Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200409545/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan appellante bouwvergunning verleend voor het bouwen van kamerwoningen in het magazijn/garage op de begane grond en in het magazijn op de eerste verdieping aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409545/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 03 / 2124 BSTPL van de rechtbank Breda van 13 oktober 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan appellante bouwvergunning verleend voor het bouwen van kamerwoningen in het magazijn/garage op de begane grond en in het magazijn op de eerste verdieping aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft het college het daartegen door

17 omwonenden gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 13 oktober 2004, verzonden op 14 oktober 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 februari 2005 hebben de omwonenden die bezwaar hebben gemaakt een memorie ingediend.

Bij brief van 14 februari 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het college het bezwaar opnieuw gegrond verklaard en geweigerd met toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid bouwvergunning aan appellante te verlenen.

Bij brief van 1 juni 2005 heeft appellante gronden gericht tegen dat besluit ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. K.M. Peters, advocaat te Tilburg, en [directeur], het college, vertegenwoordigd door drs. L.M.A. Pols en G.L.J.G. Sperber, ambtenaren van de gemeente, en [partijen], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting is gebleken dat degenen die tegen het bouwplan van appellante bezwaar hebben gemaakt in de directe nabijheid van het perceel wonen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts aannemelijk geworden dat het bouwplan invloed heeft op de woon- en leefomgeving van deze omwonenden. De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het college hen terecht als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft aangemerkt. Het hier tegen gericht betoog van appellante faalt derhalve.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sint Anna" heeft het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden" met de nadere aanduiding "GDa-II".

   Ingevolge artikel 6, lid1.1, onder c, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "Gemengde doeleinden - aaneengesloten" met de aanduidingen GDa, GDa-I en GDa-II bestemd voor - onder meer - de vestiging van gestapelde en/of niet gestapelde woningen en/of onzelfstandige woonruimten al dan niet met aan huis gebonden beroep, met de daarbij behorende bouwwerken en open erven.

   Ingevolge artikel 6, lid 2.1.6, van de planvoorschriften mogen de woningen, onzelfstandige woonruimten en buurtwinkels uitsluitend in de hoofdbebouwingsvlakken en aansluitend op de achtererven worden gebouwd, zodanig dat geen nieuwe zelfstandige woning mag ontstaan, welke geheel of grotendeels is gelegen op het achtererf.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 3, wordt onder "achtererf" verstaan: een op de plankaart als zodanig aangeduid deelvlak.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder 28 wordt onder "hoofdbebouwingsvlak" verstaan: een op de plankaart als zodanig aangeduid deelvlak.

2.3.    Het bouwplan voorziet in het realiseren van 2 kamers op de begane grond en 4 kamers op de eerste verdieping van de bebouwing gelegen op het gedeelte van het perceel dat op de plankaart als "achtererf" is aangeduid. Deze onzelfstandige woonruimten zijn door een gang op de eerste etage verbonden met de bebouwing die zich op het gedeelte van het perceel bevindt dat op de plankaart als "hoofdbebouwingsvlak" is aangeduid.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, lid 2.1.6, van de planvoorschriften, omdat de kamers niet aansluitend aan het hoofdbebouwingsvlak zijn gesitueerd en sprake is van een nieuwe zelfstandige woning als in dat planvoorschrift bedoeld.

   Dit betoog slaagt. Ter zitting is gebleken dat het college in 1990 aan appellante bouwvergunning heeft verleend voor het realiseren van een aantal onzelfstandige woonruimten op het achtererf. Het onderhavige bouwplan voorziet in een uitbreiding van het aantal kamers door middel van het plaatsen van tussenwanden in de bestaande ruimten in de bebouwing op het achtererf. Bij de vergunningverlening in 1990 is ervan uitgegaan dat de realisering van de kamers niet leidt tot het ontstaan van een nieuwe, zelfstandige woning. Voorts is toen op verzoek van het college, zoals het ter zitting heeft bevestigd, om de bestaande situatie in overeenstemming te brengen met voormeld artikel 6, lid 2.1.6, de gang gemaakt tussen de op het achtererf gesitueerde kamers en de bebouwing op het hoofdbebouwingsvlak, zodat sprake zou zijn van ingevolge dat planvoorschrift toegelaten aansluitende bebouwing. Gelet hierop kan thans niet een andere interpretatie van dat artikellid worden gevolgd die inhoudt dat van toegelaten aansluitende bebouwing geen sprake is. Gebouwd is immers conform de toen vergunde situatie, terwijl zich sindsdien geen wijzigingen in de bebouwing dan wel in de toepasselijke planvoorschriften hebben voorgedaan. Uitgaande van de invulling die in 1990 aan genoemd planvoorschrift is gegeven, welke invulling ook thans aanvaardbaar wordt geoordeeld, staat, anders dan het college kennelijk meent, het imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet niet aan vergunningverlening in de weg.

2.5.    Nu de aangevallen uitspraak reeds strekt tot vernietiging van de beslissing op bezwaar van 25 augustus 2003, dient deze met verbetering van de gronden te worden bevestigd.

2.6.    Gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 5 april 2005 opnieuw een beslissing genomen op het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2003. Het college heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en geweigerd met toepassing van een vrijstellingsbevoegdheid bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen. Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, moet het hoger beroep van appellante worden geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.7.    Nu er bij dat besluit ten onrechte vanuit is gegaan dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, lid 2.1.6, van de planvoorschriften, dient het te worden vernietigd. Het beroep tegen dat besluit is derhalve gegrond.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 5 april 2005, 977/5867/1, gegrond;

III.    vernietigt dat besluit;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,37 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tilburg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Tilburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 409,00 (zegge: vierhonderdnegen euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter    w.g. Duursma

is verhinderd de uitspraak    ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

381-378.