Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200502407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2005, kenmerk RE2001.10742, heeft verweerder aan [vergunninghouder] te [plaats] vergunning verleend voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie […], nrs. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200502407/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2005, kenmerk RE2001.10742, heeft verweerder aan [vergunninghouder] te [plaats] vergunning verleend voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie […], nrs. […].

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2005, waar [appellant A], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G. Pieters, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de vergunninghouder, vertegenwoordigd door M. Keegstra, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten voeren in beroep onder meer bezwaren aan die zijn gericht tegen de bouw van een voorzieningengebouw op de gronden waarop de vergunning betrekking heeft, evenals de hiermee samenhangende vrijstelling van het college van burgemeester en wethouders van Elburg en toestemming van verweerder die zijn verleend in het kader van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Appellanten betwisten verder de economische haalbaarheid van het plan van vergunninghouder om op zijn gronden hengelsportvijvers aan te leggen. Tevens stellen zij dat er geen degelijk onderzoek naar het effect van de ontgronding op de aanwezige flora en fauna is verricht. Ook vrezen appellanten dat de vergunning zal leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van [appellant B] omdat zijn agrarisch bedrijf slechts op 150 m van de percelen van vergunninghouder ligt terwijl de stankcirkel 600 m moet zijn.

Standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder vindt de beoogde aanleg van de hengelsportvijvers uit een oogpunt van ruimtelijke ordening acceptabel. Daarnaast overweegt verweerder dat door de exploitatie van de hengelsportvijvers een aanvulling op het bedrijfsinkomen van de aanvrager van de ontgrondingsvergunning kan worden gegenereerd waardoor de financieel economische positie van het bedrijf wordt verbeterd. Gezien het huidige agrarische gebruik van het perceel verwacht verweerder niet dat de aanleg van de vijvers ten koste zal gaan van beschermde plant- en diersoorten. Ten aanzien van de bedrijfsbelangen van individuele agrarische bedrijven overweegt verweerder dat de beoogde activiteiten geen nadelige invloed hebben op het omliggende agrarische gebied.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Vergunninghouder is eigenaar van een viskwekerij aan de [locatie] te [plaats] en van de naastgelegen gronden waarop de ontgrondingsvergunning betrekking heeft. Laatstbedoelde gronden hebben ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg' een agrarische functie.

2.4.1.    Op 3 januari 2001 heeft [vergunninghouder] een vergunning aangevraagd voor de ontgronding van een gedeelte van zijn percelen ten behoeve van de aanleg van hengelsportvijvers voor recreatief gebruik. De oppervlakte van de percelen waarop de vijvers zijn voorzien, is ongeveer 5 ha. De vier vijvers hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 3,8 ha.

2.4.2.    Door de aanleg van de vijvers voor recreatief gebruik beoogt vergunninghouder zijn bedrijf economisch te versterken. Vergunninghouder verwacht ongeveer 5.000 bezoekers per jaar. In het rapport 'Hengelvijver [wederpartij]' van januari 2003 wordt gesteld dat een accountantsbureau de investerings- en exploitatieprognose van de hengelvijver positief heeft beoordeeld.

2.4.3.    In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat er onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde plant- of diersoorten heeft plaatsgevonden en dat hieruit niet is gebleken dat er op de te ontgronden percelen beschermde plant- of diersoorten aanwezig zijn die door het graven van de vijvers worden geschaad.

2.4.4.    Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Elburg na voorafgaande verklaring van geen bezwaar van verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vergunning verleend voor de bouw van een voorzieningengebouw. Hiertegen is bezwaar gemaakt.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is het verboden zonder vergunning te ontgronden. Een vergunning wordt op grond van artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet verleend na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen. In artikel 3, tweede lid, van de Ontgrondingenwet is bepaald dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

2.6.    De bezwaren van appellanten die betrekking hebben op de door het college van burgemeester en wethouders verleende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en de hieraan ten grondslag liggende verklaring van geen bezwaar van verweerder, alsmede de verleende vergunning voor de bouw van de voorzieningenruimte, vormen onderdeel van een aparte bestuursrechtelijke procedure en dienen derhalve in deze procedure buiten beschouwing te blijven. Ook al is de vrijstelling nog niet onherroepelijk, verweerder behoefde daarin geen aanleiding te zien om aan te nemen dat de vergunde ontgronding in ruimtelijk opzicht niet aanvaardbaar is. Van strijd met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet, is geen sprake.

2.7.    Het standpunt dat verweerder in zijn bestreden besluit heeft ingenomen dat met de aanleg van de hengelvijvers de bedrijfseconomische positie van het bedrijf van vergunninghouder kan worden verbeterd en dat het plan van vergunninghouder dan ook economisch uitvoerbaar is, is niet onredelijk. Hierbij is in aanmerking genomen dat de vorm van recreatie die de vergunning mogelijk maakt, thans nog niet op de Noord-Veluwe voorkomt.

2.8.    Ten aanzien van het bezwaar van appellanten met betrekking tot de deugdelijkheid van het onderzoek naar beschermde plant- en diersoorten op de te ontgronden percelen, wordt overwogen dat appellanten op dit punt geen gronden hebben aangevoerd die tot het oordeel leiden dat verweerder in redelijkheid geen vergunning had mogen verlenen.

2.9.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 25 september 1997, E01.95. 0245 (GST. 1999, 7089, 8) kunnen bezwaren over het gebruik van de percelen na afloop van de ontgronding niet worden meegewogen bij de beoordeling van het besluit waarbij een ontgrondingsvergunning is verleend. Het bezwaar van appellanten met betrekking tot de invloed van het recreatieve gebruik van de vijvers op de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf van [appellant B] in de nabijheid van de hengelvijvers, kan daarom geen onderdeel uitmaken van deze procedure en dient dan ook buiten beschouwing te blijven.

2.10.    Gelet op het vorenstaande, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, kan ook geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van appellanten is derhalve ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

177-482