Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200500040/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2004, kenmerk 47-13, heeft verweerder aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Boerenbond Helden en omstreken" een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de fabricage van mengvoeders, de op- en overslag van kunstmeststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, alsmede de verkoop van land- en tuinbouwartikelen, gelegen aan de Steenstraat 91 te Panningen. Dit besluit is op 1 december 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief gedateerd 5 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2005, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500040/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Helden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004, kenmerk 47-13, heeft verweerder aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Boerenbond Helden en omstreken" een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de fabricage van mengvoeders, de op- en overslag van kunstmeststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, alsmede de verkoop van land- en tuinbouwartikelen, gelegen aan de Steenstraat 91 te Panningen. Dit besluit is op 1 december 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief gedateerd 5 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 juli 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2005, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door G.P.M. Boonekamp, J.W.M. van der Biesen en R.P.M. van der Velden, allen ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door L. Verhaegh, ing. P.J. Wulms en ing. H.J.M. Michels, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben appellanten de grond inzake geurhinder en een deel van de gronden inzake het geluidscherm, te weten het ontbreken van een geluidscherm in de aanvraag, de reflectie van geluid tegen het scherm, waardevermindering van de woning, de noodzaak tot het kappen van een boom en de gedoogconstructie voor het geluidscherm, ingetrokken.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen het als één inrichting aanmerken van het bedrijf.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud) kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten hebben de grond inzake de vraag of sprake is van één of twee inrichtingen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellanten verzetten zich ertegen dat het bestaande geluidscherm op het terrein van de inrichting wordt doorgetrokken. Zij zijn van mening dat een geluidscherm visuele hinder veroorzaakt. Zij trekken bovendien in twijfel dat met deze maatregel altijd aan de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode kan worden voldaan en menen dat alternatieve maatregelen hadden moeten worden onderzocht. Boven een geluidscherm geven appellanten de voorkeur aan raamisolatie.

   Appellanten wijzen er in dit kader verder op dat in het verleden afspraken zijn gemaakt tussen verweerder, vergunninghoudster en omwonenden over het niet doortrekken van het geluidscherm en dat het bestemmingsplan zich verzet tegen de ingreep.

2.5.1.    De Afdeling is van oordeel dat het betoog van appellanten dat voor een andere maatregel had moeten worden gekozen dan het plaatsen van een geluidscherm, omdat niet zeker is dat daarmee aan de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode kan worden voldaan, niet kan slagen. Zij overweegt hiertoe dat uit de aanvulling van 22 augustus 2005 bij het bij de aanvraag behorend akoestisch rapport, nr. 2002167/R01, van 28 november 2003 van Wensink akoestiek en milieu (hierna: het geluidrapport) blijkt dat de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode op de verschillende beoordelingspunten kan worden nageleefd.

2.5.2.    De Afdeling overweegt voorts dat verweerder is gehouden de grondslag van de aanvraag te beoordelen. Of in plaats van een geluidscherm ook met andere maatregelen reductie van de waarde voor het maximale geluidniveau kan worden bereikt, speelt hierbij geen rol. Gelet hierop kan ook in zoverre de grond dat voor alternatieve geluidwerende maatregelen had moeten worden gekozen, niet slagen.

2.5.3.    Voor zover appellanten de onverenigbaarheid aanvoeren van de verlenging van het geluidscherm met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kan slagen.

2.5.4.    Met betrekking tot afspraken die verweerder volgens appellanten in het verleden is aangegaan over het niet doortrekken van het geluidscherm overweegt de Afdeling dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet is gebleken dat er dergelijke toezeggingen in het kader van de thans in het geding zijnde milieuvergunning zijn gedaan. Reeds hierom treft het beroep in zoverre geen doel.

2.5.5.    Voor zover appellanten betogen visuele hinder te ondervinden van het geluidscherm overweegt de Afdeling dat de vraag of hiervan sprake is primair aan de orde komt in het kader van planologische regelingen. In het kader van de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer blijft evenwel ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets.

   Uit de stukken blijkt dat het gaat om een transparant scherm van twee meter hoog, dat aansluit bij een reeds bestaand scherm. Gelet op de uitvoering is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.6.    Appellanten vrezen stofhinder. Zij zijn van mening dat, in aansluiting op hetgeen is vermeld in het deskundigenbericht, de in voorschift 8.2.1 neergelegde grenswaarde voor de stofconcentratie zou moeten worden verlaagd naar 5 mg/m03.

   Zij wijzen er ook op dat ten behoeve van de inrichting in 1994 een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer is gedaan en menen dat een destijds gemelde maatregel, te weten het verlengen van de stortput, in de aanvraag niet had mogen ontbreken.

   Appellanten richten zich in dit kader ook op het onderzoek ter beoordeling van de stofemissie als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen dat daarin van te weinig vrachtwagenbewegingen is uitgegaan.

2.6.1.    Om stofhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken heeft verweerder onder meer voorschrift 8.2.1 aan de vergunning verbonden. Daarin is bepaald dat de geëmitteerde afgassen uit alle gekanaliseerde emissiepunten niet meer stof mogen bevatten dan 10 mg/m03, berekend conform de richtlijn van de NeR.

2.6.2.    Bij de beoordeling van de stofemissie ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting heeft verweerder blijkens de stukken aansluiting gezocht bij de Nederlandse emissierichtlijnen Lucht (hierna: NeR). Volgens de NeR geldt voor de emissie van stof in algemene zin (aangeduid als categorie S) bij een gereinigde emissievracht van 0,2 kilogram per uur of meer een emissie-eis van 5 mg/m03.

2.6.3.    Verweerder heeft ter zitting laten weten zich te kunnen verenigen met de aanpassing van voorschrift 8.2.1, in die zin dat de grenswaarde voor de stofconcentratie wordt verlaagd naar 5 mg/m03. Gelet hierop verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

De Afdeling ziet op dit punt aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.6.4.    Om de stofemissie en -immissie ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting te bepalen is onderzoek gedaan door Buro Blauw B.V. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport nr. BL2003.2343.01 van 4 september 2003 (hierna: het stofrapport). Voor zover appellanten stellen dat dit rapport niet deugdelijk is, aangezien daarin van minder vrachtwagens, die komen lossen, sprake is dan het aantal dat per dag in een representatieve situatie de inrichting aandoet, overweegt de Afdeling als volgt. In het stofrapport wordt melding gemaakt van de aanvoer van stortgoederen tussen 8.40 uur en 13.40 uur. In die periode hebben metingen plaatsgevonden van de debieten en de stofconcentraties. Aan de hand van deze metingen zijn uurvrachten berekend. In het deskundigenbericht wordt erop gewezen dat deze uurvrachten bij representatieve bedrijfsomstandigheden zijn gemeten. Volgens het deskundigenbericht is het niet nodig metingen van de debieten en de stofconcentraties bij de aanvoer van goederen de gehele dag door te meten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.6.5.    Met betrekking tot de stelling van appellanten dat om stofhinder tegen te gaan een verlenging van de stortput had moeten worden aangevraagd, overweegt de Afdeling dat uit het stofrapport blijkt dat aan de waarde van 5 mg/m03 die in de NeR wordt aanbevolen, ruimschoots kan worden voldaan. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verlenging van de stortput niet nodig is.

2.7.    Het beroep, voorzover ontvankelijk, is deels gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het betreft voorschrift 8.2.1. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond dat geen sprake is van één inrichting betreft;

II.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helden van 16 november 2004, kenmerk 47-13, voorzover het voorschrift 8.2.1 betreft;

IV.    bepaalt dat voorschrift 8.2.1 als volgt komt te luiden: "De geëmitteerde afgassen uit alle gekanaliseerde emissiepunten mogen niet meer stof bevatten dan 5 mg/m03, berekend conform de richtlijn van de NeR.";

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

VI.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Helden aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Dam

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

441.