Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200501451/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast binnen een termijn van twee weken het hekwerk voor het pand aan de [locatie 1] te [plaats] te verwijderen en de bestrating te herstellen in de oorspronkelijke staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200501451/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1148 GEMWT van de rechtbank Breda van 5 januari 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast binnen een termijn van twee weken het hekwerk voor het pand aan de [locatie 1] te [plaats] te verwijderen en de bestrating te herstellen in de oorspronkelijke staat.

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college, voorzover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft het in oorspronkelijke staat terugbrengen van het straatwerk en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.M.J. Peeters, advocaat te Oosterhout, en het college, vertegenwoordigd door J.C.M. Wirken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet is deze wet uitsluitend van toepassing op openbare wegen. Ingevolge het tweede lid worden onder wegen mede verstaan: voetpaden.

   Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet bepaalt dat een weg openbaar is, wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap.

   Artikel 16 van de Wegenwet, voor zover thans van belang, bepaalt dat de gemeente heeft te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende wegen, in goede staat verkeren.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in geding zijnde strook grond moet worden aangemerkt als zijnde een deel van de openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet. Daartoe voeren zij aan dat de strook grond niet reeds tien of meer jaren door de gemeente werd onderhouden toen het (provisorische) hekwerk werd geplaatst en dat feitelijk nimmer enig onderhoud aan dit gedeelte van het trottoir door de gemeente heeft plaatsgevonden.

2.2.1.    Niet in geschil is dat de betreffende strook grond sinds in elk geval 1979 als voetpad voor een ieder toegankelijk is geweest. Voor ligt de vraag of de strook grond gedurende tien achtereenvolgende jaren is onderhouden door de gemeente.

   Vaststaat dat de Dorpstraat in 1990/1991 is heringericht en dat in dat kader ook de strook grond door de gemeente ten behoeve van de functie als openbaar voetpad tot op zestig centimeter van de gevel is bestraat. De Afdeling is van oordeel dat de gemeente met deze bestrating evident onderhoud heeft verricht. Geen van de toenmalige eigenaren van de aan de Dorpstraat gelegen percelen heeft te kennen gegeven dat daartegen hunnerzijds wegens de eraan verbonden consequenties bezwaar bestond. Voorts heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat sedertdien de gemeente Breda de Dorpstraat, ook voorzover het betreft voor een ieder toegankelijk particulier eigendom, heeft onderhouden. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat de in geding zijnde strook grond is opgenomen in het reguliere onderhoudssysteem van de gemeente Breda. Uit de overgelegde stukken en foto's blijkt dat de gehele Dorpstraat in eenzelfde staat van onderhoud verkeert, welke niet tekort schiet. Er is dan ook geen grond om aan te nemen dat het geplande onderhoud wat betreft de in geding zijnde strook niet daadwerkelijk zou worden verricht.

   Met de rechtbank is de Afdeling derhalve van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de strook grond gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door de gemeente. De strook grond dient derhalve te worden aangemerkt als een deel van de openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet.

2.3.    Door het plaatsen van het hekwerk door appellanten is de strook grond niet langer voor een ieder toegankelijk en is deze niet meer te onderhouden door de gemeente. Gelet op artikel 16 van de Wegenwet was het college dan ook bevoegd appellanten onder aanzegging van bestuursdwang aan te schrijven om het door hen geplaatste hekwerk te verwijderen teneinde dit gedeelte van de openbare weg weer toegankelijk te maken.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    In dit kader betogen appellanten dat de gemeente in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. De gemeente treedt niet op tegen situaties waarin de voetganger veel meer wordt gehinderd in het gebruik van het trottoir dan in de situatie voor het pand [locatie 1], aldus appellanten.

2.4.1.    Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de Afdeling uit de foto's en het verhandelde ter zitting gebleken dat alleen situatie voor het pand [locatie 2] vergelijkbaar is met de situatie die zich in het voorliggende geval voordoet. De overige situaties doen zich overwegend voor in andere straten en daarin zijn de belemmeringen van de openbare weg van andere aard en hebben die een andere oorzaak en een andere voorgeschiedenis. Over de situatie voor het pand [locatie 2] heeft het college aangevoerd dat daar, overeenkomstig de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW/ASVV), voldoende ruimte overbleef voor voetgangers om zich over het trottoir in een rechte lijn te verplaatsen. In het onderhavige geval resteert vanwege de op het voetpad aanwezige boom slechts een geringe ruimte om de strook grond te passeren. Daarbij dienen voetgangers een bocht te nemen, hetgeen met name bezwaarlijk is voor kwetsbare groepen voetgangers, zoals mensen die zijn aangewezen op het gebruik van een rollator, scootmobiel, rolstoel of kinderwagen. Voetgangers die zich in een rechte lijn bewegen worden gedwongen over de boomspiegel te lopen of over het naastliggende fietspad te lopen. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de verkeerssituatie voor het pand van appellanten onveiliger is dan voor het pand [locatie 2]. Van een gelijke situatie is derhalve geen sprake. Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

97-440.