Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AU3781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
200410068/1 en 200409585/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college), onder het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 2.1.5., derde lid, van de gemeentelijke bouwverordening, aan [vergunninghouders] een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410068/1 en 200409585/1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2903 van de rechtbank Arnhem van 2 november 2004 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel,

alsmede uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2907 van de rechtbank Arnhem van 2 november 2004 in het geding tussen:

appellant sub 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college), onder het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 2.1.5., derde lid, van de gemeentelijke bouwverordening, aan [vergunninghouders] een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 november 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 2 april 2003, onder het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 6, tiende lid, onder b, van de planvoorschriften, gehandhaafd.

Bij afzonderlijke uitspraken van 2 november 2004, in zaak no. AWB 03/2903, respectievelijk in zaak no. AWB 03/2907, beide verzonden op 3 november 2004, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2903 heeft appellant sub 1 bij brief van 9 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld en tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/2907 heeft appellant sub 2 bij brief van 25 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2004, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft de gronden aangevuld bij brief van 15 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 2004 zijn vergunninghouders in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

Bij brieven van 13 januari 2005 en 12 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door respectievelijk mr. M.F.G. Mulders, advocaat te Zaltbommel en mr. J.P. Kleijwegt, advocaat te Houten, en het college, vertegenwoordigd door L.C.A. Theunisse, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft de bouw van een woning met een breedte van 13 m en een diepte van 12 m, voorzien van een uitbouw aan de achterzijde.

2.2.    Appellant sub 2 betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen heroverweging heeft plaatsgevonden van het besluit van 27 januari 2003 tot verlening van bouwvergunning voor het door vergunninghouders oorspronkelijk ingediende bouwplan voor het realiseren van twee zelfstandige wooneenheden op het perceel.

   Dat betoog faalt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem heeft het besluit van 27 januari 2003 bij uitspraak van 6 maart 2003 geschorst. Bij besluit van 2 april 2003 heeft het college aan vergunninghouders bouwvergunning verleend voor een gewijzigd bouwplan en bepaald dat deze vergunning in de plaats komt van de eerder bij besluit van 27 januari 2003 verleende bouwvergunning. De Afdeling is van oordeel dat dit besluit aldus moet worden verstaan dat het college de bezwaren van appellant sub 2 tegen het besluit van 27 januari 2003 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft herroepen. Het college heeft voorts terecht het gewijzigde bouwplan als een nieuwe bouwaanvraag behandeld en het besluit van 2 april 2003 aangemerkt als een primair besluit op die bouwaanvraag.

2.3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Nederhemert-Dorp" geldt ter plaatse de bestemming "Woningbouw L", zijnde woondoeleinden in de vorm van ééngezinswoningen in 1 bouwlaag met bijbehorende bebouwing.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn voorschriften met betrekking tot de aard en de afmetingen van bouwwerken en bouwterreinen mede vervat in de "uitgewerkte aanwijzingen" in de verklaring van de kaart.

   Ingevolge deze aanwijzingen is ter plaatse een bebouwingsoppervlak gesitueerd met de aanduiding "LV" (hierna: het bouwblok), waarop uitsluitend is toegestaan de bouw van een vrijstaande ééngezinswoning met een minimale inhoud van 350 m3, een maximale goothoogte van 3,5 m, een minimale dakhelling van 30 graden en een minimale afstand van 3 m tot de zijdelingse grens van het bouwterrein, respectievelijk 10 m tot de achtergrens van het bouwterrein.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de planvoorschriften is in de bestemmingen Woningbouw L- en E- een aanbouw toegestaan aan de achterzijde van de woning met een maximale diepte van 4 m, gemeten vanuit de achtergevel.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften wordt onder bebouwingsoppervlak verstaan: een op de kaart als zodanig aangegeven oppervlak, binnen welks grens (bebouwingsgrens) bepaalde in het plan aangegeven bouwwerken zijn toegestaan.

   Ingevolge diezelfde bepaling wordt onder bouwterrein verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige bebouwing met één bouwwerk of bij elkaar horende bouwwerken is toegestaan.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het bouwplan op meer punten in strijd is met het bestemmingsplan dan waarvoor het college vrijstelling heeft verleend.

   Dit betoog slaagt. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door appellanten gestelde bedoeling van de planwetgever om ter plaatse geen bouwblok op te nemen niet kan afdoen aan de in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheid. Eveneens terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het bouwplan binnen het bouwblok is gesitueerd. In dat verband overweegt de Afdeling dat met de rechtbank geen aanleiding wordt gezien om te twijfelen aan de juistheid van de in samenwerking met het kadaster door het college vastgestelde ligging van het bouwblok ten opzichte van de sedert de vaststelling van het bestemmingsplan ingrijpend gewijzigde kadastrale perceelsgrenzen.

   Anders dan de rechtbank is de Afdeling evenwel van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan de in de aanwijzingen gestelde voorwaarde dat de woning minimaal 3 m uit de zijdelingse grens van het bouwterrein moet zijn gelegen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2004 in zaak no. 200305777/1, is bij de vaststelling van de omvang van het bouwterrein in beginsel de actuele kadastrale situatie bepalend. Uit de omstandigheid dat het op de plankaart ingetekende bouwvlak is gesitueerd op enige afstand van de toenmalige kadastrale perceelsgrenzen, kan worden afgeleid dat ook de planwetgever met het in de aanwijzingen opgenomen voorschrift dat een minimale afstand van 3 m tot de zijdelingse grens van het bouwterrein in acht moet worden genomen, heeft gedoeld op de in acht te nemen afstand tot de actuele perceelsgrenzen. Nu de woning is geprojecteerd op de zijdelingse perceelsgrenzen, is aan bovengenoemde voorwaarde niet voldaan, zodat het bouwplan ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bij de rechtbank ingestelde beroepen alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 17 november 2003 vernietigen. Het college zal een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het college, gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet, moeten bezien of voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden verleend. In dat kader kan hetgeen appellanten verder nog hebben aangevoerd opnieuw aan de orde komen, voorzover daaromtrent in deze uitspraak niet is beslist.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 2 november 2004, kenmerken: AWB 03/2903 en AWB 03/2907;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel van 17 november 2003, kenmerk: RZ/sk;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij appellant sub 2 in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1014,78 (zegge: duizendveertien euro en achtenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De bedragen dienen door de gemeente Zaltbommel aan appellanten onder vermelding van de zaaknummers te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Zaltbommel aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 341,00 (zegge: driehonderdeenenveertig euro) per appellant vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005

66-422.