Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200408882/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Waalre, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408882/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellante sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    de gemeenteraad van Waalre,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Waalre, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 september 2004, no. 982592, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 1 november 2004, bij de Raad van State per fax ingekomen op 1 november 2004, [appellanten sub 2] bij brief van 22 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2004, [appellanten sub 3] bij brief van 22 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2004, [appellant sub 4] bij brief van 23 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2004, [appellante sub 5] bij brief van 21 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2004, en appellant de gemeenteraad (hierna: de gemeenteraad) bij brief van 22 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2004, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 mei 2005. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 21 december 2004. [appellanten sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 december 2004. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 januari 2005.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 mei 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij 1], [partij 2] en anderen en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2005, waar [appellanten sub 1] in persoon en bijgestaan door mr. M.C.J. de Schepper, advocaat te Eindhoven, [appellanten sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. R. Keuken, advocaat te Waalre, [appellanten sub 3] in persoon en bijgestaan door mr. R. Keuken, advocaat te Waalre, [appellant sub 4] in persoon en bijgestaan door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 5] in persoon en bijgestaan door mr. P.L. Kerkhofs, de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. M. Foederer en C.M.L. Dekkers, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Aertsen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn de gemeenteraad van Waalre, vertegenwoordigd door mr. M. Foederer en C.M.L. Dekkers, ambtenaren van de gemeente, en [partij 1] en [partij 2] en anderen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1997. Daarbij is onder meer beoogd te voldoen aan de herzieningsplicht als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening als gevolg van het besluit van verweerder van 12 mei 1998, no. 186818, dan wel de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001, no. E01.98.0316/1. Voorts zijn enkele ambtshalve aanpassingen ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied" doorgevoerd.

Standpunt van [appellanten sub 1]

2.4.     Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Tuin II" voor hun perceel [locatie 1].

2.4.1.    Hiertoe voeren zij aan dat het bestreden besluit dwingt tot het kiezen van een andere locatie voor de door hen gewenste schuur die minder rekening houdt met de belangen van de natuur dan de locatie waar de schuur nu is voorzien. Appellanten wijzen in dit verband op de goede inpasbaarheid van de schuur op deze locatie, waar de schuur niet opvalt tussen de bomen. Voorts is deze locatie reeds vrijgemaakt van bomen en heeft elders op het landgoed door aanplant van ongeveer 10.000 bomen in ruime mate groencompensatie plaatsgevonden voor het kappen van twee fruitbomen, een es, een esdoorn en een vlier. Het bouwen van de schuur op een toegelaten plaats elders op het perceel dwingt tot het verwijderen van bomen.

Bestreden besluit

2.4.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft aan dit gedeelte van het plandeel goedkeuring onthouden. Hiertoe stelt verweerder dat het plandeel wordt uitgebreid in vergelijking met het voorgaande plan. Hierdoor komt een gedeelte van het bouwblok in het bosgebied te liggen, terwijl de boomopstanden in de natuurparel, ingevolge het streekplanbeleid, optimaal beschermd dienen te worden.

Vaststelling van de feiten

2.4.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.4.    Het perceel ligt in een gebied dat op de streekplankaart is aangeduid als GHS-natuur, subzone natuurparel. Naar aanleiding van de wens van appellanten om aan de noordzijde van hun woonhuis een schuur te bouwen, is bij de vaststelling van het plan aan een deel van de gronden de bestemming "Tuin II" toegekend, waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch gebied met hoge natuurlijke en landschappelijke waarde" was toegekend. Aan andere gronden -aan de zuidwestzijde- is de bestemming "Agrarisch gebied met hoge natuurlijke en landschappelijke waarde" toegekend, waaraan in het voorgaande bestemmingsplan de bestemming "Tuin II" was toegekend.

De planvoorschriften die op de bestemming "Tuin II" van toepassing zijn, maken de bouw van een vrijstaand bijgebouw mogelijk met een maximale oppervlakte van 50 m2. De schuur dient voor de opslag van werktuigen die nodig zijn voor de aanleg en het onderhoud van het landgoed. Bouw van de schuur aan de noordzijde van de woning in plaats van de zuidwestzijde vrijwaart het Dommeldal van bebouwing.

2.4.5.    Het deskundigenbericht vermeldt onder meer de volgende bevindingen.

De locatie van de voorziene schuur is, blijkens diverse luchtfoto's, sinds 1996 grotendeels, en inmiddels geheel, vrijgemaakt van bomen. Voor de bouw van de schuur op een andere locatie op het landgoed dienen nieuwe bomen en begroeiing te worden gerooid. Verder ligt de beoogde locatie voor de schuur ingesloten in een bosopstand en sluit deze aan bij de woning van appellanten en de daaromheen liggende bebouwing. Er is geen locatie binnen het landgoed die een vergelijkbare mate van inpasbaarheid met zich brengt. Voorts bevestigt het deskundigenbericht dat recent nieuwe houtgewassen zijn aangeplant.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.6.    Het standpunt van verweerder dat het plandeel met de bestemming "Tuin II" is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende plan en mitsdien sprake is van een ongewenste uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag in een natuurgebied, volgt niet uit een vergelijking van de kaart van het voorheen geldende plan met die van het voorliggende plan. Vergelijking van die plankaarten geeft veeleer grond voor de conclusie dat bij het opnieuw toekennen van bestemmingen voor het perceel als onder 2.4.4. overwogen een - neutrale - uitruil van gronden heeft plaats gevonden. Ook anderszins is niet van een uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten opzichte van het voorheen geldende plan gebleken.

Voorts bevestigt het deskundigenbericht het standpunt van appellanten dat de locatie reeds jarenlang vrij van boomopstanden is. Het standpunt van verweerder dat de voorziene locatie tot een aantasting van het natuurgebied zal leiden, is derhalve niet aannemelijk.

2.4.7.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit wat de onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Tuin II" betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Standpunt van [appellant sub 4] en de gemeenteraad van Waalre

2.5.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bouwvlak bedrijfsdoeleinden" en de subbestemming "caravanstalling -Csa-" voorzover dit plandeel betrekking heeft op het perceel [locatie 2]. Voorts is naar hun stelling ten onrechte goedkeuring onthouden aan artikel 12.1, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften.

2.5.1.    Hiertoe voeren appellanten aan dat de grondslag van de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001, no. E01.98.0316/1, door verweerder wordt verlaten. De uitspraak zag op de loods en niet op de woning van [appellant sub 4]. Voorts stellen appellanten dat de vrees van verweerder dat een tweede bedrijfswoning kan worden gebouwd ongegrond is nu genoemd artikel de bouw van een tweede woning uitsluit.

Het bestreden besluit

2.5.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft aan de voornoemde planonderdelen goedkeuring onthouden. Daartoe stelt hij dat het plan de woning van [appellant sub 4] als burgerwoning ten onrechte buiten het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" laat, omdat de woning als bedrijfswoning onlosmakelijk is verbonden met het bedrijfsperceel. Hierdoor ontstaat vanuit planologisch oogpunt de situatie dat op het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" een extra bedrijfswoning kan worden gebouwd, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het streekplan.

Verweerder kan alleen instemmen met een bedrijfsbestemming voor de niet-agrarische activiteiten wat betreft de loods, indien de woning als bedrijfswoning wordt bestemd.

Vaststelling van de feiten

2.5.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.4.    In het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1997 zijn aan het woonperceel van [appellant sub 4] de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II" toegekend. De omliggende gronden, waaronder de gronden waarop de loods staat, waren in dat plan bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde I".

   De goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II" is destijds niet bestreden. Het tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde I" ingestelde beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001, no. E01.98.0316/1, gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van verweerder tot goedkeuring van dat plandeel vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts is aan dit plandeel goedkeuring onthouden. Daarbij is overwogen:

   "Gebleken is dat de loods vanaf 1990 als caravanstalling in gebruik is en dat burgemeester en wethouders bij besluit van 11 maart 1997, derhalve vóór de vaststelling van het plan, daartoe aan appellant vrijstelling van de bepalingen van het voorheen geldende bestemmingsplan hebben verleend. Door het toekennen van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" wordt het gebruik van de loods als caravanstalling onder het overgangsrecht gebracht.

   Volgens vaste jurisprudentie is het onder het overgangsrecht brengen van het gebruik van gronden in het algemeen slechts aanvaardbaar, indien voldoende aannemelijk is dat dit binnen de planperiode zal worden beëindigd. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was er geen zicht op het binnen de planperiode verplaatsen van de caravanstalling dan wel het beëindigen van het gebruik van de loods als zodanig. Derhalve is het niet waarschijnlijk dat de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" binnen de planperiode verwezenlijkt zal worden.

   Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan dit plandeel gegeven bestemming aanvaardbaar is." Aan de gronden rondom het huisperceel zijn in dit plan de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bouwvlak bedrijfsdoeleinden" en de subbestemming "caravanstalling -Csa-" en "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde I" toegekend.

2.5.5.    Ingevolge artikel 12.1, in de tabel, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "Bedrijfsdoeleinden" met de code "Csa" bestemd voor caravanstalling en is een bedrijfswoning niet toegestaan.

2.5.6.    De gemeenteraad heeft in het vaststellingsbesluit overwogen dat de bouw van een tweede bedrijfswoning kan worden tegengegaan door een aanpassing van de voorschriften als bedoeld in artikel 12.1 van de planvoorschriften. Hierdoor kunnen de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II" gehandhaafd blijven overeenkomstig het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied".

2.5.7.    Volgens paragraaf 3.4.13. van het streekplan is het provinciale beleid erop gericht het wonen zoveel mogelijk te concentreren in kernen. Spreiding van de woonbebouwing wordt tegengaan om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Toevoeging van burgerwoningen door nieuwbouw is niet toegestaan.

Nieuwbouw van bedrijfswoningen is slechts toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

2.5.8.    Het deskundigenbericht vermeldt dat de loods en de woning destijds zijn gebouwd als agrarische bedrijfsbebouwing respectievelijk bedrijfswoning en op hetzelfde perceel staan. De benodigde vergunning op grond van de Hinderwet werd destijds geweigerd en [appellant sub 4] is de loods gaan gebruiken voor de stalling van caravans van derden. Deze bedrijfsmatige niet-agrarische activiteiten verricht hij naast zijn fulltime werkzaamheden in loondienst, aldus het deskundigenbericht.

Oordeel van de Afdeling

2.5.9.    Verweerder heeft blijkens het dictum van zijn besluit goedkeuring onthouden aan artikel 12.2, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften. Gelet echter op het planvoorschrift waar verweerder deze woorden heeft doorgehaald, heeft verweerder kennelijk bedoeld goedkeuring te onthouden aan artikel 12.1, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften. Nu hierover geen misverstand kan bestaan, vat de Afdeling het bestreden besluit aldus op dat goedkeuring is onthouden aan artikel 12.1, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften en dat het beroep van [appellant sub 4] ook hiertegen is gericht.

2.5.10.    In de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001 is alleen een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het onder het overgangsrecht brengen van het gebruik van de loods op de gronden van [appellant sub 4]. De status van de woning is in die uitspraak niet betrokken omdat, zoals in overweging 2.5.4. is aangegeven, de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" destijds onbestreden was. Dit laat onverlet dat de gemeenteraad en verweerder bij een hernieuwd besluit omtrent de planologische inpassing van de loods op het perceel van [appellant sub 4] de relatie tussen de loods en de woning mag betrekken. Het beroep van appellanten op dit punt faalt derhalve.

2.5.11.    Verweerder heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er tussen de op het perceel aanwezige woning en de bedrijfsmatige niet-agrarische activiteiten een onlosmakelijke planologische relatie bestaat, die in de bestemmingsregeling tot uitdrukking had moeten worden gebracht. Wat betreft de vrees van verweerder voor de bouw van een extra woning in strijd met het streekplanbeleid is de Afdeling van oordeel dat dit wordt uitgesloten door het onder 2.5.5. vermelde planvoorschrift. Bovendien kan de bouw van een bedrijfswoning niet worden bewerkstelligd zonder tussenkomst van verweerder.

2.5.12.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om alsnog goedkeuring te verlenen aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bouwvlak bedrijfsdoeleinden" en de subbestemming "caravanstalling -Csa-" voorzover dat ziet op het perceel [locatie 2], alsmede aan artikel 12.1, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften.

Standpunt van [appellanten sub 2] en [appellante sub 5]

2.6.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II", voorzover deze betrekking hebben op de woonpercelen van appellanten aan de [locatie 3] en [locatie 4].

2.6.1.    [appellanten sub 2] voeren hiertoe aan dat de woning aan de [locatie 4] er al zes jaar staat en destijds met een, naar later bleek, ongeldige bouwvergunning is gebouwd. Appellanten zijn echter in goed vertrouwen afgegaan op mededelingen van het gemeentebestuur. Verweerder heeft ten onrechte niet het "ruimte-voor-ruimte" beleid van het streekplan bij zijn besluit betrokken. Weliswaar ligt hun perceel op dit moment nog in het buitengebied maar [appellanten sub 2] wijzen op de mogelijkheid van bebouwing van de sportvelden ten noordoosten van hun woning.

   [appellante sub 5] voert aan dat de opstallen op het perceel [locatie 3] al jaren voor bewoning in gebruik zijn en dat dit in overeenstemming is met het voorgaande als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963". Dit plan kende geen gebruiksvoorschriften totdat in 1994 het bestemmingsplan "Algemene gebruiksregeling ter aanvulling van enige bestemmingsplannen" werd vastgesteld. Volgens appellante is het college van burgemeester en wethouders al sinds 1989 op de hoogte van de bewoning van de opstallen en zijn voor de bouw van die opstallen bouwvergunningen verleend. In anticipatie op de te leggen woonbestemming is een bouwvergunning verleend voor een tuinhuis, aldus [appellante sub 5]. Tevens worden al jaren lokale belastingen betaald. Subsidiair voert appellante aan dat bewoning van de opstallen nimmer is gewraakt en aldus vertrouwen is gewekt dat bewoning was toegestaan. Bovendien betrof de aanschrijving van het college van burgemeester en wethouders in 1991 niet de bewoning als zodanig en heeft de gemeenteraad zich op 3 november 1998 expliciet uitgesproken voor een woonbestemming op het perceel van appellante. Van verdere verstening van het buitengebied is geen sprake en appellante meent dat het gebouw voldoet aan de eisen die aan een woning moeten worden gesteld.

Het bestreden besluit

2.6.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan voornoemde plandelen goedkeuring onthouden. Hiertoe voert verweerder ten aanzien van het perceel [locatie 4] aan dat voor de bouw van de woning geen bouwvergunning is verleend en dat een aangevraagde verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geweigerd, zodat er sprake is van een situatie die in strijd met de wet is ontstaan. Deze situatie is, naar de stelling van verweerder, niet gewijzigd sinds de weigering van de verklaring van geen bezwaar. Wat betreft het perceel [locatie 3] stelt verweerder dat als gevolg van de in dit plan toegekende woonbestemming het op dit perceel aanwezige, voormalige agrarische bedrijfsgebouw als woning mag worden herbouwd dan wel uitgebreid. Bovendien voldoet het bedrijfsgebouw per definitie niet aan de eisen die aan een woning worden gesteld en is het, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm ervan, ook niet geschikt voor bewoning. Het toekennen van een woonbestemming aan beide percelen staat volgens verweerder op zeer gespannen voet met het streekplanbeleid dat gericht is op het tegengaan van burgerwoningen in en verdere verstening van het buitengebied.

Vaststelling van de feiten

2.6.3.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.4.    Op de percelen [locatie 5], [locatie 3] en [locatie 4] was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. Op de gronden waren enkele agrarische bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning gebouwd. Sinds 1983 worden ter plaatse geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer uitgeoefend.

[appellante sub 5] is omstreeks 1989 gaan wonen in een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 3]. [appellanten sub 2] hebben in 1997 het perceel [locatie 4] gekocht. De oude agrarische bedrijfswoning en enkele bedrijfsgebouwen op dit perceel zijn gesloopt en vervangen door een nieuwe woning met een inhoud van 989 m3.

2.6.5.     In het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1997 waren aan het perceel [locatie 4] de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II" toegekend. Aan het perceel [locatie 3] was de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde I" toegekend. In zijn besluit  van 12 mei 1998, no. 186818, heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de plandelen betreffende beide percelen. Verweerder heeft vooropgesteld dat het provinciaal beleid is gericht op het tegengaan van verstening van het buitengebied. Wat betreft het perceel [locatie 4] heeft hij overwogen dat de in bouwvallige staat verkerende opstallen en het feit dat deze reeds lange tijd onbewoond zijn op zichzelf geen woonbestemming rechtvaardigen en dat de gemeenteraad niet heeft gemotiveerd waarom in afwijking van het provinciale beleid daaraan een woonbestemming zou moeten worden toegekend. Ten aanzien van het perceel [locatie 3] stelde verweerder dat het onjuist was om op dat moment een definitief oordeel uit te spreken over de aanvaardbaarheid van de woonbestemming, daar op dat moment niet zeker was of de bewoning van de bebouwing op dat perceel illegaal was. In het besluit is aangegeven dat de gemeenteraad de situatie opnieuw diende te bezien. Daarbij is geen uitspraak gedaan over de toe te kennen bestemming.

2.6.6.    Aan de betreffende gronden zijn in dit plan de bestemmingen "Woondoeleinden", "Tuin I" en "Tuin II" toegekend.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "Woondoeleinden" bestemd voor wonen.

   Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften mag de inhoud van de woning binnen deze bestemming maximaal 450 m3 bedragen met uitzondering van:

   a. bestaande woningen, waarbij een eenmalige uitbreiding van 10% van de bestaande inhoud is toegestaan, tot een maximum van 600 m3;

   b. vervangende nieuwbouw, waarbij de vervangende woning conform de bestaande omvang eenzelfde omvang mag hebben, mits deze op de bestaande fundamenten wordt teruggebouwd.

   Ingevolge artikel, 13, derde lid, van de planvoorschriften, is het toegestaan om bijgebouwen en aanbouwen zijnde bouwwerken op te richten op het niet bebouwde gedeelte van het bouwvlak, mits de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en aanbouwen op de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin II" niet meer bedraagt dan 30% van de oppervlakte van de gronden met de bestemming "Tuin II" en in ieder geval niet meer dan 100 m2.

Gelet op artikel 14 en 15 van de planvoorschriften kan op de als "Tuin I" en "Tuin II" bestemde gronden eveneens bebouwing worden opgericht.

   In het voorgaande als bestemmingplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963" waren de gronden bestemd als "Agrarisch gebruik II". Op deze gronden mochten woningen en andere gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf worden opgericht.

2.6.7.    Volgens paragraaf 3.4.13. van het streekplan is het provinciale  beleid erop gericht het wonen zoveel mogelijk te concentreren in kernen en spreiding van de woonbebouwing tegen te gaan om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Toevoeging van burgerwoningen door nieuwbouw staat het provinciale beleid niet toe.

   In afwijking van dat beleid staat het streekplan op grond van de "ruimte-voor-ruimte" regeling de bouw van een burgerwoning toe indien, en voorzover hier van belang, in ruil daarvoor minimaal 1000 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen wordt gesloopt.

2.6.8.    Bij besluit van 7 mei 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders vooruitlopend op het destijds nog niet in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied" aan [appellanten sub 2] bouwvergunning verleend voor de bouw van een woonhuis op het perceel [locatie 4]. Ten tijde van dat besluit gold het als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963". Bij besluit van 12 mei 1998 heeft verweerder -beslissende omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied"- goedkeuring aan de plandelen betreffende de percelen [locatie 5], [locatie 3] en [locatie 4] onthouden zoals onder 2.6.5. nader aangegeven. Bij brief van 24 juni 1998 hebben [appellanten sub 2] het college van burgemeester en wethouders verzocht het besluit van 7 mei 1998 in te trekken. Het college van burgemeester en wethouders heeft dit besluit daarop ingetrokken en heeft, met het oog op de verlening van een nieuwe bouwvergunning, verweerder gevraagd een verklaring van geen bezwaar te verlenen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud). Bij besluit van 22 december 1998 heeft verweerder geweigerd deze verklaring af te geven, omdat de maatvoering van de woning niet overeenkwam met een maatvoering van 450 m3 dan wel de reeds bestaande maatvoering.

2.6.9.    Bij besluit van 29 augustus 1990 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [appellante sub 5] een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een schuur tot hobbyruimte en het bouwen van een tuinhuisje op het perceel [locatie 3]. Appellante heeft in afwijking van deze vergunning het oorspronkelijke, agrarische bedrijfsgebouw verbouwd tot woning. Bij besluit van 6 november 1991 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellante sub 5] aangeschreven de schuur in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning. Het hiertegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard, evenals het door appellante ingestelde beroep bij de Afdeling, bij uitspraak van 16 augustus 1994, no. R03.92.1088. Na toepassing van bestuurdwang door het college van burgemeester en wethouders heeft appellante de verwijderde voorzieningen wederom aangebracht. Bij besluit van 26 november 1997 is appellante op straffe van het verbeuren van een dwangsom gelast het strijdige gebruik van de schuur als woning per 1 februari 1998 te beëindigen. Het hiertegen ingediende bezwaar is gedeeltelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juni 1998 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het tegen dit besluit door [appellante sub 5] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.6.10.    In de raadsvergadering van 3 november 1998 heeft de gemeenteraad besloten een woonbestemming aan het perceel [locatie 3] toe te kennen. Bij brief van 23 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders dit aan verweerder gemeld alsmede dat alle lopende handhavingszaken ten aanzien van die percelen worden gestaakt.

Oordeel van de Afdeling    

2.6.11.    Het besluit van verweerder van 12 mei 1998 bood de gemeenteraad de ruimte bij de voorliggende herziening van de bestemmingsregeling op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, mits beter gemotiveerd, opnieuw dan wel alsnog een woonbestemming aan de percelen toe te kennen.

2.6.12.     Het onder 2.6.7. vermelde streekplanbeleid om geen burgerwoningen door nieuwbouw toe te staan in het buitengebied is niet onredelijk. Nu het plan voorziet in de toekenning van woonbestemmingen aan percelen waaraan in het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarisch gebruik II" was toegekend en de toegekende woonbestemmingen nieuwbouw van een burgerwoning, alsmede verdere verstening van het buitengebied mogelijk maken, heeft verweerder deze plandelen terecht in strijd geacht met het streekplanbeleid.

Aan toepassing van de "ruimte-voor-ruimte" regeling konden [appellanten sub 2] geen aanspraak ontlenen, reeds omdat niet wordt voldaan aan de regel dat minimaal een oppervlakte van 1000 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen dient te worden gesloopt.

Voor afwijking van het streekplanbeleid waartoe hoofdstuk 5 van het streekplan de mogelijkheid biedt, behoefde verweerder geen aanleiding te zien. Wat betreft [appellanten sub 2] is daarbij van belang dat de woning op perceel [locatie 4] zonder bouwvergunning is gebouwd. De omstandigheden dat de woning van [appellanten sub 2] reeds sinds 1998 aanwezig is en dat het nabij gelegen sportterrein in de toekomst mogelijk wordt bebouwd, behoefde verweerder niet van doorslaggevend belang te achten.

Ten aanzien van [appellante sub 5] wordt in aanmerking genomen dat de woonvoorzieningen op het perceel [locatie 3] zonder bouwvergunning zijn aangebracht. Voorts stond, zoals overwogen onder 2.6.6., ook het voorheen voor die gronden geldende plan de bouw van burgerwoningen niet toe, zodat het beroep van [appellante sub 5] op het overgangrecht faalt. Dat het gebouwde op het perceel Dreefstraat 53 reeds lange tijd bestaat en dat lokale belastingen worden betaald, behoefde verweerder niet van doorslaggevend belang te achten.

2.6.13.    Voorzover appellanten een beroep doen op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat thans een besluit van verweerder over de goedkeuring van het bestemmingsplan aan de orde is. Verweerder is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet gebonden aan een gestelde toezegging van de gemeenteraad in het kader van de totstandkoming van dat plan. Een ander oordeel zou betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerder door toedoen van het bestuursorgaan dat het goed te keuren besluit heeft genomen, te zeer kan worden ingeperkt.

   De onder 2.6.8. en 2.6.10. vermelde omstandigheden kunnen niet als zodanige bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Zodanige bijzondere omstandigheid is evenmin gelegen in de ter zitting gestelde, tijdens de bouw van de woning [locatie 4] van de zijde van het college van burgemeester en wethouders bij [appellanten sub 2] gewekte verwachting omtrent het toekennen van een woonbestemming op dit perceel.

2.6.14.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

Standpunt van [appellanten sub 3]

2.7.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" en met de nadere aanduiding "bouwvlak agrarische bedrijfsdoeleinden" en met de subbestemming "tuinbouwbedrijf -T-" betreffende hun perceel aan de Smeleweg, sectie […], nummer [A]. Voorts heeft verweerder naar hun stelling ten onrechte goedkeuring onthouden aan artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften waarbij artikel 11, vijfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" is herzien.

2.7.1.    Hiertoe voeren zij aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van nieuwvestiging van een bouwblok, nu op het perceel al jaren een kwekerij is gevestigd en het voorgaande bestemmingsplan eveneens bouwmogelijkheden bood, zij het niet in de vorm van een op de plankaart aangegeven bouwblok. Een op die gronden aanwezige loods van 25 m2 is naar hun stelling destijds ten onrechte niet gelegaliseerd. Appellanten verwijzen in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 4 augustus 1998, no. H01.97.0408 en 14 november 2001, no. E01.98.0316/1. Naar de stelling van appellanten liggen de gronden in de Agrarische Hoofdstructuur (hierna: AHS) en is hun bedrijf in de landbouwinnovatiebrief van september 2002 met name genoemd in het kader van het toekennen van extra ontwikkelingskansen voor biologische landbouw. Een loods van 300 m2 achten appellanten noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van hun kwekerij.

Bestreden besluit

2.7.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan voornoemde planonderdelen goedkeuring onthouden. Verweerder merkt de toekenning van een agrarisch bouwblok aan als nieuwvestiging, omdat ter plaatse van de betreffende gronden nooit sprake is geweest van een agrarisch bouwblok. Nieuwvestiging acht verweerder in strijd met het streekplanbeleid. Bovendien liggen de gronden in het gebied dat op de streekplankaart wordt aangeduid als GHS, subzone "overig bos en natuurgebied", waarin het streekplanbeleid maximale rust voorstaat. Verder ziet de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001, aldus verweerder, uitsluitend op het agrarische gebruik van de gronden en niet op de nieuwvestiging van een bedrijf ter plaatse. Verweerder acht dan ook voor het betreffende perceel een op het bestaande gebruik toegesneden bestemming aangewezen.

Vaststelling van de feiten

2.7.3.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.4.    Appellanten exploiteren een kwekerij op een deel van hun woonperceel [locatie 6] en de percelen die kadastraal bekend zijn als sectie […], nummer [A] en [B]. Beide percelen hebben ongeveer een oppervlakte van 3900 m2. Het perceel dat kadastraal bekend is als sectie […], nummer [B] is niet in de voorliggende herziening betrokken.

Het perceel nummer [A] ligt op een afstand van ongeveer 300 meter van de woning van appellanten aan de [locatie 6].

2.7.5.    De gronden van het in het geding zijnde perceel nummer 998 zijn bestemd als "Agrarische bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bouwvlak agrarische bedrijfsdoeleinden" en de subbestemming "tuinbouwbedrijf -T-".

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemd voor de uitoefening van niet meer dan één volwaardig agrarisch bedrijf met de daarbij behorende voorzieningen.

   Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder 2, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen onder meer de volgende bepalingen:

   a. de bebouwing dient plaats te vinden binnen het op de plankaart aangegeven agrarisch bouwvlak;

   b. het betreffende bouwvlak mag volledig bebouwd worden;

   Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften, waarbij artikel 11, vijfde lid van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" wordt herzien, gelden, in afwijking van hetgeen overigens in deze bepaling is geregeld, voor het op de plankaart aangeduide agrarisch bedrijf met subbestemming "T"(tuinbouwbedrijf) met betrekking tot het bouwen de volgende bepalingen:

   a. slechts één agrarisch bedrijf mag op het perceel gevestigd zijn;

   b. de bouw van een of meer bedrijfswoningen is niet toegestaan;

   c. de goot- c.q. nokhoogte van het bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 4,5 meter c.q. 7,5 meter;

    d. de dakhelling van het bedrijfsgebouw bedraagt minimaal 15° en maximaal 40°.

De oppervlakte van het plandeel met de bestemming "Bouwvlak agrarische bedrijfsdoeleinden" bedraagt 300 m2.

2.7.6.    De gronden waren in het voorgaande als bestemmingplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963" bestemd als "Agrarisch gebruik III". Op deze gronden mochten woningen en andere gebouwen worden opgericht uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat, voorzover hier van belang, de oppervlakte van het bouwperceel tenminste 1 ha moest bedragen.

Voorts was in de voorschriften bij dat uitbreidingsplan bepaald dat burgemeester en wethouders onder goedkeuring van gedeputeerde staten konden toestaan dat er loodsen voor landbouwwerktuigen, loondorsbedrijven en dergelijke werden opgericht.

   In 1988 hebben appellanten op het perceel nummer [A] een loods van 25 m2 gebouwd. Bij besluit van 27 december 1994 heeft het college van burgemeester en wethouders appellanten onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven de loods te verwijderen omdat deze zonder bouwvergunning was gebouwd. Het hiertegen ingestelde bezwaar is ongegrond verklaard evenals het beroep bij de rechtbank. Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. Bij uitspraak van 4 augustus 1998, no. H01.97.0408, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak vernietigd omdat onvoldoende was onderzocht of van de vrijstellingsmogelijkheid voor de bouw van een loods gebruik kon worden gemaakt alsmede dat het standpunt dat hiervan geen gebruik kon worden gemaakt onvoldoende was gemotiveerd.

2.7.7.    Volgens paragraaf 3.4.7. van het streekplan is in de GHS-natuur, de GHS-landbouw en de AHS-landschap de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf uitgesloten. In de AHS-landbouw staat het streekplan de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf uitsluitend toe voor intensieve veehouderijbedrijven in een veeverdichtingsgebied en op duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderij, voor glastuinbouwbedrijven in de vestigingsgebieden glastuinbouw en voor grondgebonden veehouderijen in West-Brabant, als dat noodzakelijk is voor de verplaatsing van een grondgebonden veehouderij uit Midden- en Oost-Brabant (paragraaf 3.4.8.).

   Onder nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf verstaat het streekplan, gelet op de daarin opgenomen begrippenlijst, de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok.

2.7.8.    In de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2001 is het besluit van verweerder van 12 mei 1998 gedeeltelijk vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en is tevens goedkeuring onthouden aan het plandeel betreffende het in geding zijnde perceel. Daarbij  is overwogen:

   "Ter zitting hebben verweerders het beroep van appellanten onderschreven. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid".

Oordeel van de Afdeling

2.7.9.    Het standpunt van verweerder dat de uitspraak van 14 november 2001 uitsluitend ziet op het agrarische gebruik van de gronden en niet op de vestiging van een agrarisch bedrijf, is juist.

2.7.10.    Wat betreft de mogelijkheid van de bouw van een loods op het perceel wordt overwogen dat het hiervoor onder 2.7.7. genoemde streekplanbeleid niet onredelijk is. Niet in geding is dat het voorgaande als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963" niet voorzag in rechtstreekse bouwmogelijkheden op het perceel. Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder ook geen goedkeuring (vrijstelling), zoals vermeld in 2.7.6., heeft verleend voor de bouw van een loods.

Gelet op de begripsbepaling in het streekplan is verweerder dan ook terecht uitgegaan van nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok op het perceel.  Het standpunt van verweerder dat het toekennen van een "bouwvlak agrarische bedrijfsdoeleinden" in dit plan in strijd is met het streekplanbeleid, is gelet op het overwogene onder 2.7.7. eveneens juist.

   Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot het volgen van een afwijkingsprocedure als bedoeld in hoofdstuk 5 van het streekplan.

De enkele omstandigheid dat een loods van 300 m2 nodig is voor bedrijfsvoering noch de vermelding van het kweekbedrijf in een landbouwinnovatiebrief kunnen als zodanig gelden.

2.7.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient voor [appellanten sub 1] en [appellant sub 4]  op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de gemeenteraad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1], [appellant sub 4] en de gemeenteraad gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 september 2004, 982592, voorzover het betreft:

a: het plandeel met de bestemming "Tuin II" zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende kaart;

b: het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bouwvlak bedrijfsdoeleinden" en de subbestemming "caravanstalling -Csa-" voorzover dat plandeel betrekking heeft op het perceel [locatie 2], alsmede artikel 12.1, in de tabel de woorden "Csa Caravanstalling Bedrijfswoning niet toegestaan", van de planvoorschriften;

III.    verleent goedkeuring aan de planonderdelen genoemd onder II.b;

IV.    bepaalt dat deze verlening van goedkeuring in de plaats treedt van het onder II, aanhef en sub b, vermelde onderdeel van het vernietigde besluit;

V.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en [appellante sub 5] ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1322,07 (zegge: duizend driehonderdtweeëntwintig euro en zeven cent), waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient als volgt door de provincie Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- aan [appellanten sub 1]: een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro),

- aan [appellant sub 4]: een bedrag van  € 678,07 (zegge: zeshonderdachtenzeventig en zeven cent euro);

VII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor [appellanten sub 1], € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) voor [appellant sub 4] en € 273,00 (zegge: tweehonderdendrieënzeventig euro) voor de gemeenteraad vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

291-461.

plankaart