Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200406121/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2002 heeft de korpschef van de Politie Haaglanden (hierna: de korpschef) de ten behoeve van appellant ingediende aanvraag om toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wet pbr) om te werk te worden gesteld bij een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406121/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 02/21167 van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de korpschef van de Politie Haaglanden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2002 heeft de korpschef van de Politie Haaglanden (hierna: de korpschef) de ten behoeve van appellant ingediende aanvraag om toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wet pbr) om te werk te worden gesteld bij een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau, afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de korpschef het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2004, verzonden op 29 juni 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 september 2004 heeft de korpschef van antwoord gediend,

Na afloop van het vooronderzoek zijn op 30 augustus 2005 nadere stukken ontvangen van de korpschef. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2005, waar appellant vertegenwoordigd door mr. D.Th. van der Klei, advocaat te Den Haag, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Denneman, korpsjurist bij de Politie Haaglanden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 7, tweede lid, van de Wet pbr bepaalt voor zover van belang dat een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend, geen personen te werk stelt die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan leidinggevend werk, dan nadat voor die personen toestemming is verkregen van de bevoegde korpschef van het politiekorps.

   Ingevolge artikel 7, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet pbr wordt de toestemming voor de desbetreffende persoon onthouden indien deze persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

2.1.1.    Ter uitvoering van de Wet pbr heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld neergelegd in de circulaire "Uitvoering Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus" (Stcrt. 1999, no. 60) (hierna: de circulaire).

2.1.2.    Ingevolge paragraaf 2.1 van de circulaire wordt de toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet pbr onthouden indien:

a.    de betrokkene binnen 4 jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

b.    de betrokkene binnen 8 jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

c.    op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat: deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

   In paragraaf 2.1 wordt verder vermeld dat bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde het erom gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen, aldus de circulaire, slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Indien het veroordelingen betreft wordt aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde criteria onder a en b. De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder c is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

   De periode kan echter - behoudens zeer uitzonderlijke gevallen - nooit langer zijn dan de 4, respectievelijk 8 jaar die hiervoor onder a en b zijn genoemd.

2.1.3.    Voorts vermeldt onderdeel 2.1.1."Hardheidsclausule" van de circulaire dat de korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd, van het hiervoor bepaalde (onder 2.1. van de circulaire) kan afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.2.    Vooropgesteld wordt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 juni 2003 in zaak no. 200204745/1 de minister voor wat betreft de beantwoording van de vraag of een vergunning en/of toestemming al dan niet kan worden verleend, beschikt over beoordelingsvrijheid. De uitleg die in het kader van het beleid ten aanzien van die beoordelingsvrijheid - neergelegd in paragraaf 2.1, onder  c, van de circulaire - aan de term betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wet pbr is gegeven, is niet kennelijk onredelijk of onjuist. De rechtbank heeft te dien aanzien terecht overwogen dat het hier gaat om een stringent beleid.

2.3.    De weigering van de gevraagde toestemming berust op het feitelijke gegeven dat appellant op 7 juni 2002 - een datum die is gelegen binnen een periode van vier jaren voorafgaande aan het moment van toetsing, dat wil zeggen 3 augustus 2002, de datum van aanvraag - onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete ter zake van mishandeling. Het gaat hierbij om een misdrijf, derhalve een situatie die beantwoordt aan het gestelde onder 2.1, onder a van de circulaire.

   Voorts is aan de weigering ten grondslag gelegd dat appellant is vermeld in het zogeheten mutatiesysteem van de politie in verband met mishandeling, ter zake waarvan in maart 1998 en in mei 2001 proces-verbaal is opgemaakt. Dit heeft de korpschef geleid tot het standpunt dat hierdoor twijfel is opgeroepen omtrent de vraag of appellant zich kan beheersen in conflictsituaties, hetgeen, naar de mening van de korpschef, beantwoordt aan de omschrijving onder 2.1 onder c, van de circulaire.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat door de politierechter bij het uitspreken van zijn vonnis op 7 juni 2002 jegens hem rechtens te honoreren toezeggingen zijn gedaan over de gevolgen daarvan voor het verkrijgen van de beoogde toestemming.

   De rechtbank heeft verder overwogen dat de korpschef in redelijkheid geen toepassing heeft kunnen geven aan de hardheidsclausule.

2.5.    Appellant keert zich tegen deze overwegingen. Het betoog dat hij de uitlatingen van de politierechter nader kan bewijzen, slaagt niet, omdat al zouden uitlatingen van die strekking zijn gedaan, deze niet kunnen leiden tot het door appellant beoogde resultaat . De strafrechter heeft immers geen beslissingsbevoegdheid ter zake, deze komt aan het bestuursorgaan toe, in het voorliggende geval de korpschef. Voorts is de korpschef voor zijn beslissing niet gebonden aan een zodanige uitlating.

2.5.1.    Ten aanzien van de hardheidsclausule heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de korpschef het belang dat de Wet bpr en nadere regelgeving onder meer beoogt te beschermen, te weten dat werkenden in de beveiliging van onbesproken gedrag en volledig betrouwbaar zijn, zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van appellant bij het verkrijgen van de gevraagde toestemming. De korpschef heeft in dat verband van groot belang kunnen achten dat de aard van de door appellant gepleegde strafbare feiten aan toepassing van de hardheidsclausule in de weg staat, omdat een beveiligingsmedewerker veelvuldig in contact komt met publiek in confictsituaties en van hem alsdan grote zelfbeheersing wordt geëist en de gepleegde strafbare feiten daarmee in tegenspraak zijn. In de door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden behoefde de korpschef geen aanleiding te vinden een ander standpunt in te nemen.

2.5.2.    Aan de omstandigheid dat de korpschef in februari 2004 naar aanleiding van een nieuwe aanvraag toestemming voor de duur van één jaar heeft verleend, komt geen betekenis toe. Nog daargelaten dat dit een omstandigheid is die nà het in beroep bestreden besluit is opgetreden, betreft het een besluit waarvan de korpschef in de procedure bij de rechtbank heeft erkend dat dit op een kennelijke vergissing berust.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

221.