziening POL-aanvulling niet aan de uit de wet voortvloeiende procedurele eisen hebben voldaan. Dat niet aan alle door appellanten in deze voorbereidingsfase geuite bezwaren gehoor is gegeven, maakt de herziening POL-aanvulling nog niet tot een onzorgvuldig genomen besluit; dat hangt af van de vraag of verweerders, alles in aanmerking genomen, in redelijkheid tot de door hen gemaakte afweging hebben kunnen komen, hetgeen door de Afdeling in het vervolg van de uitspraak in de ter beoordeling staande concrete situaties zal worden getoetst.

Gelet op het voorgaande bestaat in de formele bezwaren van  [appellanten sub 1]    geen grond om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.

Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west (verder: retentiegebied)

Het beroep van [appellanten sub 1]

Het standpunt van appellanten

2.5.    [appellanten sub 1] voeren in beroep aan dat verweerders ten onrechte de herziening POL-aanvulling hebben vastgesteld, voorzover daarbij het zuidelijk van de wijk Sleijdal gelegen natuurgebied Sint Anna's Beemd aan het retentiegebied is toegevoegd. Volgens appellanten bestaat hiertoe gelet op de geringe toegevoegde waarde van deze uitbreiding van het retentiegebied voor de waterstandsverlaging geen noodzaak. Voorts vrezen zij dat deze uitbreiding aantasting van de in dit gebied aanwezige natuurwaarden met zich zal brengen. Tevens stellen appellanten dat de inzet van het natuurgebied als retentiegebied schade aan hun woningen, die grenzen aan de Sint Anna's Beemd, tot gevolg zal hebben. Hierbij wijzen zij op de met deze inzet als retentiegebied gepaard gaande wateroverlast door grondwaterstijging in samenhang met de slechte bodemgesteldheid ter plaatse. Daarnaast betogen [appellanten sub 1] dat de verhoging van de kade tussen het natuurgebied en hun woningen aantasting van hun woongenot zal betekenen, omdat het uitzicht op het natuurgebied verloren zal gaan.

Het standpunt van verweerders

2.5.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat, mede gelet op de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier (verder: beleidslijn), ter voorkoming van onvoldoende bergend vermogen van het winterbed van de Maas en het retentiegebied behoefte bestaat aan het toevoegen van de Sint Anna's Beemd aan het retentiegebied. Daarbij betogen zij dat niet aannemelijk is dat schade aan de woningen van appellanten zal ontstaan, omdat uit onderzoek is gebleken dat bij de woningen geen extra wateroverlast zal optreden. Verder stellen zij dat de beperkte verhoging van de groene kade tussen de woningen en de Sint Anna's Beemd het uitzicht op het natuurgebied slechts in geringe mate zal aantasten.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    Eén van de maatregelen in de herziening POL-aanvulling voor het bieden van bescherming in geval van hoog water is de aanleg van het retentiegebied, zodat ten tijde van hoogwater tijdelijk water kan worden opgevangen om de hoogwatergolf af te vlakken. Het retentiegebied speelt een belangrijke rol bij de hoogwaterbescherming van Roermond en verder benedenstrooms. Bij inzet van het retentiegebied zullen de waterstanden bij Roermond in een hoogwatersituatie met de kans 1:250 jaar ongeveer tien tot vijftien centimeter lager zijn dan zonder de inzet van het gebied. Benedenstrooms van Roermond neemt het waterstandsdalend effect langzaam af tot een waterstandsdaling van ongeveer vijf centimeter bij Mook.

2.5.4.    De beleidslijn, zoals bekendgemaakt in de Staatscourant van 12 mei 1997, heeft als doel meer ruimte voor de rivier te scheppen, mens en dier duurzaam te beschermen tegen overstroming en materiële schade te beperken. In de beleidslijn, die van toepassing is verklaard op alle nieuwe activiteiten in het winterbed van de grote rivieren, geldt als hoofdlijn dat in het winterbed van de grote rivieren in principe geen nieuwe ingrepen worden toegestaan die zouden leiden tot waterstandsverhoging in de huidige situatie, en/of tot feitelijke belemmeringen voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of tot potentiële schade bij hoogwater.

2.5.5.    Blijkens de stukken hebben verweerders naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2003, 200201802/1, besloten het gebied waarin de rijksmonumenten Nederhoven en Pannenhof liggen, buiten het retentiegebied te laten en te beschermen door middel van een kade. Vervolgens hebben zij ter compensatie van het hierdoor ontstane verlies aan bergingscapaciteit van het winterbed van de Maas en het retentiegebied besloten het - eveneens in het winterbed van de Maas gelegen - natuurgebied Sint Anna's Beemd aan het retentiegebied toe te voegen. Daartoe zal voor het behoud van het beschermingsniveau van een hoogwatersituatie met de kans 1:1250 jaar van de noordelijk aan dit natuurgebied grenzende woonwijk Sleijdal van de kern Heel, de groene kade tussen deze wijk en de Sint Anna's Beemd met 0,80 meter moeten worden verhoogd.

2.5.6.    De totale bergingscapaciteit van het retentiegebied voor de onttrekking van het gebied rond de rijksmonumenten Nederhoven en Pannenhof bedroeg 9 miljoen m3 water. Voornoemde onttrekking betekent een verlies van ongeveer 0,3 miljoen m3 water van de totale bergingscapaciteit. De bergingscapaciteit van de Sint Anna's Beemd is ongeveer 0,8 miljoen m3 water. De toevoeging van dit gebied aan het retentiegebied geeft een totale bergingscapaciteit van ongeveer 9,45 miljoen m3.

2.5.7.    De Sint Anna's Beemd ligt in de Provinciale Ecologische Structuur. In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (verder: POL) is de Sint Anna's Beemd aangeduid als "ecologische ontwikkelingszone". Volgens het POL betreffen ecologische ontwikkelingszones overwegend landbouwgronden, die zijn begrensd als beheersgebied, reservaatgebied of natuurontwikkelingsgebied.

Ingrepen en activiteiten in deze gebieden en in de onmiddellijke nabijheid ervan zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden respectievelijk de nagestreefde natuurontwikkeling in deze gebieden aantasten. Alleen bij zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken.

2.5.8.     Blijkens de rapporten "Inventarisatieadvies alternatief tracé Sleijdal" en "Rapportage inventarisatie planten Sleijebeekdal, ingreep nieuwbouw Heel" van de Vereniging Onderzoek Flora en Fauna van september 2004, zullen de werkzaamheden aan de kade bij de woonwijk Sleijdal vrijwel geen gevolgen hebben voor de gunstige instandhouding van de verschillende plantensoorten.

2.5.9.    Wat betreft de natuurfunctie van de Sint Anna's Beemd blijkt uit de stukken dat met de herziening POL-aanvulling slechts is beoogd dit natuurgebied aan het retentiegebied toe te voegen. Het gebied zal haar natuurfunctie behouden.

2.5.10.    Uit de onderzoeken "Frequentieanalyses Instroming LKW-Zuid" en "Ontwerpaanpassing zuidelijk bekken Lateraalkanaal-West" van 6 augustus 2004 respectievelijk 17 december 2004 blijkt dat de huidige inundatiefrequentie van de in het winterbed van de Maas gelegen Sint Anna's Beemd ongeveer 1:340 jaar is en dat na toevoeging aan het retentiegebied zoals voorzien in de herziening POL-aanvulling water het natuurgebied zal instromen bij een hoogwaterstand die ongeveer 1:160 jaar voorkomt.

2.5.11.    Blijkens het deskundigenbericht waren de gronden van de woonwijk Sleijdal voorheen in gebruik als grindwinninglocatie. Het hierdoor ontstane grindgat is voor de bouw van de woningen ter plaatse opgevuld met dekgronden die in het algemeen bestaan uit fijn zand, waarop weer een laag bouwzand is aangebracht. De aldus ontstane grondslag voor de desbetreffende woningen wordt ook wel een geroerde grondslag genoemd.

2.5.12.    In het rapport "Nieuwbouw woningen bp. "Sleydal" gemeente Heel" van 1 juli 1993 van Geoconsult is op basis van een grondonderzoek gesteld dat gelet op de bodemopbouw en de zettingsgevoeligheid van de bodem het merendeel van de woningen op staal of op stroken kan worden gefundeerd. Verder blijkt uit dit rapport dat de zetting en de zettingsverschillen in dit gebied reeds grotendeels hebben plaatsgevonden in de vorm van een gelijkmatige maaivelddaling in het hele opgevulde gebied.

2.5.13.    In het deskundigenbericht is gesteld dat de woningen van appellanten op een homogene bodemlaag staan, aangezien het merendeel van de woningen op staal kan worden gefundeerd en de zetting grotendeels heeft plaatsgevonden. Gelet hierop zal het stijgen en het zakken van het grondwaterpeil in het geval van inundatie van het retentiedeelgebied Sint Anna's Beemd geen gevolgen hebben voor de zetting van de bodem waarop de woningen van appellanten staan, aldus het deskundigenbericht.

2.5.14.    Uit de stukken blijkt dat de drempelhoogte van de woningen van appellanten gelijk is aan of hoger is dan het maaiveldniveau ter plaatse.

2.5.15.    Blijkens het naar aanleiding van de bezwaren [appellanten sub 1] opgestelde onderzoek "Grondwatereffecten in de woonwijk Sleijdal ten gevolge van de ontwerpaanpassing zuidelijk bekken Lateraalkanaal-West" van 3 januari 2005 van Royal Haskoning zal het grondwater bij de woningen van appellanten in een hoogwatersituatie van 1:250 jaar stijgen tot ongeveer één tot anderhalve meter onder het maaiveldniveau, ruimschoots onder de ontwateringsnorm van 0,70 meter. In een hoogwatersituatie van 1:1250 jaar zal het grondwater bij de woningen van appellanten in het zuidelijke en het zuidoostelijke deel van de woonwijk stijgen tot respectievelijk ongeveer 0,75 en 1,3 meter onder het maaiveldniveau, zodat wordt voldaan aan genoemde ontwateringsnorm.

De inzet van het retentiebekken van Sint Anna's Beemd bij hoogwater zal geen wateroverlast met zich brengen, aldus het deskundigenbericht.

2.5.16.    Uit het deskundigenbericht blijkt met betrekking tot de in de herziening POL-aanvulling voorziene verhoging van 0,80 meter van de groene kade tussen de woningen van [appellanten sub 1] en de Sint Anna's Beemd dat de top van de kade ten opzichte van de drempelhoogte van deze woningen variërend van 0,50 meter tot 1,33 meter hoger zal liggen. Daarbij varieert de afstand van de top van de kade tot de verschillende percelen waarop genoemde woningen staan van ongeveer 12 meter tot 18,50 meter. De verhoging van de kade brengt geen dan wel beperkte (verdere) vermindering van het uitzicht van [appellanten sub 1] op het natuurgebied Sint Anna's Beemd met zich, aldus het deskundigenbericht.

2.5.17.    Ter zitting hebben verweerders onweersproken gesteld dat het rapport "Nieuwbouw woningen bp. "Sleydal" gemeente Heel" van 1 juli 1993 van Geoconsult is opgesteld voorafgaand aan de bouw van de woonwijk Sleijdal en dat derhalve de in dit rapport genoemde bouwpeilhoogte van onder meer de woningen van appellanten niet exact bekend was. De in de herziening POL-aanvulling als uitgangspunt genomen drempelhoogte van deze woningen is gebaseerd op de door de gemeente Heel verstrekte gegevens van de bouwvergunningen van de desbetreffende woningen. De in het deskundigenbericht genoemde drempelhoogte van deze woningen komt met deze gegevens overeen, aldus verweerders.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.18.    Blijkens de stukken zijn in de herziening POL-aanvulling voor de Sint Anna's Beemd geen andere ingrepen voorzien dan de verhoging van de groene kade tussen de woonwijk Sleijdal en het natuurgebied. Uit de in overweging 2.5.8. genoemde onderzoeken blijkt dat de verhoging van de kade niet meer dan beperkt nadelige gevolgen voor de natuurwaarden in dit natuurgebied met zich brengt.

Aldus bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in de herziening POL-aanvulling voorziene verhoging van genoemde kade aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden respectievelijk de nagestreefde natuurontwikkeling ter plaatse met zich zal brengen. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de herziening POL-aanvulling een onevenredige aantasting van de natuurwaarden van de Sint Anna's Beemd mogelijk maakt. De omstandigheid dat verwezenlijking van het in de herziening POL-aanvulling voorziene retentiegebied ten opzichte van de huidige inundatiefrequentie van 1:340 jaar een toeneming van de kans op inundatie van het natuurgebied tot 1:160 jaar betekent, maakt dit niet anders. Immers, tijdelijke inundatie van het natuurgebied kan ook in de huidige situatie voorkomen en appellanten hebben geen gegevens overlegd waaruit kan worden afgeleid dat tijdelijke inundatie de wezenlijke kenmerken en de natuurontwikkeling van het gebied blijvend aantast.

2.5.19.    Wat betreft het betoog van appellanten dat het bestreden besluit schade aan hun woningen door wateroverlast wegens stijging van het grondwater in samenhang met de bodemgesteldheid ter plaatse met zich zal brengen, wijst de Afdeling op hetgeen hierover in de onderzoeken "Nieuwbouw woningen bp. "Sleydal" gemeente Heel" en  "Grondwatereffecten in de woonwijk Sleijdal ten gevolge van de ontwerpaanpassing zuidelijk bekken Lateraalkanaal-West" en het deskundigenbericht is gesteld. Uit deze stukken blijkt dat de inzet van de Sint Anna's Beemd als retentiegebied geen gevolgen zal hebben voor de zetting van de bodem ter plaatse en dat wat betreft het grondwaterniveau aan genoemde van toepassing zijnde ontwateringsnorm zal worden voldaan. Verder hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat zij schade zullen lijden door het optreden van kwel bij hun woningen. Daarbij is van belang dat, in het geval kwel optreedt, het kwelwater naar de Sleijbeek, die lager dan de woningen van appellanten ligt, zal stromen.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inzet van de Sint Anna's Beemd als retentiegebied geen schade aan de woningen van appellanten met zich zal brengen.

2.5.20.    Wat betreft de aantasting van het woongenot van  [appellanten sub 1]    vanwege de beperking van hun uitzicht op de Sint Anna's Beemd door de in de herziening POL-aanvulling voorziene verhoging van de groene kade met 0,80 meter, overweegt de Afdeling dat de herziening POL-aanvulling geen dan wel beperkt verlies van uitzicht vanuit de woningen van appellanten op de Sint Anna's Beemd met zich zal brengen. Daarbij neemt zij in aanmerking het deskundigenbericht en de daarin genoemde afstanden van de top van de kade tot de percelen van appellanten en de beperkte toeneming van de hoogteverschillen tussen de top van de kade en de drempelhoogte van de verschillende woningen van appellanten voor en na meergenoemde verhoging van de kade.

Het betoog van [appellanten sub 1] dat uit de in het rapport "Nieuwbouw woningen bp. "Sleydal" gemeente Heel" van 1 juli 1993 van Geoconsult genoemde bouwpeilhoogte van hun woningen volgt dat sprake zal zijn van grotere hoogteverschillen dan genoemd in het deskundigenbericht, kan gelet op hetgeen in 2.5.17. is overwogen over de herkomst van de gegevens van de desbetreffende bouwpeilhoogte en drempelhoogte van de woningen van appellanten hieraan niet afdoen.

Verweerders hebben bij de afweging van de betrokken belangen dan ook in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de duurzame bescherming tegen hoogwater met behoud van een zo groot mogelijk waterbergend vermogen dan aan het belang van appellanten bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

2.5.21.    Voorts blijkt uit hetgeen in 2.5.3., 2.5.4., 2.5.5. en 2.5.6. is overwogen dat de toevoeging van de Sint Anna's Beemd aan het retentiegebied van belang is voor het bereiken van de benodigde waterstandsverlaging en het vereiste beschermingsniveau van 1:250 jaar ten tijde van hoogwater bij Roermond.

Gelet hierop hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat ter voorkoming van onvoldoende bergend vermogen van het winterbed van de Maas en het retentiegebied behoefte bestaat aan het toevoegen van de Sint Anna's Beemd aan het retentiegebied.

In dit verband hebben appellanten als alternatief voor meergenoemde toevoeging gewezen op de mogelijkheid het retentiebekken - zonder de Sint Anna's Beemd - verdiept aan te leggen. Echter, het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor de vernietiging van een concrete beleidsbeslissing. Alternatieven kunnen eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorziene retentiegebied. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.5.22.    Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de Sint Anna's Beemd in het retentiegebied hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing "Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west", voorzover hier van belang, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Het standpunt van appellant

2.6.    [appellant sub 2] voert in beroep aan dat verweerders ten onrechte de herziening POL-aanvulling hebben vastgesteld, voorzover daarbij is afgezien van volledige bescherming tegen overstroming van zijn bedrijfsgebouwen en woning in geval van hoogwatersituaties. Daarnaast stelt hij dat de schadevergoedingsregeling onvoldoende is.

Het standpunt van verweerders

2.6.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat in de toekomstige situatie, zoals voorzien in de herziening POL-aanvulling, appellant minder vaak wateroverlast zal hebben dan in de huidige situatie, doordat de instroomrichting van het retentiegebied wordt veranderd. Wel kan in de toekomstige situatie, indien het retentiegebied instroomt, de waterstand hoger worden dan in de huidige situatie. Dit kan gebeuren bij een hoogwaterstand met een voorkomen van 1:150 jaar, aldus verweerders. Voorts stellen zij dat de gebouwen kunnen worden aangemerkt als solitaire bebouwing, waarvoor in de herziening POL-aanvulling is afgezien van volledige bescherming na een kosten-batenanalyse van de aanleg van kaden rondom deze bebouwing. Appellant kan voor mogelijke waardevermindering van zijn onroerend goed ten gevolge van de verwezenlijking van het retentiegebied na de verwerking van de desbetreffende concrete beleidsbeslissing in een bestemmingsplan een beroep doen op de planschadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO, aldus verweerders. Daarbij betogen zij dat appellant bij hoogwatersituaties met een kans kleiner dan 1:150 jaar een verzoek om schadevergoeding op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 kan doen. Tenslotte stellen zij dat met [appellant sub 2] onderhandelingen gaande zijn voor aanvullende beschermingsmaatregelen dan wel verplaatsing van zijn woning en bedrijf.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    [appellant sub 2] exploiteert aan de [locatie] in [plaats] een melkvee- en akkerbouwbedrijf. De bedrijfsgronden van appellant hebben een omvang van ongeveer 105 hectare. Ongeveer 80% van deze gronden en de gronden waarop de stallen en de woning van appellant staan, liggen in het winterbed van de Maas. Ten westen en noordwesten van zijn perceel is een kade gepland voor de bescherming van de kern Beegden. De bebouwing op het perceel [locatie] zal bij een hoogwatersituatie niet worden beschermd tegen het Maaswater dat in het retentiebekken zal worden opgevangen.

2.6.4.    Na een kosten-batenanalyse is in de herziening POL-aanvulling ten aanzien van solitaire bebouwing in het retentiegebied afgezien van volledige bescherming.

Blijkens de stukken zijn vijf gebouwen dan wel gebouwencomplexen in het retentiegebied, waaronder het bedrijf van [appellant sub 2], als solitaire bebouwing aangemerkt.

2.6.5.    Uit het onderzoek "Frequentieanalyses Instroming LKW-Zuid" van 6 augustus 2004 blijkt dat in de huidige situatie voor het retentiedeelgebied waarin het perceel van appellant ligt een inundatiefrequentie van 1:18 jaar geldt. Na de verwezenlijking van de maatregelen van de herziening POL-aanvulling zal deze frequentie 1:78 jaar zijn.

2.6.6.    Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, ligt de bebouwing van het bedrijf van appellant op 20,40 meter+NAP. Bij instroming van genoemd retentiedeelgebied, zullen de woning en de bedrijfsgebouwen van appellant niet direct onderlopen. Een hoogte van 20,40 meter+NAP ter plaatse geeft een inundatiefrequentie van 1:130 jaar.

2.6.7.    Uit de stukken blijkt dat als gevolg van het functioneren van het retentiegebied bij een watergolf met een kans van 1:150 jaar en kleiner op de gronden van [appellant sub 2] de wateroverlast groter zal zijn ten opzichte van de huidige situatie. Bij hoogwatersituaties die vaker voorkomen dan 1:150 jaar zal de wateroverlast minder groot zijn dan in de huidige situatie.

2.6.8.    Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2003, 200201802/1, heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat bij brief van 2 juni 2004 verklaard dat de schade van extra wateroverlast als gevolg van het aanleggen van kaden en in- en uitlaatwerken ten behoeve van het functioneren van het zuidelijke bekken van het retentiegebied, wordt beschouwd als schade in de zin van artikel 2, eerste lid van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. Op verzoek zal de Staatssecretaris een vergoeding toekennen aan degene die schade lijdt door deze (extra) wateroverlast, voorzover deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten zijnen laste behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.9.    Het door verweerders bij de herziening POL-aanvulling gekozen uitgangspunt dat wordt afgezien van bescherming van solitaire bebouwing in het retentiegebied, is niet onredelijk.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsgebouwen en woning niet als solitair kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop hebben verweerders deze gebouwen als solitaire bebouwing kunnen aanmerken ten aanzien waarvan niet is voorzien in volledige bescherming tegen hoogwatersituaties.

Uit de overwegingen 2.6.5 en 2.6.6. blijkt dat de verwezenlijking van de maatregelen in de herziening POL-aanvulling zal betekenen dat appellant minder vaak last zal krijgen van hoogwatersituaties met een kans groter dan 1:150 jaar. Bij hoogwatersituaties met een kans kleiner dan 1:150 jaar zal ten opzichte van de bestaande situatie de wateroverlast ter plaatse groter zijn. Voor schade ten gevolge van laatstgenoemde hoogwatersituaties zal appellant een schadevergoedingsverzoek kunnen indienen op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. In hetgeen [appellant sub 2] ter zitting heeft betoogd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 onvoldoende mogelijkheden voor nadeelcompensatie biedt.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders in redelijkheid de concrete beleidsbeslissing "Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west", voorzover hier van belang, in de herziening POL-aanvulling kunnen opnemen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze concrete beleidsbeslissing in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Overigens is ter zitting gebleken dat appellant en het projectbureau De Maaswerken overleg voeren over de verplaatsing van het bedrijf van appellant naar hoger gelegen gronden.

Het beroep van [appellante sub 3] (verder: de maatschap)

Het standpunt van appellante

2.7.    De maatschap voert in beroep aan dat verweerders ten onrechte de herziening POL-aanvulling hebben vastgesteld, voorzover daarbij is voorzien in de aanleg van een kade op een perceel ten oosten van het rijksmonument de Pannenhof dat zij in gebruik heeft voor agrarische doeleinden. Zij stelt dat deze aanleg ingrijpende nadelige gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering, omdat hierdoor genoemd perceel zal worden gesplitst en deels onbewerkbaar zal worden. Voorts betoogt zij dat de aanleg van de kade de bereikbaarheid van dit perceel zal verminderen. Daarnaast vreest zij structuurschade en vernatting van de gronden bij de kade. Zij vreest bovendien nadelige gevolgen voor haar gewassen, omdat door toeneming van onkruid, schadelijke diersoorten, schimmels en bacteriën bestrijdingsmiddelen wegens onvoldoende onderhoud van de kade zullen moeten worden gebruikt. Tevens voert de maatschap aan dat de kade het zicht op het perceel zal belemmeren. Tenslotte stelt appellante een alternatieve locatie voor de kade voor.

Het standpunt van verweerders

2.7.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de aanleg van de kade op het bij de maatschap in gebruik zijnde perceel is voorzien, omdat daarmee de monumentale gebouwen van de rijksmonumenten Nederhoven en de Pannenhof tegen hoogwater worden beschermd en geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke belevingswaarde van het landgoed de Pannenhof. Het deel van het perceel benodigd voor de aanleg van de kade zal onteigend worden, waarbij appellante voor de daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfsvoering schadeloos zal worden gesteld, aldus verweerders. Daarnaast betogen verweerders dat bij de aanleg van de kade voorzieningen zullen worden getroffen om de gronden van appellante bereikbaar te houden en dat onderhoud en beheer van de kade ter voorkoming van de door appellante gevreesde overlast zal plaatsvinden.

Zij stellen dat de aanleg van de kade niet zodanige nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van appellante meebrengt dat de maatschap haar bedrijfsvoering zal moeten beëindigen.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    De maatschap exploiteert aan de [locatie] in [plaats] een akkerbouwbedrijf op gronden met een oppervlakte van ongeveer 88 hectare. De boerderij en de daarbij horende bedrijfsgebouwen maken onderdeel uit van het rijksmonument Nederhoven.

2.7.4.    Zoals in 2.5.5. reeds overwogen hebben verweerders naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2003, 200201802/1, besloten het gebied waarin de rijksmonumenten Nederhoven en Pannenhof liggen, buiten het retentiegebied te laten en te beschermen door middel van een kade. De herziening POL-aanvulling voorziet in de aanleg van deze kade op onder meer het deel van het perceel van de maatschap dat nabij de huiskavel ligt.

2.7.5.    Blijkens de stukken hebben verweerders zich bij de keuze van de locatie van de kade, voorzover hier van belang, voornamelijk laten leiden door het rapport "De Maaswerken Retentiegebied Lateraalkanaal-West Kadeplan zuidelijke deel, een cultuurhistorische beschouwing" van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 25 augustus 2003. Hierin is voorgesteld voor de aanleg van de kade gebruik te maken van de oude dijkstructuur, zodat de bestaande lijnen en landschappelijke structuren zoveel mogelijk worden benut. Op de gekozen locatie zullen genoemde rijksmonumenten worden beschermd tegen hoogwater zonder dat de cultuurhistorische waarden worden aangetast.

2.7.6.    Uit het deskundigenbericht blijkt dat de aanleg van de kade 1,1 hectare van het bij appellante in gebruik zijnde perceel beslaat en dat het deel van het perceel ten zuidwesten van de te verwezenlijken kade, dat een oppervlakte van ongeveer 2,5 hectare heeft, onbruikbaar voor de bedrijfsvoering van de maatschap zal worden. Het verlies van de bij haar in gebruik zijnde gronden van ongeveer 3%, zal volgens appellante een navenante inkomstenderving betekenen.

2.7.7.    In het deskundigenbericht is gesteld dat niet aannemelijk is dat de maatschap haar bedrijfsvoering door genoemd verlies van 2,5 hectare aan agrarische gronden niet zal kunnen voortzetten.

2.7.8.    Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de Oude Heerbaan, die de bij de maatschap in gebruik zijnde gronden in de bestaande situatie ontsluit, over de aan te leggen kade zal lopen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op de Oude Heerbaan ter hoogte van de aan te leggen kade voorzieningen zullen worden getroffen, waardoor de bij appellante in gebruik zijnde percelen ten oosten van de kade voor landbouwverkeer en vrachtwagens bereikbaar blijven.

2.7.9.    Uit het deskundigenbericht blijkt dat de aan te leggen kade het zicht vanuit de boerderij, die tot de bedrijfsvoering van de maatschap behoort, op de gronden ten oosten van deze kade zal verhinderen. Voorts is daarin gesteld dat in de bestaande situatie het zicht vanuit de boerderij op deze gronden grotendeels reeds wordt belemmerd door begroeiing en de bebouwing van meergenoemde rijksmonumenten en dat toezicht op de gronden niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van appellante.

2.7.10.    Blijkens het deskundigenbericht zullen nadelige gevolgen door toeneming van onkruid, schadelijke diersoorten, schimmels en bacteriën alleen aan de rand van het perceel van appellante bij de aan te leggen kade plaatsvinden. Door beheer en onderhoud kunnen deze nadelige gevolgen tot een minimum worden beperkt, aldus het deskundigenbericht.

2.7.11.    Uit de stukken blijkt dat het waterschap Peel en Maasvallei verantwoordelijk zal zijn voor het beheer en onderhoud van de kade. Het waterschap heeft bij brief van 7 september 2004 toegezegd ter voorkoming van verstikking van het gras op de kade ter plaatse geregeld maai- of beweidingsbeheer uit te voeren. Daarnaast heeft het waterschap gesteld dat in het geval zich in de grasmat van de kade zaadonkruiden, zoals akkerdistel en ridderzuring, vestigen die bij uitzaaiing bovenmatige schade zullen toebrengen aan het aangrenzende gebied, deze plantensoorten pleksgewijs zullen worden bestreden om de overlast zoveel mogelijk te beperken.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.12.    Uit de overwegingen 2.7.4. en 2.7.5. blijkt dat de in de herziening POL-aanvulling voorziene locatie van de kade op de bij de maatschap in gebruik zijnde gronden in overeenstemming met genoemde uitspraak van 9 juli 2003 bescherming van de rijksmonumenten Nederhoven en de Pannenhof tegen hoogwater mogelijk maakt zonder dat de cultuurhistorische waarden van deze rijksmonumenten worden aangetast. Dit heeft echter tot gevolg dat appellante een klein deel van de bij haar in gebruik zijnde gronden en een daarmee overeenkomstig deel van haar inkomsten zal verliezen. Hiervoor zal zij blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting op grond van de Onteigeningswet schadeloos worden gesteld. Deze schadeloosstelling omvat de voor de aanleg van de kade benodigde gronden, de eventuele schade voortvloeiend uit de omstandigheid dat resterende gronden niet of moeilijk bewerkbaar worden, verlies aan productierechten en schade als gevolg van inkomstenderving, voorzover de schade een direct en noodzakelijk gevolg is van de onteigening dan wel minnelijke verwerving.

Gelet op het relatief beperkte verlies aan gronden van de bij appellante in gebruik zijnde gronden, de hiervoor door haar te ontvangen schadeloosstelling op grond van de Onteigeningswet en het behoud van de cultuurhistorische waarden van Nederhoven en de Pannenhof hebben verweerders in het deels onbewerkbaar worden van genoemde gronden geen aanleiding hoeven zien de aanleg van de kade op het perceel van appellante in de herziening POL-aanvulling niet op te nemen.

2.7.13.    Voorts treft het bezwaar van appellante over de verminderde bereikbaarheid geen doel. Daarbij is van belang dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting op de Oude Heerbaan ter hoogte van de aan te leggen kade voorzieningen zullen worden getroffen, waardoor de bij appellante in gebruik zijnde percelen ten oosten van de kade voor landbouwverkeer en vrachtwagens bereikbaar blijven.

2.7.14.    Wat betreft het betoog van de maatschap over toeneming van onkruid, schimmels en bacteriën, structuurschade en vernatting van de gronden nabij de kade blijkt uit de stukken dat ter voorkoming van deze mogelijke nadelige gevolgen van de aanleg van een kade ter plaatse het waterschap Peel en Maasvallei de kade zal onderhouden en beheren. Ten aanzien van het door appellante gestelde zichtverlies dat de aanleg van de kade met zich brengt, wijst de Afdeling erop dat blijkens de stukken door begroeiing en de bebouwing van meergenoemde rijksmonumenten ook in de bestaande situatie het zicht op de bij de maatschap in gebruik zijnde gronden grotendeels is ontnomen.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gevreesde nadelige effecten op de gronden van en grenzend aan de aan te leggen kade zullen plaatsvinden, noch dat sprake zal zijn van een meer dan beperkte toeneming van zichtverlies op de bij haar in gebruik zijnde gronden ten opzichte van de bestaande situatie.

2.7.15.    Wat betreft de door de maatschap voorgestane alternatieve ligging van de kade op de perceelgrens met Pannenhof, overweegt de Afdeling dat alternatieven eerst aan de orde kunnen komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is niet gebleken.

2.7.16.    Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de aanleg van de kade voor de bedrijfsvoering van de maatschap slechts beperkte nadelige gevolgen zal hebben. Zij hebben in redelijkheid de concrete beleidsbeslissing "Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west", voorzover hier van belang, in de herziening POL-aanvulling kunnen opnemen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing "Zuidelijk bekken retentiegebied Lateraalkanaal west", voorzover hier van belang, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de maatschap is ongegrond.

Kaden Venlo

Het beroep van [appellant sub 4]  

Het standpunt van appellant

2.8.    [appellant sub 4], die woonachtig is aan [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat verweerders ten onrechte de herziening POL-aanvulling hebben vastgesteld, voorzover deze betrekking heeft op de kadevakken VEN.2.K/NK-4 en NK-5 die op zijn perceel zijn voorzien. Appellant stelt dat er onduidelijkheden zijn ten aanzien van de feitelijke uitvoering van de kade ter plaatse door de aannemer. Hij vraagt zich af in hoeverre de reeds bestaande kade op zijn perceel kan worden benut, wat het benodigde grondbeslag zal zijn en op welke wijze het materiaal zal worden aangevoerd.

Het standpunt van verweerders

2.8.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat met de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kadevakken VEN.2.K/NK-4 en NK-5  is beoogd de ruimtelijke inpassing van de kade te regelen. Het voert te ver een detailontwerp als door appellant bedoeld en de uitwerking daarvan bij de concrete beleidsbeslissing op te nemen, aldus verweerders. Verder stellen zij dat de feitelijke werkzaamheden aan de kade op het perceel van appellant overeenkomstig de aan hem gedane toezeggingen zullen worden uitgevoerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.2.    Uit de stukken blijkt dat de in de herziening POL-aanvulling voorziene kade op het perceel [locatie] de instemming van appellant heeft. Blijkens zijn beroepschrift wenst [appellant sub 4] zekerheid dat de met hem gemaakte afspraken aangaande de uitvoering van de herziening POL-aanvulling, voorzover hier van belang, zullen worden nagekomen.

De Afdeling overweegt dat het beroep van appellant is gericht tegen de wijze van uitvoering van de aanleg van de kade op genoemd perceel. Deze uitvoeringswerkzaamheden betreffen een kwestie van feitelijke uitvoering die in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de kademaatregelen in de kadevakken VEN.2.K/NK-4 en NK-5 in de herziening POL-aanvulling hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Kaden Roermond

Het beroep van [appellanten sub 5]

Het standpunt van appellanten

2.9.   [appellanten sub 5] voeren in beroep aan dat verweerders ten onrechte de herziening POL-aanvulling hebben vastgesteld, voorzover dat betrekking heeft op de kadevakken 50.750/5 tot en met 7.

[appellanten sub 5] stellen dat in de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel voor kadevak 50.750/6 en 50.750/7 ten onrechte is vermeld dat thans geen kade aanwezig is. Daarnaast vrezen zij wateroverlast op hun percelen door het ophogen van het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a. Verder stellen zij dat de ter plaatse voorziene coupures een ten opzichte van de bestaande situatie lager beschermingsniveau tegen hoogwater betekenen.

Het standpunt van verweerders

2.9.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat ter plaatse van de voorziene kadevakken 50.750/5 tot en met 7 geen kade aanwezig is. Verder stellen zij dat de verhoging van de tuin aan de Burgemeester Geuljanslaan 1a noodzakelijk is voor de aanleg van de kade langs de Hambeek en op ruime afstand van de tuinen van appellanten is voorzien. Tenslotte stellen verweerders dat is voorzien in coupures in de kade ter plaatse, zodat de steigers aan de Hambeek bereikbaar blijven.

Vaststelling van de feiten

2.9.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.3.    [appellanten sub 5] wonen aan de [locatie] respectievelijk [locatie]  in [plaats]. Ten noorden en ten noordwesten van de percelen van appellanten ligt het perceel Burgmeester Geuljanslaan 1a.

2.9.4.    Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht blijkt, dat in de herziening POL-aanvulling onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende soorten kaden:

- groene kade: aarden wallen die over het algemeen met gras zijn begroeid. Deze kaden zijn niet demontabel en dus permanent op hoogte om het water te keren.

- kademuren: niet demontabele gemetselde kaden die dus permanent de hoogte hebben die nodig is om het water te keren.

- demontabele kaden: kaden die tijdens normale situaties lage gemetselde muurtjes vormen. Als het waterpeil gaat stijgen worden in de daarvoor bestemde gaten H-profielen gezet waar balken in worden geschoven. Op deze wijze worden de kaden op hoogte gebracht om het water te keren.

- coupure: een speciaal type demontabele kade. Op plaatsen waar kaden en - bijvoorbeeld - infrastructuur elkaar kruisen, kan een permanente waterkering worden onderbroken. Bij hoogwater worden deze openingen (coupures) afgesloten met schotten of balken.

- verholen kade: kunstmatige grondlichamen, zoals weglichamen en spoortaluds, of bestaand maaiveld dienst doend als waterkering.

2.9.5.    Ingevolge de in het kadeplan van de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel 3.6 is voor de gronden waarop kadevak 50.750/5-1 betrekking heeft, voorzien in een harde verhoging van een groene kade. De beoogde hoogte van deze nieuwe kade van 21,71 meter+NAP ligt 0,50 meter boven het huidige maaiveld.

2.9.6.    Ingevolge de in het kadeplan van de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel 3.6 is - in het verlengde van kadevak 50.750/5-1 - voor de gronden waarop kadevak 50.750/5-2 betrekking heeft, voorzien in een nieuwe harde kade. De beoogde hoogte van deze nieuwe kade van 21,68 meter+NAP ligt 1,80 meter boven het huidige maaiveld.

2.9.7.    Ingevolge de in het kadeplan van de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel 3.6 is voor de gronden waarop kadevak 50.750/6 betrekking heeft, voorzien in een nieuwe harde kade met twee coupures. De beoogde hoogte van deze nieuwe kade van 21,68 meter+NAP ligt 2,10 meter boven het huidige maaiveld.

2.9.8.    Ingevolge de in het kadeplan van de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel 3.6 is voor de gronden waarop kadevak 50.750/7 betrekking heeft, voorzien in een nieuwe harde kade met één coupure. De beoogde hoogte van deze nieuwe kade van 21,68 meter+NAP ligt 2,60 meter boven het huidige maaiveld. Daarbij is gesteld dat de tuin behorend bij de Burgemeester Geuljanslaan 1a zal worden verhoogd.

2.9.9.    De kadevakken 50.750/6 en 50.750/7 liggen ten noorden en ten noordwesten van de percelen van [appellanten sub 5].

2.9.10.    Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de ophoging van de tuin is voorzien door het aanbermen van de kademuur, waardoor de kademuur aan de binnenkaadse zijde groen zal worden afgedekt en ingepast in de tuin. De ophoging beslaat een strook van ongeveer negen meter en is gelegen op minimaal 19 meter van de percelen van [appellanten sub 5] . Gelet op de beperkte ophoging en genoemde afstand tot de tuinen van appellanten hoeft niet te worden gevreesd voor wateroverlast, aldus het deskundigenbericht. Voorts blijkt daaruit dat regenwater zal afstromen naar het laagste punt in de tuin op het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a dat lager is gelegen dan de tuinen van appellanten.

2.9.11.    Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, dienen de coupures voor het bereikbaar houden van de steigers in de Hambeek die behoren bij de woning [locatie] en Burgemeester Geuljanslaan 1a en de tuin van het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a. In tijden van hoogwater zal het waterschap de coupures in de kade afsluiten, zodat het beschermingsniveau tegen hoogwater met een kans van 1:250 jaar wordt bereikt.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.12.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat in de herziening POL-aanvulling opgenomen tabel voor kadevak 50.750/6 en 50.750/7 ten onrechte is vermeld dat thans geen kade aanwezig is, blijkt uit de stukken dat zij daarbij uitgaan van de bestaande kademuur op de perceelsgrens van hun percelen [locaties] en het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a. De aanleg van de in de herziening POL-aanvulling voorziene kade ter plaatse is echter noordelijker strak langs de Hambeek beoogd. Daar is in de huidige situatie geen kade aanwezig. Dit bezwaar van appellanten mist dan ook feitelijke grondslag.

2.9.13.    Voorts bestaat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ophoging van de tuin op het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a wateroverlast met zich zal brengen op de percelen [locaties] van appellanten. Daarbij is van belang dat de ophoging is voorzien op minimaal 19 meter van de percelen van appellanten en dat blijkens de stukken het laagste punt ter plaatse zich in de tuin op het perceel Burgemeester Geuljanslaan 1a - tussen de ophoging en de percelen van appellanten - bevindt.

2.9.14.    Daarnaast hebben [appellanten sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat de in de herziening POL-aanvulling voor de kade ter plaatse van de kadevakken 50.750/6 en 50.750/7 voorziene coupures een verlaging van  het beschermingsniveau met zich brengen ten opzichte van het bestaande beschermingsniveau. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat het met de herziening POL-aanvulling beoogde beschermingsniveau voor hoogwatersituaties met een kans op voorkomen tot 1:250 jaar na afsluiting van de coupures in hoogwatersituaties niet in gevaar komt.

2.9.15.    Het bezwaar van appellanten dat de aanleg van de kade het leefgebied van enkele bevers in de Hambeek zal verstoren, treft geen doel, nu ter zitting is gebleken dat verweerders voor deze aanleg ontheffing op grond van Flora- en faunawet is verleend. Bovendien blijkt uit het deskundigenbericht dat bij laag water tussen de voorziene kade en de Hambeek een groene strook behouden blijft en dat de in de herziening POL-aanvulling voorziene groene kade op de noordelijke oever van de Hambeek voldoende mogelijkheden biedt als leefgebied voor de bevers.

2.9.16.    Wat betreft de door [appellanten sub 5] voorgestane alternatieve ligging van de kade, overweegt de Afdeling dat alternatieven eerst aan de orde kunnen komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is niet gebleken.

2.9.17.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de aanleg van de kade in de kadevakken 50.750/5 tot en met 7 in de herziening POL-aanvulling hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellaten sub 5] is ongegrond.

Proceskosten

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

12-447.