Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200410414/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) geweigerd appellante vrijstelling te verlenen voor het voeren van perifere detailhandel in het pand op het perceel Van IJsendijkstraat 403-409 te Purmerend (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410414/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ITD Real Estate B.V.", gevestigd te Purmerend,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04-867 van de rechtbank Haarlem van 4 november 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) geweigerd appellante vrijstelling te verlenen voor het voeren van perifere detailhandel in het pand op het perceel Van IJsendijkstraat 403-409 te Purmerend (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juni 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2004, verzonden op 10 november 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en bijgestaan door mr. G. Creutzberg, advocaat te Den Helder, en het college, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog en C. Schrama, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel bevindt zich op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Koog 1997" de bestemming "Handel en Nijverheid" hebben.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Handel en Nijverheid" aangewezen gronden bestemd voor handel, industrie, nijverheid, één horecabedrijf, wegen, open terreinen, parkeer- en groenvoorzieningen, water, waterkering, bruggen, duikers en verhardingen, alsmede de daarbij behorende bouwwerken, met uitzondering van detailhandelsbedrijven.

   Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan ter plaatse aangegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder c voor detailhandelsbedrijven met een minimum bedrijfsvloeroppervlakte van 1000 m2 ten behoeve van woninginrichting als geheel inclusief meubels.

2.2.    Appellante wil het op het perceel gelegen bedrijfspand, met een bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 m2, in gebruik nemen voor de verkoop van tweedehands meubelen, aangevuld met goederen ten behoeve van woninginrichting.

2.3.    Bij de beoordeling van verzoeken om vrijstelling, als hier aan de orde, hanteert het college de beleidsnotitie "Detailhandelsstructuurvisie/gemeentelijk detailhandelsbeleid 2002-2007" (hierna: de beleidsnotitie), door de gemeenteraad vastgesteld op 30 januari 2003 en op 21 februari 2003 in werking getreden. In de beleidsnotitie wordt een onderscheid gemaakt tussen kernwinkelapparaat/binnenstad, wijk- en buurtwinkelcentra en een gebied dat als "Overig Purmerend met uitzondering van Kop van West" is aangeduid.

   Blijkens de beleidsnotitie is het uitgangspunt voor het beleid de kwaliteit en de attractiviteit van de binnenstad te versterken, waarbij de binnenstad aangewezen is als het gebied waar recreatief wordt gewinkeld. Het beleid voor de "Kop van West" is gericht op het concentreren van woonwinkels met het doel een bundeling te realiseren van, ten opzichte van de binnenstad, aanvullend winkelaanbod in grootschalige vorm, thematisch en voor doelgerichte laagfrequente aankopen in een modern concept. Winkels in de branche "wonen" die in de binnenstad (in het Wagenweggebied of elders in Purmerend) zijn gevestigd dienen in principe naar de Kop van West te worden verplaatst.

   Voor het gebied "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West" wordt het bestaande vrijstellingenbeleid gehandhaafd, hetgeen volgens de beleidsnotitie betekent dat detailhandel buiten het kernwinkelapparaat en wijkwinkelcentra niet is toegestaan behalve op basis van een door het college te verlenen vrijstelling. Het vrijstellingenbeleid houdt in dat de vestiging van zogenoemde perifere detailhandel in met name opgesomde branches, in de notitie aangeduid als de bekende PDV-branches, op de locatie in kwestie is toegestaan onder een aantal nader genoemde, reeds vigerende voorwaarden. Eén van de branches is "woninginrichting als geheel, inclusief meubels".

2.4.    Vast staat dat het perceel is gelegen in het gebied "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West".

2.5.    Appellante richt zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit weliswaar onvoldoende is gemotiveerd - nu het college niet kan worden gevolgd in het betoog dat de gevraagde vrijstelling niet in het detailhandelsbeleid past - , doch dat de motivering niet zodanig gebrekkig is dat dit zou moeten leiden tot vernietiging van dat besluit.

2.5.1.    Dit betoog slaagt. Blijkens de beslissing op bezwaar, zoals nader toegelicht ter zitting, heeft het college aan de weigering om vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd het gemeentelijke beleid detailhandel te beperken tot die gebieden die zijn aangewezen voor detailhandel (kernwinkelapparaat en wijkwinkelcentra) en woonwinkels te concentreren op speciaal daartoe aangewezen locaties, zoals de te realiseren Kop van West. De door appellante beoogde meubelverkoop past in eerstgenoemde gebieden en zou ook op de Kop van West kunnen worden gevestigd, aldus het college. Voorts heeft het college bij zijn weigering in aanmerking genomen dat het in verband met de schaarste aan industrieterreinen gewenst is gronden met de bestemming "Handel en Nijverheid" te behouden voor bedrijven waarop die bestemming ziet.

    Nu volgens de beleidsnotitie het bestaande beleid ten aanzien van de vestiging van bekende PDV-branches in het gebied "Overig Purmerend met uitzondering van de Kop van West" wordt voortgezet, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de beoogde meubelhal, die onder deze branches valt, en aan de gestelde voorwaarden voldoet, niet voor de gevraagde vrijstelling in aanmerking komt. De stelling van het college dat een dergelijke vestiging ook past in het kernwinkelapparaat en de winkelcentra is niet nader onderbouwd. Locaties die zich binnen die gebieden lenen voor een meubelhal als de onderhavige, zijn door het college niet genoemd. Voorts is ter zitting gebleken dat de uitwerking van het in de Kop van West te ontwikkelen woonthemacentrum in een pril stadium verkeert en concrete plannen voor de inrichting en opzet daarvan nog ontbreken. Bijgevolg ontbreekt enig zicht op realisering van dit centrum op korte termijn.

   Ook wat betreft het door het college gestelde belang te kunnen voorzien in de behoefte aan industrieterrein in Purmerend zijn geen nadere gegevens verstrekt. Dat klemt te meer nu het college ter zitting heeft verklaard dat de door appellante beoogde locatie vanwege de daaraan gebonden beperkingen niet goed aansluit bij de vraag naar industrieterrein.

2.5.2.    Gelet op het voorgaande ontbeert het besluit van 2 juni 2004 een deugdelijke motivering, zodat het in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    De conclusie is dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit van 2 juni 2004 vernietigen.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 november 2004, Awb 04-867;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 2 juni 2004;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1002,03 (zegge: duizendentwee euro en drie cent), waarvan een gedeelte groot € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de  gemeente Purmerend aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Purmerend aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 682,00 (zegge: zeshonderd tweeëntachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Van Roosmalen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

53-488.