Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU4145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
200408338/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 19 augustus 2004, no. RE2004.7942, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet (hierna: de wet) verleend aan het "Waterschap Rivierenland" voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nrs. […] en sectie […], nr. […].

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2005/124 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408338/1.

Datum uitspraak: 12 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 19 augustus 2004, no. RE2004.7942, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet (hierna: de wet) verleend aan het "Waterschap Rivierenland" voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nrs. […] en sectie […], nr. […].

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van "Stichting Het Geldersch Landschap" en "Stichting Vrienden Der Geldersche Kasteelen", het "Waterschap Rivierenland" en van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door ir. J. Wesseldijk, medewerker van LTO Noord Advies, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G. Pieters, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord het "Waterschap Rivierenland", vertegenwoordigd door mr. T.P.J. Steenland-Mulder en drs. K.B. te Velde, "Stichting Het Geldersch Landschap" en "Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen, vertegenwoordigd door mr. T.P.J. Steenland-Mulder.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 januari 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit de ontgrondingsvergunning verleend ten behoeve van de aanleg van een gedeelte van de ecologische verbindingszone "Heumen-Horssen". De vergunning maakt onder meer de aanleg van twee poelen en een natuuroever mogelijk.

Standpunt appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte de gevraagde vergunning heeft verleend.

Daartoe voert hij aan dat het ontwikkelen van nieuwe natuur zowel in strijd is met het geldende bestemmingsplan, als met het streekplan, omdat in beide plannen aan de te ontgronden percelen een agrarische functie is toegekend.

Verder betoogt appellant dat hij door de ontgronding in de uitbreidingsmogelijkheden van zijn melkveehouderijbedrijf wordt beperkt.

Tevens ontstaat door de ontgronding een geïsoleerd natuurgebiedje zonder vooruitzichten op verdere ontwikkeling, aldus appellant.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aangevraagde vergunning verleend.

In dit besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beoogde ontgronding niet in strijd is met het bestemmingsplan. Evenwel is verweerder in het verweerschrift van dit standpunt teruggekomen.

Verder is volgens verweerder geen sprake van strijd met het streekplan, omdat de ontgronding niet in de weg staat aan een duurzame ontwikkeling van de landbouw ter plaatse.

Tevens ontkent hij dat na de ontgronding een geïsoleerd natuurgebied ontstaat. Hij betoogt dat de naastgelegen watergangen het natuurgebied verbinden met de overige kerngebieden van de ecologische verbindingszone.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de wet is het verboden zonder vergunning te ontgronden. Een vergunning wordt op grond van artikel 10, zevende lid, van de wet verleend na afweging van alle in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

In artikel 3, tweede lid, van de wet is bepaald dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 10, achtste lid, van de wet, voorzover hier van belang, wordt een vergunning niet verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen.

Ingevolge artikel 1 van de wet, voorzover hier van belang, wordt onder planologische medewerking verlenen verstaan het nemen van een of meer besluiten krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening door het bestuur van een gemeente of provincie waarin die gemeente is gelegen, waardoor een ontgronding kan plaatsvinden zonder strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.5.1.    De te ontgronden percelen hebben in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch gebied".

In artikelonderdeel 4.1.1. van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat als zodanig op de kaart aangegeven gronden onder meer bestemd zijn voor behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden een en ander met bijbehorende voorzieningen en met inachtname van de onder 4.2. opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

Onder 4.2.2., dat deel uitmaakt van artikelonderdeel 4.2., wordt een nadere detaillering van de onder 4.1.1. genoemde doeleinden beschreven, alsmede de relatie van de doeleinden tot de nadere aanduidingen op de kaart.

De artikelonderdelen 4.2.2., sub a tot en met g, van de planvoorschriften hebben alle betrekking op het behoud van reeds bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden.

In artikelonderdeel 4.2.2. aanhef en onder h, is voorzover hier van belang, bepaald dat het beleid zich mede richt op behoud en versterking van het ecologisch en landschappelijk waardevolle karakter van het op kaart 2 aangeduide "verwevingsgebied".

Op kaart 2 behorende bij het bestemmingsplan zijn de te ontgronden percelen aangeduid als "agrarisch ontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikelonderdeel 4.7.1. van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is het verboden de in artikel 4 bedoelde gronden te gebruiken in strijd met de bestemming.

2.5.2.    Bij brief van 12 juli 2005, derhalve daterend van na het nemen van het bestreden besluit, heeft verweerder de gemeenteraad verzocht mee te delen of hij bereid is planologische medewerking aan de ontgronding te verlenen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Zoals is overwogen onder 2.2. wordt met de ontgronding beoogd een gedeelte van een ecologische verbindingszone aan te leggen. De ontgronding vindt derhalve plaats ten behoeve van de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikelonderdeel 4.2.2. van de planvoorschriften aldus moet worden verstaan, dat uitsluitend in gebieden die op kaart 2 zijn aangeduid als "verwevingsgebied" de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden dienen te worden versterkt.

De Afdeling onderschrijft dit standpunt.

Nu de te ontgronden percelen op kaart 2 niet zijn aangeduid als "verwevingsgebied", maar als "agrarisch ontwikkelingsgebied", is de beoogde ontgronding, die strekt ter versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, in strijd met de artikelonderdelen 4.1.1. en 4.2.2. in samenhang met artikelonderdeel 4.7.1. van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan. Verder heeft de gemeenteraad niet meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 10, achtste lid, van de wet. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de gevraagde vergunning verleend.

Het beroep van appellant is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 19 augustus 2004, no. RE2004.7942;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005

177-425.